<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2017:7483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-16T13:12:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751.385-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:7483">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:7483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-16T12:35:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2017:7483 Rechtbank Amsterdam , 05-10-2017 / 13.751.385-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2017:7483:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen toegestaan. In hoger beroep vertegenwoordigd door "ex officio" advocaat, niet betalen allimentatie strafbaar ogv 255 Sr. .</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2017:7483:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.385-16</para>
      <para>RK nummer: 17/4420</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 5 oktober 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juli 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op <?linebreak?>17 maart 2016 door het <emphasis role="italic">District Court </emphasis>van Toruń (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1983, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans gedetineerd in het [naam HvB]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 september 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek bij uitspraak van 21 september 2017 heropend en direct geschorst om aan de Poolse autoriteiten de vraag te stellen of de opgeëiste persoon in voorarrest heeft gezeten en welk deel van de opgelegde straf nog resteert. Op 29 september 2017 heeft de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit antwoord gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is vervolgens weer behandeld op de openbare zitting van 5 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek en van de bepaaldelijk gemachtigde raadsman, mr. C.J.J. Visser (waarnemende voor mr. P. Slewe), advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon is niet verschenen en heeft schriftelijk afstand gedaan van het recht om te worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">judgement </emphasis>van het<emphasis role="italic">  Regional Court </emphasis>in Toruń met zaaknummer II K 387/13. Uit de aanvullende informatie (het zogenaamde “Form A”) blijkt dat dit vonnis dateert van 11 september 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Deze straf dient de opgeëiste persoon volgens het EAB nog geheel uit te zitten. Uit het antwoord op de hieromtrent gestelde vragen blijkt dat deze informatie juist is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon nooit op de hoogte is gesteld van de behandeling van de zaak in hoger beroep. Ook heeft de opgeëiste persoon de “<emphasis role="italic">ex officio</emphasis>” optredende advocaat niet gemachtigd om zijn verdediging op de zitting in hoger beroep te voeren. Dat deze advocaat hoger beroep en een beroepschrift heeft ingediend, wil nog niet zeggen dat de opgeëiste persoon de advocaat ook daadwerkelijk heeft gemachtigd om op de zitting in hoger beroep zijn verdediging te voeren. Vlak na het uitzitten van zijn detentie, te weten in juli 2013, is de opgeëiste persoon naar Nederland vertrokken en heeft hij verder geen contact meer met de advocaat gehad. Hij is verder nooit op de hoogte gesteld van de zitting in hoger beroep. De overlevering moet op grond van artikel 12 van de OLW worden geweigerd. Subsidiair dient de behandeling van de vordering aangehouden te worden voor het geven van een verzetgarantie.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gemotiveerd betoogd dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW niet aan de orde is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
        <para>Op grond van artikel 12, aanhef en onder b, van de OLW wordt overlevering niet toegestaan als het EAB betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig de procedurevoorschriften van uitvaardigende lidstaat de verdachte op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren en dat die advocaat ter terechtzitting zijn verdediging heeft gevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij arresten van 10 augustus 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Tupikas en Zdziaszek (C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 en C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629) geoordeeld dat het bij de toetsing van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ - aan welke bepaling artikel 12 van de OLW uitvoering beoogt te geven - gaat om de onherroepelijke laatste beslissing over de schuldigverklaring en/of de uiteindelijke vaststelling van de straf. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep heeft ingesteld, heeft het Openbaar Ministerie op 23 augustus 2017 nadere informatie over de verdediging van de opgeëiste persoon in hoger beroep gevraagd. </para>
        <para>Op 28 augustus 2017 hebben de Poolse justitiële autoriteiten hierover nadere informatie verstrekt. Deze informatie houdt het volgende in: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Issuing the final sentence in the case file reference number II K 387/13, the District</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Court in Torun, based on the factual and legal assessment and taking into consideration</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aggravating and exonerating evidence, decided that [opgeëiste persoon] was guilty of the deeds</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">charged to him in the scope determined in the sentence.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [opgeëiste persoon] had the attorney ex officio already in the preparatory proceedings</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">and in the Court of the first Instance. The attorney, acting in the name of the convict</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">submitted, firstly, the request for the statement of reasons of the judgement be drawn up in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">writing and then appealed from the sentence. In the assessment of the Court, it was the result</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">of the agreement concluded with his client, with whom the attorney contacted already in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">prison, before the District Court in Torun issued the sentence. The attorney was present at</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">court during the appeal trial before the court of the second instance.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit deze informatie leidt de rechtbank af dat de advocaat van de opgeëiste persoon na overleg en contact met deze toegevoegde advocaat hoger beroep en een beroepschrift heeft ingediend, dat hij op de zitting in hoger beroep de verdediging heeft gevoerd en dat het <emphasis role="italic">Regional Court</emphasis> voor de behandeling heeft vastgesteld dat de raadsman daartoe door de opgeëiste persoon was gemachtigd.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank concludeert dan ook dat de opgeëiste persoon in het proces in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigd advocaat. Dat deze advocaat “ex officio” was benoemd doet aan die machtiging niet af.  De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW niet aan de orde is. Het verweer  wordt verworpen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de raadsman is het niet voldoen aan de alimentatieverplichting naar Nederlands recht geen strafbaar feit zodat hiervoor de overlevering geweigerd dient te worden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan voor alle feiten is voldaan. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken (bijvoorbeeld 22 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8715) is het feit ten aanzien van de alimentatieverplichting naar Nederlands recht strafbaar gesteld in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht. </para>
      <para>In de feitsomschrijving onder e) van het EAB is immers vermeld dat de opgeëiste persoon door het niet betalen van de alimentatie zijn dochter in een situatie heeft gebracht waarbij zij niet in hun noodzakelijke behoeften kon voorzien. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	verbod </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	 verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging hij krachtens wet of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	overeenkomst verplicht is, in hulpeloze toestand brengen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 255 van het Wetboek van Strafrechte en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, en 7 van de OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">District Court </emphasis>van Toruń (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.J. Dondorp,  					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en T. Trotman,              				   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets,		                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 5 oktober 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>