<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:15</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-08T16:57:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 6967</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:15">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:15</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-08T16:57:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:15 Rechtbank Amsterdam , 03-01-2018 / AWB - 17 _ 6967</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:15:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:81 Awb, 54-4 Pw, Intrekking na opschorting, berekening erfenis.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:15:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 17/6967 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 januari 2017 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, </emphasis>verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. B.A. Veenendaal).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoeker ingaande 3 oktober 2017 ingetrokken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 december 2017 heeft de gemachtigde van verzoeker kort voor de zitting nog stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De besluiten van verweerder over de bijstandsuitkering van verzoeker</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Verzoeker ontvangt sinds 1 april 2016 weer een bijstandsuitkering. Na een eerdere opschorting en deblokkering heeft verweerder met de brief van 3 oktober 2017 de bijstandsuitkering wederom opgeschort en het volgende aan verzoeker meegedeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“U heeft een erfenis ontvangen en wij hebben daarover nadere informatie van u nodig omdat de informatie die u geleverd heeft onvoldoende is. (…) U heeft vanaf 3 oktober 2017 tijdelijk geen recht op een bijstandsuitkering. Dit noemen wij opschorten. (…) Zorgt u ervoor dat wij uiterlijk 17 oktober 2017 meer informatie hebben omtrent de ontvangen erfenis. U heeft in 2011</para>
        <para>€153. 912,00 geërfd. Op uw bankafschriften is een bedrag te traceren van €83.750,00. Waar het om gaat is: wat is er met het verschil gebeurd tussen €153.912,00 en €83.750,00 = €70.162,00. Dit bedrag van €70.162,00 dient u dus te verantwoorden. (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Verweerder heeft verzoeker in opschortingsbrief van 3 oktober 2017 onder andere opgedragen contact op te nemen met de testamentair executeur,  [naam] voor een totaaloverzicht van de afwikkeling van de erfenis en een bewijs dat [naam] daadwerkelijk degene is die de informatie omtrent de erfenis heeft verstrekt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.	Verweerder heeft bij het bestreden besluit de uitkering ingetrokken omdat verzoeker onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over wat er is gebeurd met het resterende deel van de erfenis die verzoeker van zijn moeder heeft ontvangen. Verweerder heeft de bijstandsuitkering per 3 oktober 2017 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling van het verzoek door de voorzieningenrechter</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Zij moet daarbij een afweging maken tussen aan de ene kant het belang van verzoeker dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is in de regel geen reden om een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter van oordeel is dat het bestreden besluit rechtmatig is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid genoemd in artikel 54, vierde lid, van de PW<footnote-ref linkend="_b90a0717-84df-488e-9afa-19cc05edd9eb" />, de bijstandsuitkering in te trekken, omdat verzoeker zijn verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de rapportage van verweerder met afsluitdatum 17 oktober 2017 (de rapportage) leidt de voorzieningenrechter het volgende af. Verzoeker heeft voorafgaand aan het opschortingsbesluit diverse malen contact gehad met verweerder over onder andere de erfenis die hij sinds het overlijden van zijn moeder in 2011 heeft ontvangen. Hij heeft daar ook diverse stukken voor ingediend. De nalatenschap bestond met name uit legaten aan derden en voor verzoeker uit de opbrengst van de verkoop van de woning van zijn moeder. Verweerder is er van uitgegaan dat verzoeker, een bedrag aan erfenis heeft ontvangen van</para>
