<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2018:10186</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-11-01T10:03:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751250-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:10186">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:10186</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-30T13:33:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2018:10186 Rechtbank Amsterdam , 31-12-2018 / 13/751250-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2018:10186:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2018:10186:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751250-18</para>
      <para>RK nummer: 18/5481</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum tussenuitspraak: 31 december 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2018 door het District Court in Katowice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>verblijvend op het adres [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S. Kroesbergen, advocaat te Ede en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak </para>
      <para>moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van </para>
      <para>artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen van 30 maart 2007 referentienummer II K 238/06b en van 12 januari 2010 referentienummer VII K 78/10, gewezen door de Regional Court in Tychy.</para>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van 1 jaar en 4 maanden en van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straffen resteren nog in het geheel. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, sub 2 OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van zware mishandeling</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">bedreiging met zware mishandeling</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">medeplegen van zware mishandeling</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">mishandeling</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 6 OLW: heropening van het onderzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW. Overlevering van Nederlanders ter executie van een vrijheidsstraf of maatregel is niet mogelijk. Met de overgelegde stukken is voldoende aangetoond dat hij gedurende vijf jaren rechtmatig en ononderbroken in Nederland verblijft. De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die de rechtbank in de zaak Popławski II op <?linebreak?>28 september 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft gesteld (ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 en ECLI:NL:RBAMS:2018:6028). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de overgelegde stukken onvoldoende duidelijk is of de opgeëiste persoon premies en belasting heeft afgedragen. Op grond van die onduidelijkheid heeft zij geconcludeerd dat niet kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaar rechtmatig en onafgebroken verblijf heeft gehad in Nederland, waardoor hij dan ook niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6 lid 5 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlander, zoals bedoeld in artikel 6 lid 5 OLW. De opgeëiste persoon heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf 2012 voldoende inkomen in Nederland heeft verdiend met werk. De werkgever heeft het inkomen opgegeven bij de Belastingdienst. De opgeëiste persoon stond weliswaar niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar uit de stukken blijkt dat hij steeds in Nederland werkzaam was en hier feitelijk verbleef. De IND heeft aangegeven dat de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht niet verliest als gevolg van de veroordelingen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op deze stand van zaken wordt het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de antwoorden van het HvJ op de prejudiciële vragen die door de rechtbank in andere, vergelijkbare zaken zijn gesteld, nu deze van belang kunnen zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband daarmee worden de beslistermijnen met ingang van heden opgeschort.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT en SCHORST </emphasis>het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording door het HvJ van de gestelde prejudiciële vragen in de zaak Popławski (ECLI:NL:RBAMS:2017:7038 en ECLI:NL:RBAMS:2018:6028); </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.A.A.G. de Vries, 			                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. R.A.J. Hübel en A.P. Sno,   				   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen,	                        		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 31 december 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>