<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2017:1694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-05T15:43:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751.039-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:1694">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:1694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-05T15:42:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2017:1694 Rechtbank Amsterdam , 14-03-2017 / 13.751.039-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2017:1694:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering, detentieomstandigheden Litouwen, geen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Litouwse gevangenissen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2017:1694:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.039-17</para>
      <para>RK nummer: 17/441</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 14 maart 2017 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 januari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2016 door <emphasis role="italic">the Klaipėda Regional Court</emphasis> (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedatum] 1983, </para>
      <para>niet ingeschreven in de basisregistratie personen, maar verblijvende op het adres [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 februari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. P.R. de Korte, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Litouwse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van <emphasis role="italic">court judgments which came into force:</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- <emphasis role="italic">judgment of Klaipėda District Court of January 12, 2011;</emphasis></para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="italic">judgment of Klaipėda Regional Court of June 23, 2011</emphasis>.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, vier maanden en 18 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis van het<emphasis role="italic"> Klaipėda Regional Court </emphasis>van 23 juni 2011.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vonnissen betreffen het feit zoals dit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW  </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inhoud van de stukken</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderdeel b) van het EAB houdt onder meer het volgende in:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [opgeëiste persoon] made an appeal on Judgment of January 12, 2011 of Klaipėda District Court in appeal order. An appeal complaint of convict [opgeëiste persoon] was satisfied partially by Judgment of June 23, 2011 of Klaipėda Regional Court. In cassation order the judgment was not appealed. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">It is stated if the person took part in judicial investigation after which the decision was adopted:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">1. X Yes, the person participated himself in judicial investigation after which the decision was adopted</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij faxbericht van 27 februari 2017 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer laten weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In reply to your letter we have to inform that the convicted [opgeëiste persoon] , born</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">on [geboortedatum] 1983, did not participate in person on June 23, 2011 at Klaipėda Regional Court, when the judgment was accepted and pronounced.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">But we have to draw your attention, that the convicted [opgeëiste persoon] participated in person in Klaipėda Regional Court when his appeal complaint was heard and he was aware of the adoption and pronouncement of the judgment. Participation of the convicted person in the pronouncement of the judgment is not compulsory. A copy of the judgment of June 23, 2011 of Klaipėda Regional Court was sent to the convicted [opgeëiste persoon] to the place of his residence according to the address indicated by him (…).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verklaring van de opgeëiste persoon</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft desgevraagd verklaard dat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- hij op de eerste zitting in hoger beroep aanwezig is geweest;</para>
      <para />
      <para>- hij niet op de volgende zittingen aanwezig is geweest, omdat hij inmiddels naar het buitenland was vertrokken;</para>
      <para />
      <para>- zijn gemachtigde raadsman namens hem op de volgende zittingen het woord heeft gevoerd;</para>
      <para />
      <para>- hij zijn raadsman had gemachtigd om hem in alle instanties te verdedigen en om zo nodig alle rechtsmiddelen in te stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon wist niet van de zittingen in hoger beroep. De oproepingen voor die zittingen en de uitspraak zijn hem niet (in persoon)  uitgereikt. Litouwen is in een soortgelijk geval veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens schending van het recht op een eerlijk proces (EHRM 12 januari 2016, 42139/08 ( [naam] /Litouwen)).  Er is geen garantie geboden dat de opgeëiste persoon recht heeft op een nieuw proces.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het faxbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 27 februari 2017 roept meer vragen dan dit bericht beantwoordt. Volgens de opgeëiste persoon zijn er in hoger beroep meerdere zittingen geweest. Bij het faxbericht zitten geen onderliggende stukken waaruit de aanwezigheid van de opgeëiste persoon volgt. Het faxbericht noemt niet de datum van de zitting waarop de opgeëiste persoon aanwezig zou zijn geweest. In tegenstelling tot eerdere mededelingen blijkt dat de opgeëiste persoon niet bij de uitspraak aanwezig was. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde om aanvullende gegevens te verzoeken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire verweer niet kan slagen en heeft verzet tegen inwilliging van het subsidiaire verzoek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien de behandeling ter terechtzitting zich over meerdere zittingen heeft uitgestrekt, zoals de opgeëiste persoon heeft gesteld, is niet vereist dat de opgeëiste persoon op al die zittingen in persoon is verschenen (zie bijv. Rb. Amsterdam 24 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:858).