        <para>€ 153.912,- minus een bedrag aan erfbelasting van € 19.176,-. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op informatie die is verkregen van de belastingdienst. De erfenis bedraagt volgens de rapportage<footnote-ref linkend="_d12cca1a-6116-4b66-8a37-4529f77766a4" /> na aftrek erfbelasting netto € 134.736,- en er ontbreekt volgens de rapportage nog een bedrag van  € 50.986,- dat niet is verantwoord. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De voorzieningenrechter merkt gelet op die rapportage allereerst op dat er in de opschortingsbrief van 3 oktober 2017 geen rekening is gehouden met de afgedragen erfbelasting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het uitgangspunt van verweerder dat verzoeker een bedrag van € 153.192,- minus erfbelasting heeft ontvangen, niet klopt. Verweerder heeft het volgende over het hoofd gezien. </para>
        <para>Het bedrag dat de belastingdienst aan bruto erfenis heeft opgegeven aan verweerder is het bedrag waarover erfbelasting moet worden betaald, niet het bedrag dat werkelijk door verzoeker is ontvangen. Bij de berekening van de erfbelasting gaat de belastingdienst uit van de OZB-waarde van de woning en niet van het bedrag dat die woning werkelijk heeft opgebracht. Dat is ook bij de berekening van de erfenis van verzoeker gebeurd en valt in zijn geval nadelig voor hem uit, omdat de woning minder heeft opgebracht dan de OZB-waarde. Uit de verantwoording van de erfenis die in het dossier zit blijkt immers dat de woning een OZB waarde had van € 247.000,-, terwijl de woning maar voor € 190.000,- is verkocht (zie bladzijde 5 van de rapportage en de brief van 20 december 2017 van de gemachtigde). Dit is de gemachtigde van verweerder op de zitting voorgehouden en die heeft ook onderkend dat er ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat minder voor de woning is ontvangen.</para>
        <para>Daarin werd echter desondanks geen aanleiding gezien om op het besluit terug te komen. Verweerder blijft zich op het standpunt stellen dat het verzuim nog niet geheel is hersteld en aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 54, vierde lid van de PW is voldaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Verweerders uitgangspunt in de opschortingsbrief van 3 oktober 2017 dat er nog een bedrag van ruim € 70.000,- moet worden verantwoord is onjuist gebleken. Daar komt bij dat uit het dossier blijkt dat verzoeker wel gegevens heeft overgelegd van de heer [naam] de executeur testamentair en gepoogd heeft van hem een overzicht te krijgen. Zo heeft verzoeker een mail overgelegd van [naam] van 23 januari 2013 over de bedragen die hij vanaf december 2011 heeft ontvangen. Nu bij het verzoek om nadere informatie door verweerder van verkeerde informatie is uitgegaan, is het maar zeer de vraag of verzoeker in verzuim is geweest. Onder deze omstandigheden was verweerder niet bevoegd om de bijstand op deze grondslag in te trekken. Het bezwaar heeft daarom kans van slagen. De voorzieningenrechter laat in dit geval de belangen van verzoeker bij een inkomen zwaarder wegen dan de directe uitvoering van verweerder besluit.</para>
      <para />
      <para>5. De voorzieningenrechter schorst het intrekkingsbesluit van 25 oktober 2017. Dit betekent voor de herleving van de uitkering van verzoeker het volgende. Verweerder dient weer uitkering te verstrekken aan verzoeker. Omdat er in verband met de opschorting van de bijstandsuitkering geen voorziening is gevraagd, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder ingaande 3 december 2013 (datum verzoekschrift) weer uitkering dient te verstrekken.</para>
      <para />
      <para>6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.</para>
      <para />
      <para>7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting,  met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek toe;</para>
    <para>- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder met ingang van 3 december 2017 tot zes weken na de               	beslissing op bezwaar aan verzoeker uitkering zal verstrekken; </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan verzoeker te 	vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>	€ 1.002,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van  R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>						voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b90a0717-84df-488e-9afa-19cc05edd9eb" label="1">
    <para>
      <emphasis role="bold">Bijlage</emphasis>: Artikel 54 van de PW. Onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking</para>
    <para>1 Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:</para>
    <para>a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of</para>
    <para>b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.</para>
    <para>(…)</para>
    <para>4 Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d12cca1a-6116-4b66-8a37-4529f77766a4" label="2">
    <para> (zie voor de berekening bladzijde 26 van de rapportage van 17 oktober 2017)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>