<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:7528</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-29T14:45:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751113-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:7528">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:7528</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-29T13:58:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:7528 Rechtbank Amsterdam , 02-10-2018 / 13/751113-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:7528:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen. Overlevering geweigerd op grond van artikel 12 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:7528:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751113-18</para>
      <para>RK nummer: 18/935</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 oktober 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 3 november 2016 door <emphasis role="italic">the District Court in Gdańsk</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983, </para>
      <para>wonend op het adres: </para>
      <para>
        [adres] , [woonplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak </para>
      <para>moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van </para>
      <para>artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court of Wejherowo </emphasis>(Polen) van 18 december 2015, met kenmerk: II K 335/13.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 3 jaar, 1 maand en 15 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW  </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">EAB en aanvullende informatie</emphasis>
        </para>
        <para>In het EAB is in onderdeel D vermeld: <emphasis role="italic">“No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision”. </emphasis>Voorts vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon niet in persoon is gedagvaard, maar wel anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt. Dit wordt in onderdeel D.2 als volgt toegelicht: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Convicted [opgeëiste persoon] , having been summoned properly, did not appear for the giving of verdict on 18.12.2015. Before the first hearing he had been advised on the obligation to inform about his whereabouts and effects of failure to meet that obligation. In preparatory proceedings he gave his residence address and service address. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 14 februari 2018 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) onder andere de volgende vragen aan de uitvaardigende Poolse autoriteit gesteld: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">a) Have there been any earlier hearings in this case, in which the merits of the case, including the guilt of the wanted person were discussed? If the answer is yes, did [opgeëiste persoon] appeared at these earlier hearings?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b) If the answer is no, could you please indicate whether or not [opgeëiste persoon] had given a mandate to a lawyer in this case?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 26 februari 2018 is hierop als volgt geantwoord: </para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">As the accused person [opgeëiste persoon] knew about the ongoing proceedings he was heard and advised in the course of preparatory proceedings and also took part in some trials in the matter. Among other dates, he appeared for the trial date on 16 May 2014. It follows from notes in the minutes that despite his duty the accused person did not inform of his correspondence address and ceased to collect notifications for the next trial dates properly served at the address shown by him upon two advice notes. </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Furthermore, the accused did not make use of assistance from a defence counsel (…).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw </emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Het is niet duidelijk geworden wanneer de <emphasis role="italic">merits of the case</emphasis> zijn behandeld en ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte is gebracht van die zitting of zittingen, zoals vereist in artikel 12 OLW. Géén van de in artikel 12 sub a tot en met d OLW genoemde omstandigheden heeft zich voorgedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie volgt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet geldt. Uit de aanvullende informatie en de verklaring van de opgeëiste persoon volgt dat de zaak meerdere keren is aangehouden. De opgeëiste persoon is hier een tijd van op de hoogte geweest, maar heeft er op enig moment zelf voor gekozen om het verdere verloop van de procedure niet af te wachten door naar Nederland te vertrekken. De opgeëiste persoon heeft er dus zelf voor gekozen zijn verdedigingsrechten niet verder uit te oefenen.   </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        <?linebreak?>Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. Uit voornoemde aanvullende informatie leidt de rechtbank af dat er meerdere rechtszittingen zijn geweest. Ondanks de vragen van het IRC van 14 februari 2018 is niet duidelijk geworden wanneer de inhoudelijke behandeling – de schuldvraag, het onderzoek naar <emphasis role="italic">the merits of the case</emphasis> – heeft plaatsgevonden. Uit het EAB, de aanvullende informatie en de verklaring van de opgeëiste persoon kan ook niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting. Geen van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden doet zich voor. Een verzetgarantie zoals bedoeld in artikel 12 sub d OLW is niet verstrekt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het standpunt van de officier van justitie dat de opgeëiste persoon er kennelijk zelf voor heeft gekozen zijn verdedigingsrechten niet (verder) uit te oefenen, doet niet af aan de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Waar de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4 bis van Kaderbesluit 2002/584/JBZ de uitvoerende justitiële autoriteit de ruimte biedt om rekening te houden met dergelijke omstandigheden (zie punt 51 van het arrest van 24 mei 2016 van het Hof van Justitie van de Europese Unie<footnote-ref linkend="_11e6270e-ec6a-49b0-88aa-9489cb1c776a" />), heeft de Nederlandse wetgever gekozen voor een imperatieve weigeringsgrond. Artikel 12 OLW geeft de overleveringsrechter dus geen ruimte om – indien zich geen van de gevallen van de onderdelen a tot en met d voordoet – af te zien van weigering van de overlevering op basis van omstandigheden als bedoeld in punt 51 van voornoemd arrest van het Hof van Justitie EU. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal de overlevering dan ook moeten weigeren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan <emphasis role="italic">the Regional Court of Wejherowo </emphasis>(Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de (geschorste) overleveringsdetentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.A.A.G. de Vries,  				                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. E.G. Fels en B. Poelert,                         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,		                 griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 2 oktober 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">			De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_11e6270e-ec6a-49b0-88aa-9489cb1c776a" label="1">
    <para> HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>