<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:3737</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-27T08:20:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 6307</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3737">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3737</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-27T08:20:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:3737 Rechtbank Amsterdam , 31-05-2018 / AWB - 17 _ 6307</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3737:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond - WOZ - huurovereenkomst door verweerder pas ter zitting overgelegd - geen motiveringsgebrek - huurovereenkomst lag niet ten grondslag aan bestreden uitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3737:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 17/6307 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Aalsmeer, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij beschikking van 31 januari 2017 (de aanslag) krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [straatnaam] te [plaatsnaam] (de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld op € 1.230.000,-. In de aanslag is ook de voor het gebruik opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen 2017 vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 15 september 2017 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de aanslag ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres exploiteert een kinderdagverblijf in de onroerende zaak. Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak. Blijkens een door verweerder ingebrachte taxatiekaart is de gecorrigeerde vervangingswaarde van het kinderdagverblijf bepaald op € 1.230.000,-. Daarbij is uitgegaan van de volgende aan de deelobjecten toegekende waarden:</para>
    <para>- opstal: 950 m²: € 961.295,-; </para>
    <para>- grond bij niet-woning 537 m²: € 61.755,-. </para>
    <para />
    <para>2. In het verweerschrift heeft verweerder onder meer gesteld dat uit de huurovereenkomst ten aanzien van de onroerende zaak blijkt dat sprake is van een opstal van 1.208,6 m² en een buitenruimte van 663,4 m², dat bij de waardevaststelling in het bestreden besluit van te kleine kengetallen is uitgegaan, dat de onroerende zaak zo’n € 600.000,- te laag is gewaardeerd en dat voor de komende taxaties dit zal worden aangepast.</para>
    <para />
    <para>3. Ter zitting heeft verweerder de betreffende huurovereenkomst overgelegd. </para>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft ter zitting, na het overleggen van de huurovereenkomst, de ingestuurde beroepsgronden ingetrokken. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de bestreden uitspraak een motiveringsgebrek heeft. Verweerder had voor het nemen van de bestreden uitspraak de huurovereenkomst al in zijn bezit en deze overeenkomst ten grondslag gelegd aan de bestreden uitspraak en aan het verweerschrift. De overeenkomst is echter pas ter zitting in beroep overgelegd. </para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de huurovereenkomst geen bepalende factor was in het besluitvormingsproces voorafgaande aan de bestreden uitspraak en dat eiseres op de hoogte dient te zijn van de inhoud van overeenkomsten die zij zelf sluit.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de inhoud van de huurovereenkomst ten grondslag ligt aan de bestreden uitspraak. Nergens uit blijkt dat het taxatierapport of de bestreden uitspraak is gebaseerd op de huurovereenkomst. In het verweerschrift wordt de huurovereenkomst als ondersteunend element genoemd voor de stelling dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de bestreden uitspraak geen motiveringsgebrek bevat. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. </para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. T. Rijs, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
      <para />
      <para> rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>