<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:2132</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-19T09:07:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751994-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:2132">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:2132</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-16T15:04:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:2132 Rechtbank Amsterdam , 27-03-2018 / 13/751994-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:2132:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Duitsland. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:2132:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751994-17 </para>
      <para>RK-nummer: 18/15</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 27 maart 2018   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 december 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 oktober 2017 door het Openbaar Ministerie Aken (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon], </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres</para>
      <para>
        [adres], [plaats (land)],</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans uit anderen hoofde gedetineerd in de [locatie detentie],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 februari 2018. De behandeling heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. </para>
      <para>De niet verschenen opgeëiste persoon heeft op 19 februari 2018 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R. van der Horst, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard dat de opgeëiste persoon hem uitdrukkelijk heeft gemachtigd namens hem het woord te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 20 februari 2018 het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie te vragen over de maximumstraf per feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de zitting van 13 maart 2018. De behandeling heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink. </para>
      <para>De niet verschenen opgeëiste persoon heeft op 9 maart 2018 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R. van der Horst, advocaat te Amsterdam, heeft opnieuw verklaard dat de opgeëiste persoon hem heeft gemachtigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn verlengd waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel betreffende voorlopige hechtenis van 25 september 2017, uitgevaardigd door het Kantongerecht Aken, met kenmerk: </para>
      <para>620 Gs 1298/17.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.  Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Genoegzaamheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de feitomschrijving in het EAB te summier is. Omdat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon onvoldoende is omschreven, dient op zijn minst aanvullende informatie te worden opgevraagd bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, aldus de raadsman.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die omschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB van 12 oktober 2017 is omschreven dat de opgeëiste persoon op 1 mei 2011 omstreeks 02:00 uur in Selfkant-Tüddern in Duitsland een eengezinswoning in brand heeft gestoken, waarbij forse  materiële schade is ontstaan en waarbij de opgeëiste persoon <emphasis role="italic">“billijkend op de koop toe(nam) dat de gedurende dit tijdstip in de nacht slechts toevallig niet in het huis aanwezige benadeelden, wier argeloos- en hulpeloosheid als vermoedelijk slapende personen hij van plan was te exploiteren, door de brand zouden sterven”</emphasis>. Deze omschrijving voldoet aan voornoemde vereisten. Er bestaat derhalve ook geen aanleiding voor het aanhouden van de behandeling om een nadere omschrijving van het feit te verkrijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW en geschaard onder de nummers 14 en 28, te weten:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">moord en doodslag, zware mishandeling;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijke brandstichting.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat het lijstfeit <emphasis role="italic">moord en doodslag, zware mishandeling</emphasis> te ver verwijderd is van de feitomschrijving, zodat voor dat feit de overlevering geweigerd dient te worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit valt aldus onder de nummers 14 en 28 (<emphasis role="italic">moord en doodslag, zware mishandeling </emphasis>en <emphasis role="italic">opzettelijke brandstichting</emphasis>) van voornoemde lijst, zodat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit achterwege moet blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit rubriek c) van het EAB en de aanvullende e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 maart 2018 volgt dat op dit feit en de bijbehorende strafbepalingen naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Onschuldverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft bij zijn verhoor bij de officier van justitie op 20 december 2017 verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit in onderhavige procedure echter niet kunnen aantonen. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Leitende Oberstaatsanwalt</emphasis> in Aken heeft bij brief van 18 oktober 2017 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Er wordt verzekerd dat de vervolgde persoon in het geval van een veroordeling door een onherroepelijk vonnis in de Bondsrepubliek Duitsland op de basis van de geldende versie van het kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad d.d. 27.11.2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen in strafzaken, waardoor een straf of maatregel van vrijheidsbeneming wordt opgelegd, voor de doelen van de tenuitvoerlegging in de Europese Unie (Publicatieblad L 327 d.d. 05.12.2008, pagina 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf teurg </emphasis>(de rechtbank begrijpt: terug)<emphasis role="italic"> naar Nederland wordt gebracht.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onder 4 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeengevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 157 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan het Openbaar Ministerie Aken (Duitsland) ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum  						                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. C. Klomp en M.T.C. de Vries,                         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,		                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 27 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>