<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:1880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-15T12:42:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-751058-18    RK 18-1098</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:1880">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:1880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-15T12:30:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:1880 Rechtbank Amsterdam , 29-03-2018 / 13-751058-18    RK 18-1098</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:1880:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Identiteitsverweer, de opgeëiste persoon ontkent dat hij de gezochte is. Hij stelt dat de Duitse autoriteiten hem waarschijnlijk verwarren met zijn tweelingbroer.</para>
      <para />
      <para>De rechtbank concludeert dat de aangehouden persoon die ter zitting is gehoord de opgeëiste persoon is van wie de overlevering door de Duitse autoriteiten wordt verzocht. De vraag of hij ook de dader van die inbraak zal blijken te zijn, is ter beoordeling van de Duitse strafrechter.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:1880:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751058-18</para>
      <para>RK-nummer: 18/1098</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 29 maart 2018   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 januari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2017 door de Staatsanwaltschaft (Public Prosecutor’s Office) Berlin, Duitsland, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon 1]
        </emphasis>
        <?linebreak?>volgens het EAB ook bekend onder de volgende namen<emphasis role="bold"> [alias 1] , [alias 2] , [alias 3] </emphasis>en<emphasis role="bold"> [alias 4]</emphasis></para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] , Bosnië-Herzegovina , op [geboortedag 1] 1983, dan wel op [geboortedag 2] 1984, dan wel op [geboortedag 3] 2014</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in het [plaats detentie] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. <?linebreak?>De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is: <emphasis role="bold">[alias 2] ,</emphasis> geboren te [geboorteplaats] , Bosnië, op [geboortedag 2] 1984 en dat hij de Bosnische nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft betoogd dat hij niet de door de Duitse autoriteiten gezochte persoon is en dat het EAB geen betrekking op hem heeft. Hij heeft aangevoerd dat hij een tweelingbroer heeft die niet alleen sprekend op hem lijkt maar dat zij ook dezelfde tatoeages hebben laten zetten. Deze tweelingbroer is het criminele pad opgegaan en het contact tussen de beide broers is verbroken. Deze broer is naar alle waarschijnlijkheid degene die de Duitse autoriteiten feitelijk zoeken, aldus de opgeëiste persoon. Voorts heeft hij zijn verbazing er over uitgesproken dat in het dossier een foto zit van een onbekende man.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsvrouw en verzoek aanhouding</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsvrouw heeft de bewering van de opgeëiste persoon ondersteund. Zij heeft verklaard dat zij heeft verzocht om nader onderzoek van de in Duitsland aanwezige vingerafdrukken van haar cliënt, nu de ingestuurde vingerafdrukken niet afkomstig zijn uit de woning waar de inbraak heeft plaatsgevonden en om die reden niet overtuigen. Op dit verzoek is door het IRC afwijzend gereageerd.<?linebreak?>[<emphasis role="italic">De rechtbank stelt vast dat deze vraag van de raadsvrouw en het antwoord van het IRC niet zijn opgenomen in het overleveringsdossier, maar dat de officier van justitie niet bestrijdt dat er een e-mailwisseling tussen de raadsvrouw en het IRC heeft plaatsgevonden die door de officier van justitie niet aan het dossier is toegevoegd</emphasis>].<?linebreak?>De raadsvrouw heeft om aanhouding verzocht opdat kan worden nagegaan of er op de plaats van de inbraak vingerafdrukken zijn gevonden die overeenkomen met de vingerafdrukken van haar cliënt, de in het kader van de OWL aangehouden persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
        <?linebreak?>Het is aan de Duitse autoriteiten om te beoordelen of er een redelijke verdenking bestaat jegens de opgeëiste persoon van betrokkenheid bij het in het EAB iomschreven feit. Dat onderzoek is niet aan het openbaar ministerie of aan de rechtbank. Daarom is het verzoek van de raadsvrouw door het Openbaar Ministerie afgewezen. De officier van justitie verzet zich daarom tegen inwilliging van het verzoek. Het zou er toe leiden dat in Nederland een deel van het onderzoek in de Duitse strafzaak wordt gedaan en dat is niet de bedoeling, aldus de officier van justitie. <?linebreak?>De opgeëiste persoon bedient zich al langere tijd van meerdere aliassen. In een dergelijk geval gaat het openbaar ministerie af op lichaamskenmerken en bepaalt aan de hand daarvan of dit de door de Duitse autoriteiten gezochte persoon is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank moet beoordelen of de opgeëiste persoon degene is die de Duitse autoriteiten willen vervolgen voor de woninginbraak die in het EAB staat omschreven. Ter beoordeling ligt niet voor of de opgeëiste persoon daadwerkelijk bij die inbraak betrokken is. Dit laatste is een bewijsvraag en het antwoord daarop is voorbehouden aan de Duitse rechter die inhoudelijk over de strafzaak zal oordelen en het strafdossier tot zijn beschikking heeft.<?linebreak?