<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2017:4494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-17T10:17:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-04-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751849-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:4494">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:4494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-07T12:18:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2017:4494 Rechtbank Amsterdam , 25-04-2017 / 13.751849-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2017:4494:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Roemeens EAB, detentieomstandigheden, de rechtbank handhaaft de beslissing tot uitstel van de beslissing over de overlevering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2017:4494:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751849-16 </para>
      <para>RK-nummer: 16/7438</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 25 april 2017   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 oktober 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 4 oktober 2016 door <emphasis role="italic">the Bucharest Tribunal-2nd Criminal Law Division</emphasis> (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1970, </para>
      <para>	thans verblijvende op het adres: [verblijfadres opgeëiste persoon] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 november 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 11 november 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde bij de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie op te vragen over de detentie-omstandigheden in Roemenië en in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst zal worden, dit alles in het licht van het arrest van het Hof van Justitie inzake Aranyosi en Câldâraru  (HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Câldâraru) en het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 20 oktober 2016 (EHRM (Grote Kamer), 7334/13): Muršić/Kroatië.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 24 november 2016 heeft de rechtbank de behandeling voortgezet in aanwezigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Roemeense taal. Op die zitting is een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek is geschorst en de beslissing op het verzoek om overlevering is uitgesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek is vervolgens hervat op de zitting van 11 april 2017 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Roemeense taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslistermijn van artikel 22, eerste lid OLW, is op de zitting van 1 november 2016 verlengd. Door de uitstelbeslissing van 24 november 2016 is de beslistermijn geschorst per die datum. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op de raadkamerzitting van 17 maart 2017 onder voorwaarden geschorst.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingbevel tot voorlopige hechtenis van </para>
      <para>20 maart 2013, afgegeven door de <emphasis role="italic">Bucharest Tribunal Second Criminal Law Division </emphasis>met nummer 54/UP/20.03.2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Roemenië strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in <emphasis role="italic">Form A</emphasis> van de signalering van het Schengen-informatiesysteem (SIS) van 11 december 2013.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Genoegzaamheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de tussenuitspraak van 24 november 2016 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de omschrijving van de feiten, inclusief de plaats- en tijdsaanduiding, voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, te weten onder de nummers 9 en 20:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	witwassen van opbrengsten van misdrijven</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	en	</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	oplichting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op de feiten naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de tussenuitspraak van 24 november 2016 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de lijstfeiten in redelijkheid door de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn aangekruist, zodat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten achterwege moet blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden in Roemenië  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beslissing over de overlevering uitgesteld vanwege een reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat. Afgezien van de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat zijn er geen overleveringsbeletselen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) moet de rechtbank daarom de volgende vragen beantwoorden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. sluiten de door de Roemeense autoriteiten verstrekte aanvullende gegevens het geconstateerde reële gevaar voor de opgeëiste persoon uit?;</para>
      <para>2. (indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt) is de redelijke termijn waarbinnen dat reële gevaar moet worden uitgesloten overschreden?;</para>
      <para>3. (indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt) moet die overschrijding leiden tot beëindiging van de overleveringsprocedure en welke beslissing brengt een dergelijke beëindiging mee?  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Sluiten de aanvullende gegevens het reële gevaar voor de opgeëiste persoon uit?</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.2.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van 24 november 2016 en de zaak Muršić heeft de raadsvrouw betoogd dat – ondanks de aanvullende Roemeense informatie van 2 februari 2017 en 28 maart 2017 – nog steeds sprake is van een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Dit geldt voor de laatste fase van de tenuitvoerlegging van een eventueel op te leggen gevangenisstraf (in Jilava Prison). Bovendien is nog altijd onduidelijk hoe de detentieomstandigheden in de vervolgingsfase zijn, waaronder het aantal m2 ‘<emphasis role="italic">personal space</emphasis>’ (in Bucharest-Rahova Prison). </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.2.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op 21 maart 2017 heeft een bespreking met de Roemeense justitiële autoriteiten plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een op 28 maart 2017 door de Roemeense autoriteiten opgestelde brief met daarin nadere informatie over semi-open inrichtingen. Hieruit blijkt in aanvulling op de eerder verstrekte informatie, dat gedetineerden tussen circa 19.30 uur en 22.00 uur hun cel kunnen verlaten om allerhande activiteiten te ontplooien. De officier van justitie meent dat deze informatie, gelet op Muršić, genoeg is om tot overlevering te kunnen overgaan. Meer aanvullende informatie zullen de Roemeense autoriteiten niet verstrekken.</para>
