<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2017:2586</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T00:56:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">5832420  KK EXPL 17-304</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JHV 2017/14 met annotatie van M. Scheeper</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2017/141</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:2586">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:2586</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-20T14:29:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2017:2586 Rechtbank Amsterdam , 18-04-2017 / 5832420  KK EXPL 17-304</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2017:2586:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Een vrouw mag met haar zoons in een huurwoning blijven wonen na haar mans dood. Verhuurder Rappange wilde dat de vrouw vertrok omdat zij geen medehuurder zou zijn en de huurovereenkomst dus niet kon voortzetten. Zij was echter wel medehuurder omdat haar man huurder was en haar leven zich hoofdzakelijk in de huurwoning afspeelde.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2017:2586:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 5832420  KK EXPL 17-304</para>
      <para>vonnis van:  18 april 2017</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">vonnis van de kantonrechterkort geding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>I n z a k e</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de besloten vennootschap Rappange Administratie B.V.</bridgehead>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Amsterdam</para>
      <para>eiseres</para>
      <para>nader te noemen: Rappange</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.W. Baart</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">1. [gedaagde sub 1.]</bridgehead>
    <para>wonende te [woonplaats]</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [gedaagden sub 2.] </emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">3. zij die verblijven </emphasis>in de onroerende zaak of gedeelte daarvan gelegen te [woonplaats] aan de [adres]</para>
    <parablock>
      <para>nader te noemen: [gedaagde sub 1.] en gezamenlijk gedaagden</para>
      <para>gemachtigde: mr. J. El Haddouchi</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">VERLOOP VAN DE PROCEDURE</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij dagvaarding van 21 maart 2017 met producties, heeft Rappange een voorziening gevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting van 10 april 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Rappange is verschenen bij [naam 1] , vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde sub 1.] is verschenen, vergezeld door [naam 2] , [naam 3] , [tolk] (tolk) en hun gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten, mede aan de hand van een pleitnota, toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>GRONDEN VAN DE BESLISSING</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Uitgangspunten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Als uitgangspunt geldt het volgende.</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [vader] (verder: vader) heeft sedert juli 1995 van Rappange gehuurd de woning aan de [adres] te [woonplaats] (verder: de woning). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [vader] was getrouwd met [gedaagde sub 1.] en had samen met haar drie zoons. Vader woonde in Nederland en [gedaagde sub 1.] woonde samen met haar zoons in Marokko.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>
        [naam 2] , de oudste zoon, is ongeveer eind 2015, vanuit Marokko bij zijn vader in de woning komen wonen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 30 juni 2016 heeft vader met zijn andere twee zoons (van thans 12 en 16 jaar oud) een ernstig auto ongeluk gehad in Marokko. Vader is toen in kritieke toestand opgenomen in het ziekenhuis. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Omdat het ziekenhuis in Marokko vader niet afdoende kon helpen, is vader begin augustus 2016 met het vliegtuig naar Nederland vervoerd. Het vliegtuig moest een noodlanding maken in België omdat vader in levensgevaar verkeerde. Vader is vervolgens in België in het ziekenhuis opgenomen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Op 5 augustus 2016 is moeder met haar twee jongste zoons naar Nederland gevlogen. Zij verblijft sedertdien samen met haar drie zoons in de woning. Vanuit deze woning bezochten zij vader in het ziekenhuis in België, alwaar hij op 29 augustus 2016 is overleden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Rappange heeft bij brief van 16 maart 2017 aan gedaagden gemeld dat zij zonder recht of titel in de woning verblijven en hen gesommeerd de woning te ontruimen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Gedaagden hebben hieraan geen gevolg gegeven.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Vordering</title>
