<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:3539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-24T11:31:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751202-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3539">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-24T10:47:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:3539 Rechtbank Amsterdam , 22-05-2018 / 13.751202-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3539:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering | Kroatië | Detentieomstandigheden | US State department human rights report 2016 en 2017 | Geen algemeen risico</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3539:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751202-18</para>
      <para>RK-nummer: 18/1718</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 22 mei 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op <?linebreak?>8 maart 2018 door de <emphasis role="italic">Deputy Head of the Office for the Suppression of Corruption and Organized Crime of the Republic of Croatia State Attorney’s Office, </emphasis>in Rijeka, Kroatië, en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] in [plaats] ,</para>
      <para>thans gedetineerd in de [plaats detentie] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">Decision under number Kir-Us-6/2018 determining investigative prison</emphasis>, door de <emphasis role="italic">County Court</emphasis> in Rijeka, Kroatië, op 8 maart 2018 in dossiernummer Kir-Us-6-2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Kroatië strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1. en 5., te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Kroatië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Republic of Croatia State Attorney’s Office, Office for the Suppression of Corruption and Organised Crime</emphasis> heeft bij brief van 29 maart 2018 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(...) if [opgeëiste persoon] is surrenderd to the Republic of Croatia under conditions from Article 5, point 3 of the Council Framework Decision 2002/584/JHA, the referenced person will be transferred to the Kingdom of the Netherlands to serve the prison sentence if such sentence is rendered by a final judgment made in the case of the Office for the Suppression of Corruption and Organised Crime, case no. K-US-88/18, Is-US-9/18. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4. bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de raadsman </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot een flagrante schending van de in artikel 4 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) vastgelegde rechten van de opgeëiste persoon. Namens de opgeëiste persoon is in dit verband allereerst verwezen naar het rapport van 18 maart 2014 van <emphasis role="italic">the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment</emphasis> (hierna: CPT). Dit rapport is gebaseerd op bezoeken van het CPT afgelegd in 2012. In het rapport zijn aanbevelingen opgenomen ter verbetering van de detentieomstandigheden, in het bijzonder de overbevolking. Daarnaast is verwezen naar het <emphasis role="italic">Croatia 2016 Human Rights Report </emphasis>van de <emphasis role="italic">US Department of State, </emphasis>waarin staat vermeld dat in de gevangenis in Rijeka, waar de opgeëiste persoon volgens de raadsman naar alle waarschijnlijkheid terecht zal komen, sprake is van 126% overbevolking. De raadsman heeft aangevoerd dat derhalve sprake is van concrete aanwijzingen dat er zodanig weinig celruimte is voor gedetineerden in de gevangenis te Rijeka, dat dit in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Hij verzoekt de rechtbank om de behandeling van het overleveringsverzoek aan te houden en de Kroatische autoriteiten te vragen om een garantie te geven dat de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon geen schending van artikel 4 van het Handvest zullen opleveren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 4 van het Handvest niet in de weg staat aan de overlevering. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 5 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4596, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het voornoemde CPT rapport van 2014 geen aanwijzing is voor een algemeen en reëel gevaar dat mensen die in Kroatië zijn gedetineerd, in een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie terechtkomen. Daartoe achtte de rechtbank allereerst relevant dat het CPT rapport niet meer recent is te noemen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het CPT rapport gelet daarop niet als uitgangspunt kan worden genomen. Het door de raadsman overgelegde rapport van 2016 van de <emphasis role="italic">US State Department</emphasis> is weliswaar recenter, maar daaruit kan niet worden vastgesteld dat gedetineerden te weinig persoonlijke celruimte tot hun beschikking hebben. De officier van justitie concludeert dan ook dat het voornoemde oordeel van de rechtbank uit 2016 nog steeds geldt. Nu er in Kroatië geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerde personen worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden, dient de rechtbank het verzoek van de raadsman af te wijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 (Pál Aranyosi ) en C-659/15 PPU (Robert Căldăraru ), ECLI:EU:C:2016:198) geoordeeld over de wijze waarop getoetst moet worden of detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat leiden tot de conclusie dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld dient te worden dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om te onderzoeken of dergelijke uitzonderlijke omstandigheden zich voor doen, dient de rechtbank eerst te onderzoeken of er bewijzen zijn dat er <emphasis role="italic">in het algemeen</emphasis> een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. </para>
      <para>De rechtbank dient zich op grond van genoemd arrest van het Hof van Justitie te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM), uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij is van belang dat op grond van artikel 52, derde lid, van het Handvest, onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) tevens als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 4 van het Handvest moeten worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien wordt geconcludeerd dat een reëel gevaar <emphasis role="italic">in zijn algemeenheid </emphasis>bestaat dat gedetineerden in de uitvaardigende lidstaat worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, wordt gekeken of dat gevaar ook voor de opgeëiste persoon <emphasis role="italic">in concreto</emphasis> na zijn overlevering bestaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van overbevolking en de beschikbare celruimte voor gedetineerden is voorts relevant dat het EHRM als minimummaatstaf hanteert bij de toetsing aan artikel 3 van het EVRM dat een gedetineerde in beginsel minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte dan wel vloeroppervlakte tot zijn beschikking moet hebben in een meerpersoonscel (EHRM (Grote Kamer) 20 oktober 2016,  ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413, (Muršić/Kroatië, hierna: Muršić/Kroatië).