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het faxbericht van 27 februari 2017 volgt dat de opgeëiste persoon bij de inhoudelijke behandeling in hoger beroep in persoon is verschenen. De opgeëiste persoon erkent dat hij op een zitting in hoger beroep aanwezig is geweest.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onder deze omstandigheden is de voorwaarde voor toepassing van artikel 12 OLW, te weten dat ‘de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid’, niet vervuld. De opgeëiste persoon heeft immers zijn verdediging kunnen voeren (vgl. Rb. Amsterdam 14 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:838). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bovendien heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn gemachtigde raadsman op de volgende zittingen in hoger beroep namens hem het woord heeft gevoerd. Zo artikel 12 OLW al van toepassing is en zo al sprake is van meerdere zittingen, dan volgt uit de verklaring van de opgeëiste persoon dat zich de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW heeft voorgedaan</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden in Litouwen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onder verwijzing naar: </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- rapporten van het CPT van 27 augustus 2013 en 11 maart 2014;</para>
      <para />
      <para>- EHRM 8 december 2015, 40828/12, 29292/12, 69598/12, 40163/13, 66281/13, 70048/13 en 70065/13 ( [naam] e.a./Litouwen);</para>
      <para />
      <para>- de beslissing van het EHRM in de zaak [naam] /Litouwen van juni 2016 en</para>
      <para />
      <para>- beslissingen van het <emphasis role="italic">High Court of Northern Ireland</emphasis> van <emphasis role="italic">22 februari 2013 ( [naam] ) en het High</emphasis> Court of Justice of England and Wales van 24 februari 2014 (<emphasis role="italic">[naam] v. Minister of Justice, Republic of Lithuania &amp; [naam]</emphasis>), </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>heeft de raadsman primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat een reële kans bestaat dat de opgeëiste persoon in Litouwen zal worden behandeld in strijd met het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: Handvest).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde nadere informatie in te winnen over de gevangenis waarin de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire verweer niet kan slagen en heeft zich verzet tegen inwilliging van het subsidiaire verzoek. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Heeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen dat er <emphasis role="italic">in het algemeen</emphasis> een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin van artikel 4 Handvest, dan moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering <emphasis role="italic">voor de opgeëiste persoon</emphasis> aanwezig is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarbij moet zij zich <emphasis role="italic">allereerst</emphasis> baseren op <emphasis role="italic">objectieve</emphasis>, <emphasis role="italic">betrouwbare</emphasis>, <emphasis role="italic">nauwkeurige</emphasis> en <emphasis role="italic">naar behoren bijgewerkte</emphasis> gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat en uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 ( [naam] en [naam] ), punten 88-89).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het rapport van het CPT van 4 juni 2014, waarin onder meer melding wordt gemaakt van overbevolking in Litouwse gevangenissen, heeft betrekking op een bezoek aan Litouwen in de periode van 27 november 2012 tot 4 december 2012. In het arrest [naam] /Litouwen heeft het EHRM schendingen van artikel 3 EVRM vastgesteld vanwege overbevolking in Litouwse gevangenissen in de periode van 2008 tot en met 2012. De beslissingen van de Britse overleveringsrechters dateren uit 2013 en 2014.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De gegevens die uit dit rapport en uit deze beslissingen blijken, zijn weliswaar verontrustend, maar niet ‘naar behoren bijgewerkt’ (zie bijv. Rb. Amsterdam 23 september 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6014). In dit verband is ook van belang dat het EHRM, onder verwijzing naar de reactie van Litouwen op het CPT-rapport, heeft opgemerkt dat ‘there have been positive developments as regards new legislative measures that have been in force in Lithuania since July 2012 in order to tackle the prison overcrowding issue (…)’, ook al voegt het EHRM daaraan toe dat deze nieuwe wetgeving ‘is yet to bear fruit’ ( [naam] /Litouwen, § 105). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Anders dan de raadsman meent, heeft het EHRM nog geen uitspraak gedaan in de zaak [naam] /Litouwen, maar heeft het EHRM in juni 2016 een hoorzitting gehouden in deze zaak. De klacht in deze zaak heeft betrekking op het verblijf in een ‘secret prison’ in Litouwen van een terrorismeverdachte en zijn ‘rendition’ door Litouwen aan de Verenigde Staten van Amerika. Deze zaak is dus niet relevant voor de beoordeling van de detentieomstandigheden in de onderhavige zaak.      </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over <emphasis role="italic">objectieve</emphasis>, <emphasis role="italic">betrouwbare</emphasis>, <emphasis role="italic">nauwkeurige</emphasis> en <emphasis role="italic">naar behoren bijgewerkte</emphasis> gegevens over de detentieomstandigheden in Litouwen waaruit een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in Litouwse gevangenissen volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling of voor de opgeëiste persoon een dergelijk reëel gevaar bestaat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Klaipėda Regional Court</emphasis> (Litouwen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.C. Enkelaar,			  				                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. J. Edgar en A.K. Glerum,	                         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum,				                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 14 maart 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">C</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>