<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:3236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-13T13:01:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-04-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 7013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3236">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:3236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-13T13:00:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:3236 Rechtbank Amsterdam , 24-04-2018 / AWB - 17 _ 7013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3236:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van een psychiatrische contra-expertise in een WIA-beroepsprocedure / WIA-beroepsprocedure in beginsel met voldoende waarborgen omkleed / Korosec / beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:3236:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 17/7013 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 5 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van een psychiatrische contra-expertise afgewezen. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 30 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding van dit beroep heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten en besluitvorming verweerder</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft bij verweerder een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de PW voor de kosten van een psychiatrische contra-expertise ingediend (hierna: de aanvraag). Deze contra-expertise wil eiser inbrengen in een beroepszaak<footnote-ref linkend="_69d20a91-38c6-4189-9992-48d234b76744" /> waarin de mate van zijn arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de door hem te ontvangen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) centraal staat (hierna: de WIA-beroepsprocedure). </para>
    <para />
    <para>2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het in eisers situatie niet noodzakelijk is om de kosten voor een psychiatrische contra-expertise te vergoeden. De kosten verbonden aan het inschakelen van een externe deskundige worden niet als uit bijzondere omstandigheden voorkomende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de PW aangemerkt, aldus verweerder.</para>
    <para>3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en hieraan – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Kosten van een contra-expertise zijn in het algemeen niet noodzakelijk. In een beroepszaak kan een rechter, wanneer er twijfel bestaat over de onafhankelijkheid en objectiviteit van de keuringsarts, een contra-expertise vorderen. De kosten hiervan komen dan voor rekening van de rechtbank. Eiser moet eerst aantonen dat er sprake is van een schending van het beginsel van equality of arms, voordat de rechtbank kan overgaan tot het vorderen van een contra-expertise. Het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec<footnote-ref linkend="_779f04b1-f2c2-4d0d-8a3b-59338e7b07fc" /> maakt dit niet anders.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank: procesbelang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiser toe kan komen, dient ambtshalve te worden beoordeeld of dit beroep ontvankelijk is. De rechtbank ziet zich in dat kader voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank stelt hiertoe vast dat – zoals ook de gemachtigde van eiser ter zitting heeft toegelicht – eisers beroep in de WIA-beroepsprocedure door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 2 maart 2018 gegrond is verklaard. Ondanks deze gegrondverklaring heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank nog wel belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Immers, uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2018 volgt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv) een nieuw besluit moet nemen over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser en in dat kader een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek moet laten plaatsvinden. Nu de uitkomst van een dergelijk onderzoek, en daarmee ook de uitkomst van een nieuw besluit, in de toekomst ligt en dus nog onzeker is, kan een oordeel over de rechtmatigheid van verweerders besluitvorming over de aanvraag voor eiser feitelijke betekenis hebben in een eventueel toekomstige WIA-beroepsprocedure. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep van eiser in het vervolg van deze uitspraak inhoudelijk beoordelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank: bijzondere bijstand</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep<footnote-ref linkend="_581f8429-a844-424d-b494-dfd6b54e9b15" /> dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich in deze zaak louter toespitst op de vraag of de kosten voor een psychiatrische contra-expertise voor eiser noodzakelijk zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep<footnote-ref linkend="_52fd6740-4f4d-4924-9e35-83c5064f7bc2" /> is een beroepsprocedure bij de rechtbank tegen een beslissing van het Uwv, in het kader van bijvoorbeeld de WIA, in beginsel een met voldoende waarborgen omklede procedure, waarin de betrokkene het standpunt van het Uwv kan betwisten, zijn argumenten naar voren kan brengen en deze zo nodig kan onderbouwen met reeds voorhanden zijnde gegevens. Wat dat laatste betreft kan met name worden gedacht aan medische gegevens uit de behandelende sector zoals bijvoorbeeld de huisarts, een andere behandelend arts of specialist. Hieraan zijn doorgaans weinig of geen kosten verbonden. Van een met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige ongelijkheid in de procespositie van partijen is in beginsel dan ook geen sprake. Voor het op eigen initiatief inschakelen van een medisch deskundige, vooruitlopend op de heroverweging in bezwaar en de beoordeling in (hoger) beroep, zal in de regel dan ook geen objectieve noodzaak bestaan. Dat is een eigen afweging van de betrokkene, waarvan de kosten in beginsel voor eigen rekening komen en niet zonder meer kunnen worden afgewenteld op verweerder. De rechtbank ziet zich echter voor de vraag gesteld of het arrest van het EHRM van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec<footnote-ref linkend="_2fe5f8d1-7b82-4fa9-b532-136ed96282e6" /> noopt tot afwijking van deze vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.3.1.</nr>
