<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:5387</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-13T10:06:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-07-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">6609600/CV 18-2250</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:5387">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:5387</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-13T10:02:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:5387 Rechtbank Amsterdam , 20-07-2018 / 6609600/CV 18-2250</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:5387:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>consumentenrecht, kredietovereenkomst; flitskrediet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:5387:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="88da5961-e0cd-4a50-934d-258847959262" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="df0074c2-dca9-4ef4-bd3f-94a5072358ec" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 6609600  CV EXPL 18-2250</para>
      <para>vonnis van: 20 juli 2018</para>
      <para>fno.:  393</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">vonnis van de kantonrechter</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>I n z a k e</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de vennootschap naar buitenlands recht Palden Finance OÜ Lietuvos Filialas</bridgehead>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Vilnius, in Litouwen</para>
      <para>eiser</para>
      <para>gemachtigde: E.A.P. van Lith</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [gedaagde]
    </bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>niet verschenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Verloop van de procedure</bridgehead>
    <para>Bij exploot van dagvaarding van 22 januari 2018 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 300,00 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenvonnis van 2 maart 2018 eiseres in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen en nadere stukken in het geding te brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 20 maart 2018 een akte ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>Gronden van de beslissing<?linebreak?></title>
    <parablock>
      <para>Eiseres vordert onder meer betaling van € 300,00 aan opgeëiste kredietsom, vermeerderd met een overeengekomen vertragingsvergoeding.  <?linebreak?></para>
      <para>Gedaagde woont in [woonplaats] , zodat de kantonrechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Eiseres stelt dat zij met gedaagde een kleine, kortlopende lening is overeengekomen. Het geleende geld diende inclusief de daarover verschuldigde rente binnen 30 dagen te worden terugbetaald. Gedaagde heeft het bedrag inclusief rente niet binnen de gestelde 30 dagen aan eiseres terugbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde is een consument. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 2008/48 om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplicht de nationale bepalingen waarin de richtlijn is omgezet, ambtshalve toe te passen. (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van Titel 7:2A BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet. <?linebreak?>De kantonrechter dient daarom ambtshalve te beoordelen of de onderhavige kredietovereenkomst  onder de reikwijdte van richtlijn en Titel 7:2A BW valt.<?linebreak?>Op grond van artikel 7:58 lid 2 onder 2 BW zijn de bepalingen van Titel 7:2A BW niet van toepassing op een krediet dat binnen drie maanden dient te worden terugbetaald en waarvoor onbetekenende kosten worden gerekend.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Partijen zijn een kredietovereenkomst aangegaan op grond waarvan gedaagde het krediet binnen drie maanden moet terugbetalen.<?linebreak?>Gelet op de hoogte van de overeengekomen rente is er naar het oordeel van de kantonrechter echter geen sprake van het in rekening brengen van onbetekenende kosten. Mitsdien valt onderhavige overeenkomst onder de reikwijdte van Titel 7:2A BW, met dien verstande dat op grond van artikel 7:75 BW alleen artikel 7:76 en artikel 7:77 lid 1 aanhef en onder a BW van toepassing zijn.<?linebreak?></para>
      <para>Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is. De vordering met betrekking tot overeengekomen kredietvergoeding gedurende de looptijd van de overeenkomst, die het ingevolgde artikel 11 Besluit Kredietvergoeding maximaal toegestane percentage niet te boven gaat, is eveneens toewijsbaar.<?linebreak?></para>
      <para>Met betrekking tot de gevorderde overeengekomen vertragingsvergoeding overweegt de kantonrechter als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres beroept zich op een beding dat is opgesteld om in een of meerdere overeenkomsten te worden opgenomen. De kantonrechter dient daarom op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C 243/08) en de Hoge Raad (13-09-2013 ECLI:NL:HR:2013:691) ambtshalve te beoordelen of het beding oneerlijk is.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Gelet op de bijlage bij Richtlijn 93/13, artikel 1, aanhef en onder e, wordt het opleggen van een onevenredig hoge schadevergoeding wegens het niet nakomen van verbintenissen door een consument aangemerkt als een vermoedelijk oneerlijk beding. De door eisende partij gestelde omstandigheden maken de contractuele rente (vertragingsrente) die door eisende partij in rekening wordt gebracht over het gehele openstaande saldo en die gelijk is aan de bedongen kredietvergoeding, niet redelijk. <?linebreak?>Onder het begrip kredietvergoeding in de zin van de wet vallen immers verschillende soorten vergoedingen voor de duur van de looptijd van de geldlening, waaronder kosten van tussenpersonen, incasso en dienstverlening ( MvT Tweede kamer 1986-1987,19785 nr 3). Gesteld noch gebleken is dat eisende partij deze kosten na tussentijdse beëindiging van de kredietovereenkomst nog maakt, zodat niet kan worden uitgesloten dat eisende partij in een betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand blijven van de overeenkomst. Het rechtsvermoeden dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding is dan ook niet weerlegd. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad moet dit beding daarom buiten toepassing worden gelaten, zodat de vordering die op dit beding is gegrond niet toewijsbaar is.<?linebreak?></para>
      <para>Op grond van artikel 7:76 BW mag de kredietgever geen afzonderlijke buitengerechtelijke kosten bij kredietnemer in rekening brengen. Nu de gemachtigde van eisers bij aanmaning van de hoofdsom toch incassokosten in rekening heeft gebracht, wordt het gevorderde salaris gemachtigde afgewezen. Dat de incassokosten bij dagvaarding niet gevorderd worden doet daar niet aan af.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mitsdien wordt beslist als volgt. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van:<?linebreak?>- € 300,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2018 tot aan de voldoening;<?linebreak?>- € 4,52 aan rente; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>€   119,00	aan  griffierecht;</para>
        <para>€     84,09	aan exploitkosten		</para>
        <para>----------------		</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">€  203,09		in totaal</emphasis>
        </para>
        <para>één en ander, voor zover van toepassing, inclusief  btw;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>veroordeelt gedaagde tot betaling van een bedrag van € 15,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>De griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>De kantonrechter</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>