          <para>De officier van justitie acht ook het volgende van belang. De uitspraak inzake Muršić/Kroatië ziet op een andere situatie dan de onderhavige zaak omdat Muršić in een gesloten regime gedetineerd was. De in Muršić geformuleerde criteria zien dan ook niet op het semi-open regime waarin de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd. Voorts verwijst de officier van justitie naar een uitspraak van het <emphasis role="italic">Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg</emphasis> (Duitsland) van 3 januari 2017 waarin de overlevering aan Roemenië ten behoeve van een vervolgingsoverlevering wel is toegestaan.</para>
          <para>Het voorgaande in samenhang bezien moet tot het oordeel leiden dat het geconstateerde reële gevaar voor de opgeëiste persoon thans is uitgesloten en zijn overlevering aan Roemenië kan worden toegestaan, aldus de officier van justitie. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.2.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">6.2.3.1	Beoordeling standpunt officier van justitie inzake criteria Muršić</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Kort gezegd is door de officier van justitie betoogd dat de in de Muršić vastgestelde criteria niet in de onderhavige zaak van toepassing zijn omdat deze criteria op een gesloten regime in plaats van een semi-open regime zijn toegespitst. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank volgt dit verweer niet. Blijkens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 maart 2017 (Muscalu/Roemenië, 80825/13), worden de in Muršić vastgestelde criteria ook in het geval van detentie in semi-open regimes toegepast. Overigens volgt al uit het arrest van dat Hof van 24 november 2015 (Verdeş/Roemenië,  6215/14) dat de omstandigheid dat het gaat om een semi-open regime op zich niet voldoende is om een tekort aan “<emphasis role="italic">personal space</emphasis>” te compenseren.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">6.2.3.2	Beoordeling uitspraak van het </emphasis>
            <emphasis role="underline italic">Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat het <emphasis role="italic">Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg</emphasis> januari jongstleden de overlevering van een opgeëiste persoon aan Roemenië heeft toegestaan. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt vast dat er in Duitsland klaarblijkelijk geen sprake is van een vaste lijn binnen de jurisprudentie aangaande Roemeense overleveringsverzoeken, getuige de uitspraak van het <emphasis role="italic">Oberlandesgericht Celle</emphasis> van 2 maart 2017 (1 AR (Ausl) 99/16) waarin de overlevering aan Roemenië juist wegens “<emphasis role="italic">Unvereinbarkeit der Haftbedingungen im Ausstellungsmitgliedstaat mit Art. 3 EMRK</emphasis>” is geweigerd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet hierop zal de rechtbank de overgelegde uitspraak van het <emphasis role="italic">Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg</emphasis> niet bij haar beoordeling betrekken.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">6.2.3.3	Beoordeling reële gevaar voor de opgeëiste persoon in relatie tot de aanvullende gegevens   </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ter zitting van 24 november 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot de mogelijke detentie in de laatste fase van de tenuitvoerlegging in het semi-open regime in de gevangenis in Jilava het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet is weerlegd, zodat voor de opgeëiste persoon bij overlevering nog steeds een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestaat. Tevens was onduidelijk hoe de detentieomstandigheden – waaronder het aantal m2 ‘<emphasis role="italic">personal space</emphasis>’ – in de vervolgingsfase (in Bucharest-Rahova Prison) na de <emphasis role="italic">‘quarantine period’ </emphasis>zijn. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Thans beschikt de rechtbank over nieuwe informatie van de Roemeens autoriteiten omdat de <emphasis role="italic">Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen</emphasis> bij brief van 28 maart 2017 onder meer de volgende informatie heeft verstrekt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>“<emphasis role="italic">Zo kunnen de gevangenen overdag groepsactiviteiten ontplooien in die ruimtes binnen de plaats van detentie waar zij toegang toe hebben: (…), in het tijdsinterval 08.30 - 11.30 (tussen 11.30 - 13.00 is de tijd gereserveerd voor het uitdelen en nuttigen van de lunch) en, na de lunch, tot 18.00 uur (wandelprogramma inbegrepen). Darna wordt het diner geserveerd, en na de avondoproep (die plaatsvindt ongeveer tussen 19.00 - 19.30), tot 22.00 uur, wanneer de lichten uitgaan), houden de gevanganen zich met vrijetijdsactiviteiten bezig; dit doen zij in hun cel of, desgevraagd, buiten de cel in de afdelingsclub of in andere aangewezen ruimtes, tussen 19.45 - 21.45 uur. Het scala aan activiteiten wordt bepaald door de administratie van de detentie-instelling en bevat de mogelijkheden die hieronder worden beschreven.(…)</emphasis></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Bijgevolg wordt de cel door de in open regime opgenomen gevangenen in het algemeen</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">slechts gebruikt voor rust, het nuttigen van maartijden en korte momenten die nodig zijn voor</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">huishoudelijke werkzaamheden.</emphasis>”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In geval van ‘<emphasis role="italic">multi-occupancy accommodation</emphasis>’ levert een hoeveelheid van minder dan 3 m2 ‘<emphasis role="italic">personal space</emphasis>’ een ‘<emphasis role="italic">strong presumption</emphasis>’ op dat de detentieomstandigheden vernederend in de zin van artikel 3 EVRM zijn (Muršić/Kroatië, § 124). </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet op artikel 52, derde lid, Handvest zijn vernederende detentieomstandigheden in de zin van artikel 3 EVRM tevens vernederend in de zin van artikel 4 Handvest.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Nu uit de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Jilava minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte ter beschikking zal staan, bestaat op grond van Muršić aldus een ‘<emphasis role="italic">strong presumption</emphasis>’ dat de opgeëiste persoon aldaar onder onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden zal verblijven.</para>