        <para>In het arrest in de zaak Korošec heeft het EHRM benadrukt dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM onder andere omvat dat elke partij een redelijke kans of gelegenheid krijgt om haar zaak te bepleiten zonder dat er sprake is van een substantieel ongelijke positie ten opzichte van de wederpartij. Uit dit arrest vloeit onder meer voort dat de enkele twijfel aan de onpartijdigheid en het oordeel van een medische deskundige, waaronder een verzekeringsarts van het Uwv, nog niet leidt tot een schending van artikel 6 van het EVRM. Van belang is daarbij dat het de taak van de bestuursrechter is om zo nodig compensatie te bieden indien een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij. Dit kan de bestuursrechter doen door die partij in dat geval bijvoorbeeld alsnog in de gelegenheid te stellen om nadere medische stukken in te brengen of om zelf een medisch deskundige in te schakelen. Hierbij kan van de bestuursrechter worden gevergd dat hij verduidelijkt wat hij nodig acht. Als de partij in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij geen nadere medische stukken ter onderbouwing van zijn beroep heeft ingediend, bijvoorbeeld doordat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij om financiële redenen dergelijke stukken niet kan overleggen of als de bestuursrechter de door de partij ingediende stukken naar hun aard niet geschikt acht om als aanknopingspunt te dienen voor concrete twijfel aan de rapporten van de verzekeringsartsen, ligt het op de weg van de bestuursrechter de partij voor deze bewijsnood zo nodig compensatie te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige.<footnote-ref linkend="_655c884f-9ecc-455e-b958-93b6955ae1aa" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.2.</nr>
        <para>Gelet op hetgeen onder 5.3.1. is overwogen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zoals genoemd in rechtsoverweging 5.2. Van strijd met artikel 6 van het EVRM is in een WIA-beroepsprocedure in beginsel geen sprake. Wel kan er in een dergelijke beroepsprocedure een ongelijke procespositie tussen partijen ontstaan. Indien dit laatste het geval is, is het aan de bestuursrechter in die beroepsprocedure om compensatie te bieden voor die ongelijke positie. Nu de WIA-beroepsprocedure naar het oordeel van de rechtbank daarmee, en met de mogelijkheid van eiser om zelf nadere medische stukken in te brengen, met voldoende waarborgen is omkleed, bestaat er voor eiser in beginsel geen objectieve noodzaak om op eigen initiatief een psychiatrische contra-expertise te laten uitvoeren. Bijzondere omstandigheden waaruit een dergelijke noodzaak specifiek in het individuele geval van eiser wel voortvloeit, zijn niet gesteld of gebleken. De rechtbank acht daarbij bovendien van belang dat, zoals reeds opgemerkt, het beroep in de WIA-beroepsprocedure door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 2 maart 2018 gegrond is verklaard, het Uwv een nieuw besluit moet nemen over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser en in dat kader een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek moet laten plaatsvinden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.3.</nr>
        <para>Gelet op het bovenstaande kunnen de kosten voor een psychiatrische contra-expertise, waarvoor de aanvraag is ingediend, in het geval van eiser niet als uit bijzondere omstandigheden voortkomende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW worden aangemerkt. Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Tot slot merkt de rechtbank op dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:75 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid heeft een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waaronder begrepen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Daarvan kan volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep<footnote-ref linkend="_e665d7dc-d5a9-4900-be52-2294edfca0d1" /> sprake zijn indien de inbreng van die deskundige wezenlijk aan de beoordeling van de zaak in beroep heeft bijgedragen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beslissing rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. 	Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Evenmin bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser, als gevolg van het bestreden besluit, gestelde geleden schade.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. S.A. Lemmens, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_69d20a91-38c6-4189-9992-48d234b76744" label="1">
    <para> Ingesteld bij de rechtbank Amsterdam en geregistreerd onder zaaknummer AMS 17/3503.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_779f04b1-f2c2-4d0d-8a3b-59338e7b07fc" label="2">
    <para> No 77212/12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_581f8429-a844-424d-b494-dfd6b54e9b15" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:64, r.o. 4.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_52fd6740-4f4d-4924-9e35-83c5064f7bc2" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:994, r.o. 4.2. en r.o. 4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2fe5f8d1-7b82-4fa9-b532-136ed96282e6" label="5">
    <para> No 77212/12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_655c884f-9ecc-455e-b958-93b6955ae1aa" label="6">
    <para> Zie voor het bovenstaande een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674 en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13269.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e665d7dc-d5a9-4900-be52-2294edfca0d1" label="7">
    <para> Zie bijvoorbeeld een uitspraak van 18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:994, r.o. 4.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>