<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2017:370</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-02-07T12:40:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/257615-15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:370">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:370</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-02-07T12:35:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2017:370 Rechtbank Amsterdam , 16-01-2017 / 13/257615-15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2017:370:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dynamische verkeerscontrole, vrijspraak</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2017:370:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">VERKORT VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/257615-15 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 16 januari 2017</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, politierechter, in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat de raadsman, mr. J. de Vries, naar voren heeft gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,98 gram, in elk geval een  hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Voorvragen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Inleiding</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 30 oktober 2015 zien verbalisanten op de rijksweg A2 ter hoogte van afslag Vinkeveen een grijskleurige Volkswagen Golf rijden. Verbalisanten constateren dat er zich in deze Volkswagen twee Marokkaans uitziende mannen met een geschatte leeftijd van tussen de 25 en de 30 jaar bevinden. Hierop besluiten zij om het genoemde voertuig aan een verkeerscontrole te onderwerpen. Bestuurder en bijrijder, verdachte, tonen hun rijbewijs. Gelijktijdig ruiken verbalisanten een sterke marihuana lucht, afkomstig uit de auto. Hierop verklaart verdachte [verdachte] dat hij een joint aan het roken was. Verbalisant [verbalisant] ziet dat verdachte [verdachte] een joint in zijn hand vasthoudt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Middels de centrale politiesystemen stellen verbalisanten vast dat verdachte [verdachte] antecedenten ter zake overtreding van de Opiumwet op zijn naam heeft staan. Hierop doorzoeken verbalisanten op grond van artikel 9 lid 1 van de Opiumwet, de auto. In het compartiment van de bijrijdersairbag worden acht wikkels met daarin, zo blijkt later uit het onderzoeksrapport van het politielaboratorium, in totaal 4,98 gram cocaïne aangetroffen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het standpunt van het Openbaar Ministerie</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het ten laste gelegde feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Zij stelt dat politieagenten te allen tijde bevoegd zijn bestuurders van auto’s te onderwerpen aan een controle van het rijbewijs. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er volgens de Hoge Raad<footnote-ref linkend="_a3c8ee99-5946-46b2-8fcf-b4ad6fbd022c" /> in beginsel niets mis is met een dynamische verkeerscontrole. Artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 geeft ruime bevoegdheden. Vervolgens is het aan de rechter te beoordelen of correct is omgegaan met deze bevoegdheid. De officier van justitie plaatst de zaak in perspectief, namelijk in de tijdsgeest van 2015, en concludeert dat het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2016 toen geen geldend recht was. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tot slot is de officier van justitie de mening toegedaan dat er geen sprake is van een dynamische verkeerscontrole maar van een ‘gewone’ verkeerscontrole. Volgens haar dient er geen bewijsuitsluiting te volgen. Zij acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en vordert oplegging van een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van 250,00 euro met een proeftijd van twee jaren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het standpunt van de verdediging</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman verwijst hierbij naar de rechtsoverweging 3.7 uit het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2016.<footnote-ref linkend="_194c7f32-ea5a-410b-bf94-a8bd02978601" /> Hij stelt zich op het standpunt dat verbalisanten de inzittenden in de auto, waaronder verdachte, slechts een stopteken hebben gegeven omdat zij een Marokkaans uiterlijk hadden, tussen de 25 en 30 jaar oud oogden en in een Volkswagen Golf reden. Dat maakt in zijn ogen dat er sprake is van een controle waaraan een onderscheid op grond van etnische afkomst ten grondslag ligt. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad nu juist bedoeld heeft dat dit niet ten grondslag mag liggen aan het uitoefenen van controlebevoegdheden. De verdediging meent dat er sprake is van een onrechtmatige verkeerscontrole. Het verkregen bewijsmateriaal is hier een rechtstreeks gevolg van. Daarom dient er volgens de raadsman bewijsuitsluiting van het verkregen bewijsmateriaal te volgen en dient verdachte te worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Oordeel van de politierechter</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De politierechter is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen verdovende middelen van het bewijs dienen te worden uitgesloten en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken. De politierechter oordeelt daartoe als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 november 2016 overwogen dat uitoefening van controlebevoegdheden als bedoeld in artikel 160, eerste en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 verband dienen te houden met de naleving van de bij of krachtens die wet gegeven voorschriften. Die uitoefening is in beginsel rechtmatig, ook indien die daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop deze bepalingen niet zien. Die omstandigheid brengt immers nog niet mee dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel - te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen - dan waarvoor deze is verleend. Voorts geldt dat het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van deze controlebevoegdheden door opsporingsambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen (vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670, NJ 2006/653).<footnote-ref linkend="_23c9b2b6-2ee3-4d3b-a78f-8e530cb065ef" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het is aan de rechter te bevinden of de politie bij de uitoefening van  controlebevoegdheden de te controleren persoon of personen heeft geselecteerd op een wijze die onverenigbaar is met het uitgangspunt dat personen niet worden gediscrimineerd wegens onder meer hun ras of hun godsdienst of levensovertuiging. Indien de rechter van oordeel is dat bij die selectie een in dit opzicht niet gerechtvaardigd onderscheid is gemaakt, zal hij moeten bepalen welk rechtsgevolg in de gegeven omstandigheden moet worden verbonden aan de onrechtmatigheid van de uitoefening van de controlebevoegdheid, rekening houdend met factoren als de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Een dergelijke bevinding kan in het bijzonder in beeld komen indien de selectie van het voor een verkeerscontrole in aanmerking komend voertuig uitsluitend of in overwegende mate is gebaseerd op etnische of religieuze kenmerken van de bestuurder of andere inzittenden van dat voertuig.<footnote-ref linkend="_d5dc5b6f-55f7-40ab-81ac-000a08707bb8" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De politierechter stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie blijkt dat verbalisanten twee Marokkaans uitziende jongemannen zien rijden in een Volkswagen Golf en dat zij daarom besluiten de bestuurder en bijrijder van deze auto aan een verkeerscontrole te onderwerpen.<footnote-ref linkend="_777e1add-45ef-4605-a681-e699d361cf50" /> Nu slechts dit de reden is geweest die ten grondslag lag aan de verkeerscontrole, doet zich de situatie voor zoals in  door de Hoge Raad beschreven, te weten een selectie van het voertuig hoofdzakelijk gebaseerd op de etnische kenmerken van de inzittenden ervan. De uitoefening van de controlebevoegdheid is daarmee onrechtmatig. De politierechter acht daarom uitsluiting van het verkregen bewijsmateriaal aangewezen, zodat verdachte, vanwege gebrek aan voldoende bewijs, van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.     </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. J.P.W. Helmonds, politierechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van S.C. van Klaveren, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 januari 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a3c8ee99-5946-46b2-8fcf-b4ad6fbd022c" label="1">
    <para> HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454</para>
  </footnote>
  <footnote id="_194c7f32-ea5a-410b-bf94-a8bd02978601" label="2">
    <para> HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454</para>
  </footnote>
  <footnote id="_23c9b2b6-2ee3-4d3b-a78f-8e530cb065ef" label="3">
    <para> HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, r.o. 3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5dc5b6f-55f7-40ab-81ac-000a08707bb8" label="4">
    <para> HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, r.o. 3.7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_777e1add-45ef-4605-a681-e699d361cf50" label="5">
    <para> Proces-verbaalnummer: PL1300-2015241742-7 </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>