<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:4883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-01T11:21:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-07-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751367-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:4883">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:4883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-30T10:04:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:4883 Rechtbank Amsterdam , 12-07-2018 / 13/751367-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:4883:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank staat overlevering naar Griekenland toe. De onschuldbewering van de opgeëiste persoon treft geen doel. Een verzoek tot het horen va een getuige in het kader van de onschuldbewering is door de rechtbank afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:4883:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751367-18</para>
      <para>RK-nummer: 18/2883</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 12 juli 2018  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 26 februari 2018 door <emphasis role="italic">the Public Prosecutor’s Office at the Court of Appeals of Larissa</emphasis> (Griekenland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres],</para>
      <para>thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 juni 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse  nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een ‘<emphasis role="italic">Arrest warrant no. 6/2017 of Investigator A’ of the Division of Misdemeanor Court of Larisa, maintained in force by Decree no. 162/22-9-2017 of the President of the Court of Appeals of Larisa</emphasis>’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Griekenland strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 13, te weten, respectievelijk:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Onschuldverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Verdenking</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB volgt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht, kort samengevat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="upperalpha">
      <listitem>
        <para>in de periode van 1 januari 2014 tot 5 juli 2014 te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het transporteren van illegale vreemdelingen naar Griekenland;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>op 6 juli 2014 met anderen betrokken te zijn geweest bij een transport van illegale (Syrische en Filipijnse) vreemdelingen naar en in Griekenland, waarbij voor de (34) vreemdelingen een levensgevaarlijke situatie zou zijn ontstaan doordat in het voertuig geen lucht was en de hitte ondraaglijk was en de vreemdelingen al dagen geen water en eten was gegeven.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Verweer </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zijn raadsman heeft aangevoerd dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten slechts is gebaseerd op het feit dat het voertuig, waarin op 6 juli 2014 34 verstekelingen zijn aangetroffen, op naam van de opgeëiste persoon stond. Verder wordt de opgeëiste persoon slechts verweten het voertuig ter beschikking te hebben gesteld. Hem wordt niet verweten lijfelijk aanwezig te zijn geweest, aldus de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om de onschuld van de opgeëiste persoon te bewijzen heeft de raadsman stukken overgelegd, waaruit allereerst zou blijken dat hij het voertuig in 2013 zou hebben geëxporteerd en verder zou blijken dat de opgeëiste persoon het voertuig op 6 februari 2014 zou hebben verkocht aan [naam autohandel vof] en dat dit bedrijf de auto vervolgens op 10 februari 2014 aan [persoon] heeft doorverkocht en feitelijk heeft geleverd.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn onschuld tijdens het verhoor ter zitting niet aanstonds heeft kunnen aantonen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overgelegde stukken sluiten, anders dan de raadsman meent, niet uit dat de opgeëiste persoon op 6 juli 2014 over het voertuig kon beschikken en de handelingen kon verrichten die hem worden verweten. Bovendien vindt de stelling van de raadsman dat de verdenking van de opgeëiste persoon ten aanzien van beide feiten slechts zou zijn gebaseerd op het feit dat het voertuig op 6 juli 2014 op zijn naam stond geen grondslag in het EAB. Daarin wordt namelijk vermeld dat de opgeëiste persoon het voertuig ter beschikking heeft gesteld aan een medeverdachte op 6 juli 2014, dat hij het transport van de vreemdelingen heeft gefaciliteerd en dat hij gedurende 1 januari 2014 tot 5 juli 2014 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Mede in dat licht heeft de rechtbank ter zitting dan ook het verzoek tot het horen van de getuige, die zou kunnen verklaren over de gang van zaken bij het (door)verkopen en leveren van het voertuig, afgewezen. Ook de door de raadsman overgelegde stukken brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De stellingen van de opgeëiste persoon zullen in de strafprocedure in Griekenland in het licht van het strafdossier moeten worden beoordeeld</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft tevens de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
      <para>De advocaat generaal bij het ressortsparket Larisa heeft – desgevraagd door de officier van justitie – bij brief van 22 juni 2018 ten aanzien van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Na uw document zoals hierboven, maken wij bekend dat wij onze instemming verlenen in geval van veroordeling van de door de Griekse Rechtbanken gezochte voor de zaak die betrekking heeft op het Europees Aanhoudingsbevel d.d. 26-2-2018 van onze Dienst, dat hij zijn straf uitzit in Nederland (artikel 5 par. 3 van het kaderbesluit voor het Europees Aanhoudingsbevel).”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voor waarde is voldaan. De onder 4 bedoelde feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk het plegen van misdrijven heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen..</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 140 en 197a van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7, van de OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon],</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Public Prosecutor’s Office at the Court of Appeals of Larissa</emphasis> (Griekenland) ten behoeve van het in Griekenland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en M.J.J.P. Luchtman,			   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten,		                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 12 juli 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>					Mr. M.J.J.P. Luchtman is buiten staat deze</para>
      <para>					uitspraak mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>