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, zoals reeds door deze rechtbank is overwogen in de uitspraak van 5 juli 2016 en is herhaald in de uitspraak van 12 oktober 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7514), moet worden geconcludeerd dat op grond van het CPT rapport uit 2014 niet kan worden vastgesteld dat er - thans - in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in Kroatië onmenselijk of vernederend worden behandeld. In de uitspraak van 12 oktober 2017 heeft de rechtbank verwezen naar het voornoemde arrest Muršić/Kroatië, waarin onder meer aandacht is besteed aan het CPT rapport. Uit dit arrest kon niet worden afgeleid dat een dergelijk algemeen gevaar bestaat voor de in die zaak specifiek genoemde Bjelovar gevangenis. Het EHRM had weliswaar een schending van artikel 3 van het EVRM vastgesteld gedurende een periode van 27 dagen dat Muršić minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte tot zijn beschikking had. Niet was echter gebleken dat dit een structurele situatie in Bjelovar en/of andere detentieinstellingen in Kroatië betrof. </para>
      <para>De rechtbank heeft er bovendien op gewezen dat de detentie van Muršić plaatsvond in 2010, geruime tijd voor het bezoek van het CPT aan Kroatië. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet, los van de omstandigheid dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in Rijeka terecht zal komen, in hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot het CPT rapport uit 2014 geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat het rapport voor de huidige situatie geen concrete aanwijzingen biedt voor gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de vraag of het <emphasis role="italic">Croatia 2016 Human Rights Report </emphasis>van de <emphasis role="italic">US Department of State </emphasis>nieuwe informatie bevat ten opzichte van het CPT rapport, overweegt de rechtbank als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het rapport van de US State Department valt onder meer het volgende te lezen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The treatment of prisoners was considered generally humane, although overcrowding remained a problem in some prisons. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Physical Conditions: The ombudsman reported prison overcrowding eased. The Ministry of Justice reported prisons were at 85 percent capacity. Several prisons remained overcrowded, including those in Rijeka (126-percent of capacity), Zadar (111 percent), Osijek (111 percent), Varazdin (109 percent), Pozega (106 percent), and Bjelovar (102 percent). </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A majority of prisoner complaints concerned the quality and accessibility of medical care, and inadequate facilities, specifically a lack of living space. </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank overweegt dat het weliswaar verontrustend is dat in 2016 kennelijk nog sprake was van overbevolking, maar is van oordeel dat daarmee nog niet is vast te stellen dat niet voldaan wordt aan de door het EHRM gehanteerde ondergrens van 3 m2 per gedetineerde in geval van een meerpersoonscel. Zoals de officier van justitie terecht heeft opgemerkt, hangt dat af van de vraag hoe groot de cellen zijn. Daarover is geen verdere informatie bekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ambtshalve kennis genomen van het <emphasis role="italic">Croatia 2017 Human Rights Report </emphasis>van de <emphasis role="italic">US Department of State</emphasis>. Daarin staat het volgende vermeld ten aanzien van de detentieomstandigheden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The treatment of prisoners was considered generally humane, although overcrowding remained a problem in some prisons. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Physical Conditions: The Office of the Ombudsman for Human Rights reported an easing of prison overcrowding, although it persisted in some high-security prisons. As of December 31, 2016, prisons were at 80 percent capacity. Several prisons remained overcrowded, including those in Karlovac (at 132 percent capacity), Dubrovnik (118 percent), and Osijek (128 percent). A majority of prisoner complaints concerned the quality and accessibility of medical care and inadequate facilities, specifically a lack of living space. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt op dat Rijeka hier niet meer expliciet als voorbeeld genoemd wordt van een van de instellingen die te maken hebben met overbevolking, wat overigens niet uitsluit dat in Rijeka nog steeds sprake is van overbevolking. Het rapport uit 2017 geeft echter in ieder geval geen aanleiding voor een andere conclusie dan het hiervoor genoemde oordeel over het rapport in 2016. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De informatie uit deze rapporten biedt dan ook geen concrete aanwijzing dat de door het EHRM gehanteerde ondergrens van 3 m2 persoonlijke ruimte per gedetineerde is doorbroken en er een reëel gevaar <emphasis role="italic">in zijn algemeenheid </emphasis>bestaat dat gedetineerden in de uitvaardigende lidstaat worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft tot slot nog opgemerkt dat het CPT in 2017 bezoeken aan Kroatië heeft afgelegd maar dat daarover nog geen rapport is gepubliceerd en er derhalve nog niet bekend is of en, zo ja, in hoeverre er verbetering heeft plaatsgevonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover de raadsman hiermee heeft willen zeggen dat de situatie voorafgaand aan die bezoeken al zodanig was, dat sprake was van een reëel gevaar als hiervoor bedoeld, wijst de rechtbank op haar hiervoor vermelde conclusie dat dit gevaar uit de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is ook overigens niet bekend met informatie waaruit zou volgen dat in het algemeen bij overlevering naar Kroatië een reëel gevaar op schending van artikel 3 EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest zou bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor de opgeëiste persoon <emphasis role="italic">in concreto</emphasis> na zijn overlevering een reëel gevaar bestaat wegens de omstandigheden van zijn detentie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande geen aanleiding om het onderzoek te heropenen om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting zal worden gedetineerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6, 7, en 11 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Office for the Suppression of Corruption and Organized Crime of the Republic of Croatia State Attorney’s Office</emphasis> ten behoeve van het in Kroatië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.A.A.G. de Vries,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. E.G. Fels en T.B. Trotman,                        		   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen,	                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>