<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:3733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-27T13:08:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 406</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3733">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-27T13:07:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:3733 Rechtbank Amsterdam , 31-05-2018 / AWB - 18 _ 406</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3733:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep gegrond - intrekking Pw na niet verschijnen op oproepen - oproepbrief is uitnodiging voor strafrechtelijk verhoor – ‘gehoord worden als verdachte’ - geen bestuursrechtelijk component - geen verschijningsplicht - geen grond voor artikel 54 Pw.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3733:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 18/406 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.L.M. Vreeswijk),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, </emphasis>verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: drs. A.A. Brouwer).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 oktober 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiseres’ bijstand opgeschort per 30 oktober 2017.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 november 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de bijstand met ingang van 30 oktober 2017 ingetrokken, omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres ontvangt sinds 1 augustus 1996 bijstand. </para>
    <para />
    <para>2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische mededeling op 12 juni 2015  is een rechtmatigheidsonderzoek gestart naar de woonsituatie van eiseres. Zij zou sinds mei 2015 in [land] verblijven in haar eigen huis. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport van 1 november 2017. Uit dit rapport en uit het dossier blijkt dat eiseres bij brief van 23 oktober 2017 is uitgenodigd om op 30 oktober 2017 te worden verhoord. Zij is niet verschenen. </para>
    <para />
    <para>3. Bij het primaire besluit I heeft verweerder op grond van artikel 54, eerste lid, van de Pw eiseres’ bijstand per 30 oktober 2017 opgeschort. In dit besluit is tevens een nieuwe afspraak gemaakt voor 1 november 2017. Eiseres is niet verschenen. </para>
    <para />
    <para>4. Bij het primaire besluit II heeft verweerder op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw de bijstand van eiseres met ingang van 30 oktober 2017 ingetrokken, omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen is. </para>
    <para />
    <para>5. Eiseres voert aan dat zij in de brief van 23 oktober 2017 is opgeroepen om als verdachte te worden gehoord en dat zij niet hoeft te verschijnen op deze oproep omdat zij het fundamentele recht heeft om niet mee te werken aan een strafrechtelijk onderzoek. Dit is gebaseerd op het nemo teneturbeginsel, dat volgens vaste jurisprudentie tevens is verankerd in artikel 6 van het EVRM.</para>
    <para />
    <para>6. Verweerder stelt dat er in de brief van 23 oktober 2017 een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het bestuursrechtelijke component, dat ziet op de medewerkingsplicht, en het strafrechtelijke component, dat ziet op het horen van eiseres als verdachte. Daardoor is het voor eiseres duidelijk dat zij mee moet werken om haar recht op bijstand vast te kunnen stellen en is het duidelijk dat zij op de uitnodiging moest ingaan. Verweerder heeft ter zitting verklaard zijn besluiten te baseren op artikel 54, eerste en vierde lid, van de Pw in samenhang met artikel 17, tweede lid, van de Pw. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank stelt vast dat in de brief van 23 oktober 2017 het volgende staat vermeld: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Uit het door Team Opsporing ingestelde onderzoek is het vermoeden ontstaan dat u onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen hebt verstrekt aan de Gemeente Amsterdam, in het kader van de uitvoering van sociale zekerheidswetgeving. Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat aan u teveel / ten onrechte uitkering werd verstrekt. U zult om die reden gehoord worden als verdachte. In verband met dit strafrechtelijke onderzoek is het noodzakelijk dat u hierover wordt gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U kunt voorafgaand aan dit verhoor voor eigen rekening een raadsman / advocaat advies vragen. U dient daar dan wel zelf voor te zorgen. U kunt tijdens het verhoor bijstand ontvangen van een raadsman / advocaat, dit geheel voor eigen rekening. Ook daarvoor dient U wel zelf te zorgen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 23 oktober 2017 louter een uitnodiging is voor een strafrechtelijk verhoor. De brief bevat geen uitnodiging aan eiseres om haar medewerking te verlenen aan een onderzoek naar, in de woorden van verweerder, de bestuursrechtelijke component. Het is de aankondiging dat eiseres als verdachte zal worden verhoord en eiseres heeft geen verschijningsplicht. Daarom is er geen grond om tot toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Pw te komen. Dat betekent ook dat aan de toetsing van toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw niet wordt toegekomen. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de overige gronden van beroep. </para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij de primaire besluiten I en II zal herroepen.</para>
    <para />
    <para>10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1503,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>herroept de primaire besluiten I en II en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>€ 1503,-. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. T. Rijs, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
      <para />
      <para> rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>