    <para />
    <para>2. Rappange vordert dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zullen worden om de woning te ontruimen.<?linebreak?></para>
    <para>3. Rappange stelt hiertoe dat [gedaagde sub 1.] op het moment van overlijden van vader niet haar hoofdverblijf in de woning had. Volgens Rappange had zij tot 25 november 2016 haar hoofdverblijf in Marokko. Zij is dus volgens Rappange geen wettelijke medehuurder van de woning geworden en kan dus ook niet de huurovereenkomst voortzetten. Nu zij sedert 25 november 2016 zonder recht of titel in de woning verblijft, dient zij de woning te ontruimen.<?linebreak?></para>
    <para>4. Rappange stelt verder dat de zoon [vader] ook geen medehuurder van de woning is. Hij heeft immers daartoe niet binnen 6 maanden na overlijden van vader een vordering ingediend als bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW. Dit betekent volgens haar dat [vader] in ieder geval sedert 28 februari 2017 zonder recht of titel in de woning verblijft.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verweer</title>
    <para />
    <para>5. [gedaagde sub 1.] voert aan dat het de bedoeling van haar en vader was dat zij in de zomer van 2016 samen met haar twee jongste zoons bij vader in Nederland zou komen wonen. Toen vader op weg was naar de Nederlandse ambassade in Rabat om de paspoorten van de twee jongste zoons te verlengen, heeft het noodlottige auto-ongeluk plaatsgevonden. Zij is vervolgens samen met haar twee minderjarige zoons op 5 augustus 2016 achter vader aan gereisd naar Nederland. Sedertdien woont zij met haar zoons in de woning. De jongste kinderen gaan in de buurt naar school. Zij is nog eenmaal naar Marokko afgereisd om vader te begraven. Gelet op het bovenstaande had zij derhalve ten tijde van het overlijden van vader haar hoofdverblijf in de woning, is zij van rechtswege medehuurder en is zij door het overlijden van vader thans huurder geworden. <?linebreak?></para>
    <para>6. [gedaagde sub 1.] voert verder aan dat zij in het begin werd bijgestaan door maatschappelijk werk Streetcornerwork. Rappange heeft volgens haar twee maal aan [naam 4] van Streetcornerwork toegezegd dat zij samen met haar zoons in de woning kon blijven wonen. Rappange dient deze toezegging na te komen.<?linebreak?></para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <para>7. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Rappange in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.<?linebreak?></para>
    <para>8. Op grond van het bepaalde in artikel 7:266 BW is een echtgenoot van rechtswege medehuurder, zolang de woonruimte de echtgenoot tot hoofdverblijf strekt. Vaststaat dat de vader ten tijde van het overlijden was gehuwd met [gedaagde sub 1.] . Thans moet worden beoordeeld of [gedaagde sub 1.] haar hoofverblijf in de woning had. Dit houdt in dat het leven van [gedaagde sub 1.] zich in hoofdzaak in en vanuit de woning moest afspelen. <?linebreak?></para>
    <para>9. Vaststaat dat [gedaagde sub 1.] sedert 5 augustus 2016 samen met haar zoons in de woning verblijft en dat zij alleen nog eenmaal naar Marokko zijn geweest voor de begrafenis van vader. Als niet betwist staat verder vast dat de twee jongste zoons in de buurt van de woning naar school gaan. [gedaagde sub 1.] heeft gesteld dat het ook de bedoeling was dat zij in de zomer van 2016 samen met haar zoons bij vader in Nederland zouden gaan wonen, dat vader bezig was de daarvoor benodigde documenten te regelen en dat zij de huur van de woning in Marokko heeft opgezegd. Gelet op het bovenstaande is het aannemelijk dat [gedaagde sub 1.] in een eventuele bodemprocedure zal slagen te bewijzen dat de woning haar en haar kinderen tot hoofdverblijf strekte. De vordering tot ontruiming van haar en haar kinderen zal daarom worden afgewezen. De vraag of Rappange een toezegging heeft gedaan, behoeft bij deze uitkomst geen bespreking.<?linebreak?></para>
    <para>10. Rappange dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>wijst de vordering af;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>veroordeelt Rappange in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagden begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>veroordeelt Rappange tot betaling van een bedrag van € 25,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en Rappange niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.<?linebreak?></para>
        <para>Aldus gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>