>Vast staat dat de opgeëiste persoon onder vele aliassen geregistreerd staat. Om die reden is er een dactyloscopisch onderzoek gedaan om zijn identiteit vast te stellen. <?linebreak?>De vingerafdrukken die op 22 september 2016 in Duitsland zijn afgenomen van degene die met het EAB wordt opgeëist, zijn vergeleken met de vingerafdrukken van deze op grond van het EAB in Nederland aangehouden persoon. Het vergelijkend onderzoek heeft geleid tot herkenning en identificatie van de aangeboden vingerafdrukken van een persoon geregistreerd onder biometrienummer [nummer] . Onder dit laatste nummer is de aangehouden persoon bekend. De rechtbank concludeert dan ook dat de aangehouden persoon die ter zitting is gehoord de opgeëiste persoon is van wie de overlevering door de Duitse autoriteiten wordt verzocht. De vraag of hij ook de dader van die inbraak zal blijken te zijn, is ter beoordeling van de Duitse strafrechter. <?linebreak?>Er is geen aanleiding om hier verder onderzoek naar te doen. Het verzoek om aanhouding wordt daarom afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB maakt melding van een aanhoudingsbevel, op vordering van <emphasis role="italic">the Public Prosecutor’s Office in Berlin </emphasis>afgegeven door <emphasis role="italic">the Tiergarten Local Court</emphasis> en gedateerd 12 september 2017.<?linebreak?>Zaaksnummer: 353 Gs 3795/17.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit feit is als volgt omschreven in onderdeel e) van het EAB:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">On 11th August, 2016 between 9.00 a.m. and 4.45 p.m., the Party Accused made his way to [adres] , [plaats (Duitsland)] , to the property accomodating the detached single-family dwelling house of the Witness [naam] and attempted, initialy without any success and using a suitable tool, to force open the double-door opening on to the patio at the rear of the building. He subsequently smashed the glass in a kitchen window by using a stone, which he had taken from the garden and proceeded to climb into the dwelling through this opening. The Party Accused searched the living quarters on the ground floor and in the cellar and took cash and jewellery with him to the total value of approximately 13,260.00 Euros, his intention thereby having been to use it for himself.</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Degree of participation: Perpetrator.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para>De betrokkenheid van de opgeëiste persoon blijkt niet uit de omschrijving van het feit in het EAB. In zoverre voldoet het EAB niet aan de eisen van artikel 2 OLW en moet de overlevering geweigerd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.</para>
      <para>In de onderhavige zaak geldt het volgende.</para>
      <para>In de feitsomschrijving wordt de verdachte van de inbraak aangeduid als ‘the Party Accused’ – in het Duitstalig origineel van het EAB aangeduid als ‘der Beschuldigte’. <?linebreak?>Zijn betrokkenheid wordt aangeduid als ‘Perpetrator (‘Täterschaft’).</para>
      <para>Uit de feitsomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij de gedragingen heeft verricht die in de feitsomschrijving worden beschreven. Het is niet noodzakelijk dat in de feitsomschrijving de opgeëiste persoon met naam en toenaam wordt genoemd, dit geldt nog minder in het geval dat een verdachte zich van meerdere identiteiten bedient en onder verschillende aliassen bekend staat.<?linebreak?>De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat het verweer faalt. De opgeëiste persoon weet van welk feit hij wordt verdacht en waartegen hij zich in de Duitse strafzaak moet verweren. Dat hij zich hiervan bewust is, bleek ook wel uit het onderzoek ter zitting waarin zijn stelling, kort samengevat, luidt ‘ik was het niet maar mogelijk heeft mijn tweelingbroer de inbraak gepleegd’.</para>
      <para>De specialiteit is dan ook voldoende gewaarborgd.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten: <emphasis role="italic">georganiseerde of gewapende diefstal</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Onschuldverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover het gevoerde verweer opgevat moet worden als een onschuldverweer – immers de opgeëiste persoon heeft ter zitting beweerd dat hij niet de door de Duitse autoriteiten gezochte man is, zich dus ook niet heeft schuldig gemaakt aan de in het EAB omschreven woninginbraak en dat hij zelfs nog nooit in Duitsland is geweest – slaagt dit verweer niet. <?linebreak?>De opgeëiste persoon heeft zijn bewering tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de opgeëiste persoon, zich noemende<emphasis role="bold"> [alias 2] ,</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>volgens het EAB zijnde:<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon 1]</emphasis><?linebreak?>maar volgens het EAB ook bekend onder de volgende namen<emphasis role="bold"> [alias 1] ,  [alias 3] </emphasis>en<emphasis role="bold"> [alias 4] </emphasis>en de door de opgeëiste persoon ter zitting opgegeven naam<emphasis role="bold"> [alias 2] ,</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>aan the Prosecutor’s Office Berlin, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,  				                                                      voorzitter,</para>
      <para>mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en N. Rozemond,                         		    rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                                         griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>