<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:6642</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-08T14:13:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 17/6387</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:6642">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:6642</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-08T14:12:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:6642 Rechtbank Amsterdam , 19-09-2018 / AMS 17/6387</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:6642:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Termijnoverschrijding is verschoonbaar. De minister van Infrastructuur en Waterstaat mocht aan [ belanghebbende] een Wbr-vergunning (als basisvoorziening) verlenen (locatie: langs de [locatie]nabij [locatie] op verzorgingsplaats [naam]). Aantal laadpalen ten tijde van het bestreden besluit niet gemaximeerd tot twee. Het laadvermogen wordt bepaald door de exploitant. In de Wbr noch in de Kennisgeving worden hier voorwaarden of beperkingen aan gesteld. Verwijzing naar de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 8 en 22 december 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:9034 en ECLI:NL:RBAMS:2017:9630).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:6642:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 17/6387</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 19 september 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] te [vestigingsplaats] , hierna te noemen ‘ [eiser] ’</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Infrastructuur en Waterstaat, rechtsopvolger van de minister van Infrastructuur en Milieu, </emphasis>hierna te noemen ‘de minister’</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.J. van der Ven),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>  te [vestigingsplaats] , hierna te noemen ‘ [belanghebbende] ’ (gemachtigden: [naam] en [naam] ).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit) heeft de minister aan [naam] ( [naam] ) een vergunning verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) voor het plaatsen en behouden van een snellaadzuil voor elektrische motorvoertuigen op verzorgingsplaats [naam] aan de [locatie] ter hoogte van kilometerlaadpaal [locatie] in [locatie] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft de minister de tenaamstelling van het bestreden besluit gewijzigd, in die zin dat de vergunning op naam wordt gesteld van [belanghebbende] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] heeft naar aanleiding van haar kennisneming van het besluit wijziging tenaamstelling van 19 oktober 2017 alsnog op 31 oktober 2017 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. </para>
      <para>
        [eiser] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en </para>
      <para>
        [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam] ( [functie] ) en [naam] (werkzaam bij de [functie] ). Namens [belanghebbende] zijn de gemachtigden verschenen. Tevens was namens [belanghebbende] aanwezig [naam] en [naam] . </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Deze zaak gaat over verzorgingsplaats [naam] langs de [locatie] nabij [locatie] . Om een ‘werk’ op een verzorgingsplaats te mogen hebben, is een Wbr-vergunning nodig. Een aanvraag voor een Wbr-vergunning wordt beoordeeld aan de hand van toetsingscriteria, met name de vraag of de aangevraagde voorziening, zoals een energielaadpunt, niet in strijd is met het doelmatig en verkeersveilig gebruik van de verzorgingsplaats. [eiser] heeft voor een groot aantal verzorgingsplaatsen een vergunning aangevraagd voor het plaatsen van energielaadpunten waar bestuurders van elektrische auto’s de accu van hun auto kunnen opladen. Een aanzienlijk deel van de locaties waarvoor [eiser] (en andere partijen) een vergunning hebben aangevraagd is via een loting verdeeld over de verschillende aanvragers. Op 27 april 2012 is de loting uitgevoerd. Per verzorgingsplaats is een volgorde bepaald van de aanvragers die in aanmerking kwamen voor het verkrijgen van een vergunning. Voor de [naam] was de uitslag 1. [eiser] , 2. [naam] en 3. ANWB. Op 16 juli 2015 heeft [eiser] een Wbr-vergunning verkregen voor realisatie van een energielaadpunt op verzorgingsplaats Aalschover.</para>
    <para />
    <para>2. Op 20 juli 2015 heeft ook [naam] een Wbr-vergunning aangevraagd voor het plaatsen van een snellaadzuil ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen op de locatie verzorgingsplaats [naam] . De minister heeft besloten om deze aanvraag in te willigen. Op 18 juli 2016 heeft de minister de ontwerpvergunning afgegeven en vanaf 28 juli 2016 ter inzage gelegd op het kantoor van Rijkswaterstaat en bij het gemeenteloket [locatie] . [eiser] heeft bij brief van 26 augustus 2016 een zienswijze ingediend. Met het bestreden besluit heeft de minister de gevraagde vergunning aan [naam] verleend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de termijnoverschrijding verschoonbaar? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat [eiser] , ondanks correcte bekendmaking van het bestreden besluit in de Staatscourant<footnote-ref linkend="_202b4042-12bb-46db-bc09-4f20c428af59" />, niet binnen zes weken beroep heeft ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter sprake van verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de minister ondanks de ingediende zienswijze, [eiser] niet op de hoogte heeft gesteld van het bestreden besluit. Dit is in strijd met de mededelingsplicht op grond van de artikelen 3:43 en 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft [eiser] nadat zij op de hoogte is geraakt van het bestreden besluit door kennisneming van het besluit wijziging tenaamstelling alsnog binnen veertien dagen beroep ingesteld.<footnote-ref linkend="_3a173850-d17a-4bdb-aa54-a461bfb4ac96" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de vergunning van [belanghebbende] in strijd met de verdelingsprocedure verleend? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. [eiser] voert aan dat de minister in strijd met de verdelingsprocedure ook een Wbr-vergunning heeft verleend aan de partij die als tweede op de ranglijst voorkomt, [naam] . Volgens [eiser] volgt uit de Kennisgeving ‘Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen’ (Kennisgeving) dat niet meer dan één partij een laadstation/energielaadpunt op een verzorgingsplaats kan hebben. Ook stelt zij op grond van een e-mail van Rijkswaterstaat van 19 april 2012 dat het aantal oplaadpalen is gemaximeerd tot twee per verzorgingsplaats. Ten slotte stelt zij dat aan [naam] iets anders is vergund dan is aangevraagd. Immers in de vergunning is sprake van een snellaadzuil terwijl blijkens de bijlagen bij de aanvraag sprake is van een reguliere oplaadvoorziening met een maximaal laadvermogen van 22 kW.</para>
    <para>5. De rechtbank verwijst allereerst naar haar uitspraak van 8 december 2017<footnote-ref linkend="_b8a135ab-cdef-4085-9303-13fe1a75688c" />, waarin is geoordeeld dat uit de Kennisgeving zoals gewijzigd op 20 december 2011 en de toelichting daarop niet blijkt dat er per verzorgingsplaats maar één aanbieder van energielaadpunten kan bestaan. Wel is op grond van voortschrijdend inzicht inmiddels per 13 maart 2017 (dus ná de datum van het bestreden besluit) het beleid gewijzigd in die zin dat per verzorgingsplaats nu maar één Wbr-vergunning voor een energielaadpunt als basisvoorziening kan worden verleend. Verder is de rechtbank met de minister van oordeel is dat uit de geciteerde e-mail van 19 april 2012 niet volgt dat ten tijde van het bestreden besluit (2016) het aantal laadpalen (niet te verwarren met oplaadstations/energielaadpunten) per verzorgingsplaats gemaximeerd zou zijn tot twee. In de e-mail wordt expliciet vermeld dat men “in dit stadium” uitgaat van een dergelijk maximum, maar ook wordt daaraan toegevoegd dat de aantallen toe te laten laadpalen en/of laadstations afhangt van de beschikbare ruimte op de specifieke verzorgingsplaats. Ten slotte volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat het laadvermogen van de afzonderlijke laadpalen op een oplaadstation bepaald kan worden door de exploitant en dat noch de Wbr noch de Kennisgeving hier voorwaarden of beperkingen aan stelt. De gronden van [eiser] kunnen daarom niet slagen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de vergunning van [belanghebbende] in strijd met een doelmatig en veilig gebruik van de verzorgingsplaats [naam] ?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. [eiser] voert aan dat het verlenen van een tweede Wbr-vergunning voor een laadstation/energielaadpunt op de [naam] in strijd is met het doelmatig en veilig gebruik van deze verzorgingsplaats. Volgens [eiser] leidt dit onder meer tot twijfel bij de automobilist en levert dit onveilige verkeerssituaties op. Volgens [eiser] is de veiligheid op de verzorgingsplaats ook haar belang. Haar klanten moeten veilig bij het snellaadstation kunnen komen en deze niet willen mijden vanwege onveilige situaties. [eiser] voert aan dat het relativiteitsbeginsel niet aan haar kan worden tegengeworpen. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 22 december 2017<footnote-ref linkend="_15f093cd-c046-431a-bca1-e1d557082f21" /> waarin is geoordeeld dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond van [eiser] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen en verwijst dan ook naar de rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 7.5 van die uitspraak, neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de hare.</para>
    <para />
    <para>8. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzitter, en mr. J.H.M. van de Ven en </para>
      <para>mr. C.F. de Lemos Benvindo, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Griffier </para>
      <para>voorzitter</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de voorzitter is buiten staat</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">deze uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_202b4042-12bb-46db-bc09-4f20c428af59" label="1">
    <para> Staatscourant 2016 nr. 62749, 23 november 2016. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a173850-d17a-4bdb-aa54-a461bfb4ac96" label="2">
    <para> De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1436. </para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_b8a135ab-cdef-4085-9303-13fe1a75688c" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2017:9034, rechtsoverweging 12 en 13. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_15f093cd-c046-431a-bca1-e1d557082f21" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2017:9630. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>