<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:4614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-05T11:32:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751282-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:4614">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:4614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-05T11:05:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:4614 Rechtbank Amsterdam , 26-06-2018 / 13/751282-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:4614:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:4614:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751282-18<?linebreak?>RK-nummer: 18/2382</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 juni 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 5 oktober 2017 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans uit anderen hoofde verblijvende in de [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 juni 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.R. Backer, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Wolsztyn</emphasis> van 17 augustus 2016, met kenmerk: II K 213/16.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 4 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, dan wel dat nadere informatie moet worden verstrekt, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW. In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon op 29 juli 2016 in persoon is gedagvaard, maar ondanks de aanvullende informatie van 15 november 2017 blijft onduidelijk of de opgeëiste persoon zelf heeft getekend voor ontvangst van de dagvaarding. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De informatie in het EAB is aangevuld bij brief van 15 november 2017 van de uitvaardigende justitiële autoriteit. In deze brief is als volgt meegedeeld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">the defendant [opgeëiste persoon] was personally notified about the date of the Court sitting on 17 August 2016. In the case files (…) there is a notice on the date of the Court sitting, which was signed by the defendant on 29 July 2016.</emphasis>
      </para>
      <para>Het betreffende ontvangstbewijs van 29 juli 2016 – <emphasis role="italic">I hereby confirm with my own signature that I have received the aforesaid letter</emphasis> – is als bijlage bij de brief van 15 november 2016 toegestuurd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overigens heeft de officier van justitie ook een afschrift van het originele Poolse ontvangstbewijs opgevraagd. De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 12 juni 2018 verklaard dat (hij denkt dat) de handtekening daarop inderdaad van hem is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is gebleken dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid, geldt de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet. Voor het opvragen van nadere informatie hieromtrent bestaat geen aanleiding. De rechtbank verwerpt het verweer.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Dreigende schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de zaak moet worden aangehouden in afwachting van vragen die door het Ierse High Court zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU). De raadsman kent de jurisprudentie van de rechtbank dat een dergelijke aanhouding slechts plaatsvindt als de overlevering wordt verzocht ten behoeve van een ingesteld strafrechtelijk onderzoek en niet als het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van een al opgelegde vrijheidsstraf. In onderhavige zaak is echter niet voldaan aan artikel 12 OLW, zodat een verzetgarantie moet worden verstrekt en er dus – na overlevering – een nieuw inhoudelijk proces in Polen moet worden gevoerd. Het executie-EAB dient aldus te worden gelijkgesteld met een vervolgings-EAB, aldus de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Verwezen wordt naar de overwegingen in punt 4 van deze uitspraak waaruit volgt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet geldt, een verzetgarantie niet aan de orde is en het EAB dus enkel ziet op de tenuitvoerlegging van de op 17 augustus 2016 opgelegde straf. Niet is gebleken van een verband tussen dit vonnis en de recente, zorgelijke ontwikkeling in Polen<footnote-ref linkend="_9ca87aed-63b4-40f9-85a1-30020449ddc1" />. De rechtbank overweegt dat onder deze omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat bij overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen sprake is van een reëel gevaar van een flagrante schending van de aan hem toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding de procedure aan te houden in afwachting van de beantwoording van door het Ierse High Court gestelde prejudiciële vragen. Het verweer wordt verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Opportuniteit </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat er al een eerdere beslissing van de rechtbank ligt waarbij de overlevering voor andere feiten is toegestaan. Als de feitelijke overlevering in die zaak plaatsvindt, kan in Polen ook naar onderhavige straf gekeken worden, zodat de uitvaardiging van dit EAB niet opportuun is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het in behandeling nemen van onderhavig EAB het specialiteitsbeginsel juist waarborgt. Gelet hierop kan overlevering niet worden toegestaan anders dan voor de feiten die in het EAB genoemd worden. Van bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, is niet gebleken. Het verweer wordt verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis> ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,	                                                                    voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.T.C. de Vries en B. Poelert,	                                             rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,        	                                           griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juni 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De voorzitter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9ca87aed-63b4-40f9-85a1-30020449ddc1" label="1">
    <para> Vergelijk: Rechtbank Amsterdam, 27 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1757.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>