<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-19T14:09:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 7203</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:207">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-19T14:09:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:207 Rechtbank Amsterdam , 18-01-2018 / AWB - 17 _ 7203</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:207:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:81 Awb, RWNL, Intrekken Nederlanderschap, het behoud van het Nederlands paspoort tot er op het beroep is beslist, geen spoedeisend belang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:207:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AMS 17/7203 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 januari 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Ruijs),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Ballfort).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 10 mei 2017 waarbij haar Nederlanderschap is ingetrokken, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AMS 17/6886). Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verzoekster is op 8 augustus 2002 Nederland ingereisd. Zij is met het besluit van</para>
    <para>15 september 2004 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning in verband met verblijf bij partner ( [naam 1] ). Bij beschikking van 11 juli 2007 heeft verweerder de geldigheidsduur verlengd tot 8 april 2012. Haar verzoek tot naturalisatie van 8 februari 2008 is gehonoreerd bij Koninklijk Besluit van 26 juli 2008.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij brief van 30 november 2016 heeft verweerder aan verzoekster kenbaar gemaakt voornemens te zijn het Koninklijk Besluit waarbij aan haar het Nederlanderschap is verleend in te trekken. Dit standpunt heeft verweerder na de zienswijze en na de bezwaarfase gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoekster ten tijde van haar verzoek tot naturalisatie dan wel de verlening van het Nederlanderschap niet heeft gemeld dat er tijdens de relatie met [naam 1] twee kinderen zijn geboren, [naam 2] op</para>
    <para>
      [geboortedatum 1] en [naam 3] op [geboortedatum 2] , waarvan [naam 1] niet de vader was. De vader van de kinderen is de heer [naam 4] die tijdens de geboorte de Egyptische nationaliteit had (en sinds 6 september 2017 de Nederlandse nationaliteit). Hetgeen betekent dat verzoekster toen geen exclusieve relatie had met [naam 1] en haar verleende verblijfsvergunning toen zou zijn ingetrokken en zodoende ook niet in aanmerking zou komen voor het Nederlanderschap (artikel 8, eerste lid aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWNL)). Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het gegeven dat verzoekster staatloos is geworden ten gevolge van de intrekking gerechtvaardigd is, gelet op aard en ernst van de verzwegen feiten. In het bestreden besluit is verzoekster opgedragen haar Nederlands paspoort in te leveren.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Wat verzoekster met dit verzoek wil bereiken is dat zij haar paspoort dat zij nu nog in haar bezit mocht houden, kan behouden tot er op haar beroep zal zijn beslist. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling van het verzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De voorzieningenrechter komt pas aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek toe als sprake is van een actueel spoedeisend belang. Verzoekster voert aan dat het spoedeisend belang is gelegen in het behoud van haar Nederlands paspoort. Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster geen ander spoedeisend belang gesteld dan het behoud van haar paspoort. Verweerder heeft dit bestreden. Verweerder voert aan dat het belang dat in het rechtsverkeer de juiste documenten worden gebruikt zwaarder weegt dan het behoud van het Nederlands paspoort door verzoekster. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van verweerder. Toewijzing van het verzoek zou immers betekenen dat verzoekster zonder de Nederlandse nationaliteit te bezitten toch een Nederlands paspoort mag blijven bezitten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Verweerder heeft zich in de bezwaarfase niet verzet tegen de toewijzing van het verzoek (AWB 17/11471) om verzoekster het Nederlands paspoort te laten behouden. Wat daar ook van zij, uit de toelichting op de zitting en het verweerschrift blijkt dat dit was gelegen in de hoorzitting die was ingepland. Voor verweerder ontbrak op dat moment nog de kennelijkheid. In het eerder door verweerder ingenomen standpunt ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding om het verzoek ook nu toe te wijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Verder is het ook niet zo dat verzoekster thans wordt gehinderd in de uitoefening van haar gezinsleven. Zij kan haar verblijf hier regelen en de uitoefening van haar gezinsleven kan zij aan de orde stellen in een vreemdelingrechtelijke procedure. Bij de intrekking van het Nederlanderschap vindt toetsing aan het recht op gezinsleven niet plaats. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Het verzoek wordt afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>