          <para>Het EHRM heeft in par. 132 van datzelfde arrest overwogen dat dit vermoeden normaal gesproken alleen kan worden weerlegd als de volgende factoren cumulatief aanwezig zijn. Deze factoren betreffen – kort gezegd – de volgende:</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>1.	‘<emphasis role="italic">short, occasional and minor reductions of personal space</emphasis>’;</para>
        <para>2.	‘<emphasis role="italic">sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities</emphasis>’;</para>
        <para>3.	‘<emphasis role="italic">confinement in what is, when viewed generally, an appropriate detention facility</emphasis>’.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Deze toetsing geldt, zoals hiervoor is overwogen, ook voor het semi-open regime.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Toetsing aan deze <emphasis role="italic">drie factoren</emphasis> leidt in de onderhavige zaak echter niet tot de conclusie dat de ‘<emphasis role="italic">strong presumption</emphasis>’ van schending van artikel 4 Handvest is weerlegd.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De <emphasis role="italic">eerste</emphasis> factor houdt in dat de beperking van het aantal m2 ‘<emphasis role="italic">personal space</emphasis>’ kort van duur, incidenteel en van ondergeschikte betekenis is. Gelet op een mogelijk lange detentieduur in het semi-open regime in de gevangenis in Jilava, kan in elk geval niet worden geconcludeerd dat de beperking van de ‘<emphasis role="italic">personal space</emphasis>’ kort van duur en incidenteel is.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Toetsing aan de <emphasis role="italic">tweede</emphasis> factor leidt tot de conclusie dat de beperking van het aantal m2 gepaard gaat met voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Over de <emphasis role="italic">derde</emphasis> factor, kort gezegd dat de detentieomstandigheden voor het overige ‘<emphasis role="italic">appropriate</emphasis>’ zijn, biedt de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende duidelijkheid. De mededelingen in de brieven van respectievelijk 2 februari 2017 en 28 maart 2017 zijn weliswaar uitgebreid, maar te algemeen van aard. Daardoor is bijvoorbeeld niet duidelijk hoeveel toiletten en douches er beschikbaar zijn per gedetineerde per cel. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De overige door de Roemeense autoriteiten verstrekte aanvullende gegevens bieden evenmin duidelijkheid over de derde factor.   </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De ‘<emphasis role="italic">strong presumption</emphasis>’ van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de gevangenis in Jilava is dus niet weerlegd. De conclusie moet dan ook zijn dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling niet uitsluit. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Overigens is de op 24 november 2016 onvertaalde brief van de Roemeense autoriteiten van 23 november 2016 nog altijd niet in vertaalde vorm toegevoegd aan het dossier. Gelet op de begeleidende e-mail van 24 november 2016 van de medewerker van het Roemeense ministerie van justitie ziet deze brief op de detentieomstandigheden – waaronder het aantal m2 ‘<emphasis role="italic">personal space</emphasis>’ – in de vervolgingsfase (in Bucharest-Rahova Prison) na de <emphasis role="italic">‘quarantine period’</emphasis>. Nu de brief van 23 november 2016 nog niet is vertaald, bestaat ook over deze fase van de detentie nog onduidelijkheid. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De redelijke termijn en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.3.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn thans is overschreden. De opgeëiste persoon is al op 17 augustus 2016 aangehouden. Er blijft veel onduidelijkheid bestaan over de detentieomstandigheden, terwijl er geen zicht is op spoedige verbeteringen. Gelet op de overschrijding van de termijn dient de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, als is overwogen in voornoemde uitspraak van 26 januari 2017. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.3.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden. Sinds de uitstelbeslissing in november 2016 heeft het Openbaar Ministerie voortvarend gehandeld en zelfs een <emphasis role="italic">meeting</emphasis> met de Roemeense justitiële autoriteiten georganiseerd. Daaruit is nadere informatie voortgekomen en daarom is er nog geen sprake van de overschrijding van de redelijke termijn. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.3.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 26 januari 2017 onder 5.3.3 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in het onderhavige geval nog niet is overschreden, met name nu op dit moment ongeveer 5 maanden zijn verstreken sinds de uitstelbeslissing van 24 november 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is nog enig verder uitstel van de beslissing geboden om de Roemeense justitiële autoriteiten in de gelegenheid te stellen verdere nadere informatie te verschaffen. De opmerking van de officier van justitie dat de Roemeense autoriteiten niet meer aanvullende informatie zullen verstrekken leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De beslistermijnen blijven geschorst met ingang van 24 november 2016.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank komt tot de volgende beslissingen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT en SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HANDHAAFT </emphasis>de beslissing tot uitstel van de beslissing over de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk voor de Roemeense taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.P. Kijlstra,       				                                 		         voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.K. Glerum en M.M. Helmers,		 			   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, 	                  	       		 griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>