<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:1335</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-15T16:40:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751096-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:1335">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:1335</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-15T15:22:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:1335 Rechtbank Amsterdam , 27-02-2018 / 13/751096-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:1335:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, gedeeltelijke weigering ogv 12 OLW, verder toegestaan omdat in persoon aanwezig of situatie als bedoeld in art. 12 sub a OLW toepasselijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:1335:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751096-18 (EAB II)</para>
      <para>RK-nummer: 18/825 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 27 februari 2018 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). </para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 30 januari 2018 door een rechter van het <emphasis role="italic">Regional Court </emphasis>in Bydgoszcz (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,      </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Polen),  </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,  </para>
      <para>thans uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 februari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.      </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsman mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.    </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van de volgende vonnissen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 22 maart 2016 (<emphasis role="bold">II K 37/16</emphasis>)</para>
      <para>B. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 8 maart 2016 (<emphasis role="bold">II K 637/15</emphasis>)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>C. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 29 februari 2016 <emphasis role="bold">(II K 639/15</emphasis>) </para>
      <para>D.	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Mogilno van 6 juni 2016 (<emphasis role="bold">II K 88/16</emphasis>)</para>
      <para>E.	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Mogilno van 16 mei 2016 (<emphasis role="bold">II K 89/16</emphasis>)</para>
      <para>F. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 15 maart 2011 (<emphasis role="bold">in het EAB afwisselend genoemd VI K 117/10 dan wel VI K 1117/10, hierna: VI K 117/10</emphasis>)</para>
      <para>G. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 2 november 2016 (<emphasis role="bold">VI K 283/16</emphasis>) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van: </para>
      <para>A. 	1 jaar en 6 maanden</para>
      <para>B. 	5 maanden</para>
      <para>C. 	5 maanden</para>
      <para>D. 	2 jaar en 5 maanden</para>
      <para>E. 	10 maanden</para>
      <para>F.	2 jaar en 6 maanden</para>
      <para>G. 	1 jaar, </para>
      <para>door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van deze straf resteert volgens het EAB nog: </para>
      <para>A. 	1 jaar en 6 maanden</para>
      <para>B. 	5 maanden</para>
      <para>C. 	5 maanden</para>
      <para>D. 	2 jaar en 5 maanden</para>
      <para>E. 	10 maanden</para>
      <para>F.	7 maanden en 28 dagen </para>
      <para>G. 	1 jaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW: <?linebreak?></title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW voor alle vonnissen toepasselijk is. De opgeëiste persoon was in de zaken  A, B, C, D, E en G niet op de zitting aanwezig en er is geen sprake van een van de situaties als vermeld in artikel 12 onder a tot en met d van de OLW. Bij vonnis F is de straf voorwaardelijk opgelegd. De opgeëiste persoon is niet op de hoogte gesteld van de omzetting van de voorwaardelijke straf. </para>
      <para>Gelet hierop dient de overlevering voor alle vonnissen geweigerd te worden. </para>
      <para>Subsidiair dienen er aanvullende vragen gesteld te worden aan de Poolse autoriteiten over de wijze van oproeping van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de overlevering toegestaan kan worden voor de vonnissen B, C en F. </para>
      <para>Volgens de informatie uit het EAB was de opgeëiste persoon bij vonnis F aanwezig bij de zitting. Uit het EAB blijkt niet dat de straf voorwaardelijk is opgelegd en anders is bij de omzetting noch de maat of de aard van de straf gewijzigd, zodat de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij die zitting niet een vereiste is voor de overlevering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de vonnissen B en C was de opgeëiste persoon niet aanwezig maar is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, van de OLW. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de zitting en dat hij de “<emphasis role="italic">notification”</emphasis> zelf heeft opgehaald. Hierdoor staat ondubbelzinnig vast dat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen zitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter zitting verschijnt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de vonnissen A, D, E en G dient de overlevering geweigerd te worden omdat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen en geen van de situaties uit artikel 12 a tot en met d van de OLW zich voordoet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is met de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden, van oordeel dat de overlevering voor de vonnissen B, C en F toegestaan kan worden. </para>
      <para>Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de terechtzitting van vonnis F. In het EAB is niet vermeld dat (een deel van) deze straf voorwaardelijk is opgelegd. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van deze en is de niet onderbouwde mededeling van de opgeëiste persoon dat de straf voorwaardelijk was opgelegd, onvoldoende om aan dat vertrouwen afbreuk te doen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer dat de opgeëiste persoon niet is geïnformeerd over een tenuitvoerlegging van de straf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de zaken  B en C was de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig, maar is de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, van de OLW aan de orde. De oproep is namelijk naar het adres van de opgeëiste persoon toegestuurd en is door hem opgehaald. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de “<emphasis role="italic">notification</emphasis>” niet heeft opgehaald, is onvoldoende om niet van de juistheid van de informatie uit het EAB uit te gaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering dient voor de vonnissen A, D, E en G op grond van artikel 12 van de OLW te worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen en geen van de situaties als vermeld in artikel 12, onder a tot en met d, van de OLW van toepassing is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voor de vonnissen B, C, en F vast dat hieraan is voldaan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis B van het </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">District Court</emphasis>
        <emphasis role="underline"> in Inowroclaw van 8 maart 2016 (II K 637/15)</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de WVW 1994  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis C van het </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">District Court</emphasis>
        <emphasis role="underline"> in Inowroclaw van 29 februari 2016 (II K 639/15) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de WVW 1994</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis F van het </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">District Court</emphasis>
        <emphasis role="underline"> in Inowroclaw van 15 maart 2011 (VI K 117/10)</emphasis>
      </para>
      <para>Feiten a en b:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 	</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten c, d, e, f, g en h: </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen  2, 5, 7 en 12 van de OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan het <emphasis role="italic">Regional Court </emphasis>in Bydgoszcz  (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht voor zover die betrekking hebben op de vonnissen: </para>
      <para>B. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 8 maart 2016 (<emphasis role="bold">II K 637/15</emphasis>)</para>
      <para>C. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 29 februari 2016 <emphasis role="bold">(II K 639/15</emphasis>) </para>
      <para>F. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 15 maart 2011 (<emphasis role="bold">VI K 117/10</emphasis>)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan het <emphasis role="italic">Regional Court </emphasis>in Bydgoszcz  (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht voor zover die betrekking hebben op de vonnissen: </para>
      <para>A. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 22 maart 2016 (<emphasis role="bold">II K 37/16</emphasis>)</para>
      <para>D.	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Mogilno van 6 juni 2016 (<emphasis role="bold">II K 88/16</emphasis>)</para>
      <para>E.	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Mogilno van 16 mei 2016 (<emphasis role="bold">II K 89/16</emphasis>)</para>
      <para>G. 	<emphasis role="italic">District Court</emphasis> in Inowroclaw van 2 november 2016 (<emphasis role="bold">VI K 283/16</emphasis>) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. E.M.M. Gabel,	  					                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B. Poelert, 	         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets,			                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 27 februari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[A/B/C]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>