<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:2994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-09T08:42:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751168-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:2994">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:2994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-09T08:41:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:2994 Rechtbank Amsterdam , 03-05-2018 / 13/751168-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:2994:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, gedeeltelijke weigering ogv 12 OLW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:2994:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751168-18		 </para>
      <para>RK nummer: 18/1477</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 3 mei 2018   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel.</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 januari 2018 (ontvangen op 1 maart 2018) door <emphasis role="italic">the District  Court </emphasis>in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,  </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, </para>
      <para>	thans gedetineerd in het [naam detentieplaats] ,  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 april 2018 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.A.E. Weitzel. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Velserbroek en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd omdat zij er vanwege de aanhouding niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van:</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <para>I.	Vonnis van het <emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Lublin-Zachód in Lublin van 20 december 2016 <?linebreak?>(IV K 798/16);</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>II.	Vonnis van het <emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Lublin-Zachód in Lublin van 27 augustus 2013 <?linebreak?>(III K 767/13). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van 1 jaar (I)  en 10 maanden (II), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze vonnissen betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW van toepassing is en dat de overlevering voor beide vonnissen geweigerd moet worden.</para>
      <para>De opgeëiste persoon was niet op de zittingen aanwezig en er is geen sprake van een van de situaties als vermeld in artikel 12, onder a tot en met d, van de OLW. De straffen zijn in eerste instantie voorwaardelijk opgelegd, onder de voorwaarde dat de opgeëiste persoon contact zou houden met zijn reclasseringsambtenaar. Dit heeft hij gedaan en hij heeft gemeld dat hij in Nederland ging werken. Hij woont nog steeds officieel op het adres van zijn ouders in Polen. Ook is de opgeëiste persoon vaak terug naar Polen gegaan. Zijn ouders hebben echter nooit post van justitie ontvangen. De informatie in het EAB dat de dagvaardingen in persoon zijn betekend, is dan ook niet juist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW alleen bij vonnis I van toepassing is en dat hiervoor de overlevering geweigerd moet worden. Voor vonnis II moet er op grond van de aanvullende informatie van 22 maart 2018 van worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon persoonlijk voor de ontvangst van de dagvaarding heeft getekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt op grond van de informatie uit het EAB in samenhang met de aanvullende informatie van 14 maart 2018, 15 maart 2018 en 22 maart 2018 vast dat de opgeëiste persoon bij de vonnissen I en II niet in persoon op de terechtzitting aanwezig was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor vonnis II is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, van de OLW. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de zitting en dat hij zelf voor de ontvangst van de “<emphasis role="italic">notification”</emphasis> heeft getekend. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende om anders te oordelen. Het verweer wordt verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor vonnis I is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de overlevering geweigerd moet worden. Alhoewel de dagvaarding naar <emphasis role="italic">Pools </emphasis>recht op de juiste wijze is betekend, staat vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting is verschenen, terwijl zich geen van de situaties uit artikel 12, onder a tot en met d , van de OLW, voordoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit van vonnis II niet aangeduid als een feit  waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, als wordt voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ten aanzien van de vonnis II is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor het feit van vonnis II te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor vonnis I moet zij worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Ten aanzien van vonnis I (IV K 798/16): </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan het <emphasis role="italic">District Court </emphasis>in Lublin (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Ten aanzien van vonnis II (III K 767/13): </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan het<emphasis role="italic"> District Court </emphasis>in Lublin (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.J. Dondorp,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. E.M.M. Gabel en A.K. Glerum,      				   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van D. Smeets,			                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 3 mei 2018. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>