<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2017:7367</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-20T13:18:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/629612 / HA ZA 17-551</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:7367">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:7367</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-20T13:18:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2017:7367 Rechtbank Amsterdam , 18-10-2017 / C/13/629612 / HA ZA 17-551</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2017:7367:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De tegen een van beide gedaagden ingestelde 843a Rv vordering is (in dit geval) niet voldoende om relatieve bevoegdheid van de rechtbank ten opzichte van de medegedaagde aan te nemen. De rechtbank splitst en verwijst de zaak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2017:7367:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="83565f3d-491a-4b20-9650-5b2f26f6760e" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="4db2749c-48cf-4cb3-b656-11d6a67607fd" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/13/629612 / HA ZA 17-551</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 18 oktober 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [plaats] ,</para>
      <para>eiser in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerder in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. G.A.M. Sieben te Son en Breugel,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>mr. P.R. DEKKER</title>
    <para>kantoorhoudende te Rosmalen,</para>
    <para>2.	<emphasis role="bold">mr. G. TE BIESENBEEK</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <emphasis role="bold">Haeresteijn Holding B.V.</emphasis>,</para>
      <para>kantoorhoudende te Helmond,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>eisers in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. F. Ortiz Aldana te Rosmalen,</para>
    </parablock>
    <para>3. de naamloze vennootschap</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">ING BANK N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] , de curatoren en ING genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding 11 mei 2017, met producties,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie houdende de exceptie van relatieve onbevoegdheid ex artikel 110 Rv van de zijde van de curatoren,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in het incident.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vorderingen in de hoofdzaak</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert in het kader van een tussen hem en de curatoren ontstaan geschil - samengevat - verklaringen voor recht dat tussen haar en de failliet, Haerestijn Holding B.V. (hierna: Haeresteijn), geen overeenkomst bestaat, dat het door Haeresteijn aan [eiser] betaalde bedrag van € 95.000,- namens een derde aan [eiser] is betaald, zodat Haeresteijn niets te vorderen heeft van [eiser] , en dat de vernietiging door de curatoren van de vermeende schuldovername geen effect heeft gesorteerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert daarnaast een veroordeling van ING tot “<emphasis role="italic">het overhandigen van een afschrift van het dossier – van [eiser] – dat zij aan de FIOD en/of Dekker heeft doen toekomen</emphasis>” op grond van artikel 843a Rv en de overeenkomst tussen [eiser] en ING.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling in het incident</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De Curatoren vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij zijn gevestigd in het arrondissement Oost-Brabant en daarom voor de rechtbank Oost-Brabant gedagvaard hadden moeten worden. ING, die statutair gevestigd is in Amsterdam, is weliswaar ook gedagvaard, maar er bestaat geen (voldoende) samenhang tussen de vorderingen op de curatoren en de vordering op ING, om de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam (op grond van artikel 107 Rv) ten aanzien van de curatoren te rechtvaardigen, aldus de curatoren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Volgens [eiser] bestaat die samenhang wel, omdat hij het betreffende dossier van ING nodig heeft om de stellingen van de curatoren over het bestaan van een vordering te kunnen beoordelen en eventueel te weerleggen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. De hoofdregel is dat de rechtbank van het arrondissement waar gedaagden woonplaats hebben relatief bevoegd is. In afwijking daarop bepaalt artikel 107 Rv:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien een rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, is die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De op grond van artikel 107 Rv vereiste samenhang kan snel worden aangenomen, maar ontbreekt in dit geval. De juridische beoordeling of er tussen [eiser] en Haeresteijn een overeenkomst heeft bestaan, staat (geheel) los van de beoordeling of ING gehouden is een afschrift van het (mogelijk door haar aan de FIOD en/of aan één van de curatoren verstrekte) dossier van [eiser] aan [eiser] te verschaffen. De enkele omstandigheid dat het betreffende dossier zou kunnen dienen om de vorderingen tegen de curatoren te staven of (nader) te onderbouwen, zoals [eiser] betoogt, betekent niet dat er een zodanige samenhang tussen de vorderingen bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van die vorderingen rechtvaardigen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat, ook in het geval de vorderingen gezamenlijk zouden worden behandeld en geoordeeld zou worden dat het betreffende dossier van ING relevant is voor de vorderingen tegen de curatoren, eerst (via een tussenvonnis) op de vordering van [eiser] jegens ING moet worden beslist, voordat de rechtbank over het geschil tussen [eiser] en de curatoren kan oordelen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Omdat er geen andere grondslag voor de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam is, is de rechtbank niet relatief bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen [eiser] en de curatoren. Dat deel van het geschil zal worden verwezen naar de relatief bevoegde rechtbank Oost-Brabant, locatie Den Bosch. De rechtbank is relatief bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen [eiser] en ING. Dat deel van het geschil zal naar de rol worden verwezen voor vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>
        [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De rechtbank zal ambtshalve de nakosten in het incident begroten en toewijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak jegens de curatoren kennis te nemen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van de curatoren tot op heden begroot op € 452,00,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>verwijst het geschil tussen [eiser] en de curatoren in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Oost-Brabant, team Civiel Recht, locatie Den Bosch,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>verwijst het geschil tussen [eiser] en ING naar de rol van 1 november 2017 voor vonnis,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door </para>
        <para>mr. E.J. van Veelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2017.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>