<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:223</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-30T10:22:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.752047-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:223">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:223</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-29T13:46:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:223 Rechtbank Amsterdam , 18-01-2018 / 13.752047-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:223:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB vv, Finland</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:223:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.752047-17</para>
      <para>RK-nummer: 17/7301</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 januari 2018   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 november 2017 door <emphasis role="italic">the Prosecutor’s Office of Inland Finland, Tampere</emphasis> (Finland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S.J. Jansen, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft. De opgeëiste persoon heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de voornaam <emphasis role="bold">[naam]</emphasis>  en de geboortedatum [geboortedag] <emphasis role="bold">1987</emphasis>, die in het EAB in rubriek a) zijn gemeld, niet juist zijn. De verdediging heeft geen identiteitsverweer gevoerd. Tegen de achtergrond van de inhoud van het EAB en hetgeen de opgeëiste persoon naar aanleiding daarvan heeft verklaard, twijfelt ook de rechtbank er niet aan dat hij de persoon is van wie de overlevering wordt gevraagd.</para>
      <para>3. <emphasis role="bold">Grondslag en inhoud van het EAB</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van <emphasis role="italic">the decision on remand</emphasis> uitgevaardigd op 9 november 2017 door <emphasis role="italic">the District Court of Pirkanmaa</emphasis> met als zaaknummer 17/2356, PK17/6053.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Finland strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Finland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Verzoek om aanhouding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de raadsman om aanhouding van de behandeling van het overleveringsverzoek verzocht. Door de opgeëiste persoon is in Finland een beroepsprocedure tegen de uitvaardiging van het EAB ingesteld en dit leidt mogelijk tot intrekking van het EAB. De beroepsprocedure wordt aanstaande vrijdag (<emphasis role="italic">rechtbank: 5 januari 2017</emphasis>) behandeld en binnen een week volgt een uitspraak. Dit is derhalve een reden om de behandeling van het overleveringsverzoek aan te houden en de uitkomst van de beroepsprocedure af te wachten. Hiervoor pleit ook dat de EAB’s ten aanzien van medeverdachten nog ter zitting moeten worden behandeld. In de beroepsprocedure in Finland wordt aangevoerd dat de in het EAB genoemde verdenking onvoldoende grond heeft en het EAB daarom niet proportioneel is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich, zakelijk weergegeven, verzet tegen het aanhoudingsverzoek. Er ligt een geldig EAB. Mocht op korte termijn het beroep tegen het uitvaardigen van het EAB gegrond worden verklaard en het EAB worden ingetrokken, dan bestaat voor de rechtbank nog de mogelijkheid om de behandeling van het overleveringsverzoek te heropenen en de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 OLW te verklaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ter zitting nog niet op het aanhoudingsverzoek beslist. </para>
      <para>De rechtbank dient te beoordelen of er een reële verwachting bestaat, gelet op hetgeen door de opgeëiste persoon is aangevoerd, dat de beroepsprocedure tot intrekking van het EAB zal leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat dit het geval zal zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarom wijst de rechtbank het aanhoudingsverzoek af.   </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Central Administration of the Criminal Sanctions Agency </emphasis>heeft bij schrijven van 4 december 2017 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Please be advised that the Central Administration of the Criminal Sanctions Agency</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in Finland, as the competent authority in matters of the Council Framework Decision </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2008/909/JHA (on the application of the principle of mutual recognition to judgments</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">liberty for the purpose of their enforcement in the European Union), hereby consents </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">that [opgeëiste persoon] , in the event of his surrender to Finland and if the custodial </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">sentence is imposed on him in Finland, is to be returned to the Netherlands for the </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">execution of the sentence in a procedure according to the Council Framework </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Decision 2008/909/JHA.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar feit oplevert. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 4. bedoelde feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opiumwet gegeven verbod </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit. </para>
      <para>De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het onderzoek is in Finland aangevangen;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bewijsmiddelen bevinden zich in Finland;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verdovende middelen werden in Finland in beslag genomen;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er zijn medeverdachten in Finland aangehouden. </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Finse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Finse autoriteiten en de verdere vervolging in Finland de voorkeur verdienen, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. De opgeëiste persoon is in Finland op vakantie geweest en een medeverdachte verklaart dat hij weer terug naar Nederland is gegaan. Er is niet meer aan de hand dan dat de opgeëiste persoon bij een aantal personen is blijven slapen en hen in Nederland heeft gesproken. Daarbij is niet over de feiten waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd gesproken. Dit heeft zich enkel in Nederland, in de woning van de opgeëiste persoon afgespeeld. Daarom is het onbegrijpelijk dat Finland de overlevering van de opgeëiste persoon vraagt. Daarnaast heeft het uitvaardigen van een EAB en de daaruit voortvloeiende gevolgen een grote impact gehad op het leven van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft zij in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Prosecutor’s Office of Inland Finland, Tampere</emphasis> ten behoeve van het in Finland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.J. Dondorp,  					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en M.J. Alink,            			   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,		                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 18 januari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>								De jongste rechter is buiten staat deze </para>
      <para>								uitspraak mede te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>