<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2016:9267</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-01-19T14:23:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751400-16, 16/3497</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2016:9267">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2016:9267</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-01-19T14:21:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2016:9267 Rechtbank Amsterdam , 01-12-2016 / 13.751400-16, 16/3497</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2016:9267:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2016:5206 en C-452/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:858. Het EAB is niet uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van art. 6 lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ en is dus geen ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van art. 1 lid 1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van dat EAB.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2016:9267:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.400-16</para>
      <para>RK nummer: 16/3497</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 1 december 2016 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">            UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 mei 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2014 door <emphasis role="italic">the Swedish National Police Board</emphasis> (Zweden) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1976, </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 juli 2016 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. De raadsman heeft meegedeeld dat de opgeëiste persoon hem uitdrukkelijk heeft gemachtigd om de verdediging te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 26 juli 2016 heeft de rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- besloten om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen over de betekenis van de begrippen ‘rechterlijke beslissing’ (artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ) en ‘rechterlijke autoriteit’ (artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ),</para>
    <para />
    <para>- geoordeeld dat deze beslissing de opschorting van de beslistermijnen van artikel 22 OLW meebrengt en </para>
    <para />
    <para>- het onderzoek onderbroken tot de zitting van 4 augustus 2016 om 11.30 uur, teneinde de officier in de gelegenheid te stellen om - ten behoeve van een zo efficiënt mogelijke prejudiciële procedure - de volgende vragen aan de Zweedse autoriteiten voor te leggen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. Zijn sinds het evaluatieverslag van 2008</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_2ca80c1b-d077-4019-8f47-fbf16c499ec0" />
        <emphasis role="italic"> en de Zweedse reactie daarop van 2011</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_9c382eff-863d-4427-99a1-e9eef5c7ca2d" />
        <emphasis role="italic"> de positionering, structuur en aansturing van the National Police Board en the International Police Cooperation Division gewijzigd en, zo ja, in welk opzicht?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. Zijn the National Police Board en the International Police Cooperation Division onafhankelijk van de uitvoerende macht bij de uitvaardiging van EAB’s?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Op basis van welke criteria en volgens welke procedure beslissen the National Police Board en the International Police Cooperation Division over de uitvaardiging van EAB’s ter tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen?   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 4 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de raadsman van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft op 2 augustus 2016 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 16 augustus 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:5206) heeft de rechtbank prejudiciële vragen  gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij arrest van 10 november 2016 (C-452/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:858) heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het arrest heeft de rechtbank bij beslissing van 11 november 2016 de overleveringsdetentie geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de openbare zitting van 1 december 2016 heeft de rechtbank de behandeling van het EAB voortgezet in tegenwoordigheid van de officieren van justitie mrs. A. Oswald en K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van het volgende <emphasis role="italic">enforceable judgement: sentence pronounced by the Göteborg City Court in Sweden on 21 Dec. 2012, reference B 9380/12.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB, kort gezegd zware mishandeling. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage I aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB is uitgevaardigd door <emphasis role="italic">the Swedish National Police Board</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof van Justitie heeft de prejudiciële vragen als volgt beantwoord:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het begrip „rechterlijke autoriteit” zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, is een autonoom begrip van Unierecht, en dit artikel 6, lid 1, moet aldus worden uitgelegd dat een politiedienst zoals de Rikspolisstyrelse (algemeen bestuur van de rijkspolitie, Zweden) niet onder het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van die bepaling valt, zodat het Europees aanhoudingsbevel dat door deze politiedienst is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, niet kan worden aangemerkt als een „rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van dit antwoord staat vast dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- het onderhavige EAB niet is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus niet door een ‘justitiële autoriteit’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder 1, OLW en artikel 5 OLW;</para>
    <para />
    <para>- het onderhavige EAB niet een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is en dus niet een beslissing van een justitiële autoriteit in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, OLW.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag rijst welk gevolg de rechtbank daaraan dient te verbinden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat een EAB niet is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ en dus geen ‘rechterlijke beslissing’ oplevert, behoort niet tot de in Kaderbesluit 2002/584/JBZ en in de Overleveringswet genoemde weigeringsgronden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het arrest van 10 november 2016 heeft het Hof van Justitie overwogen dat de weigeringsgronden weliswaar limitatief zijn opgenomen in de artikelen 3-4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, maar dat alleen EAB’s in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ ten uitvoer moeten worden gelegd (punten 27-28 van het arrest).  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenuitvoerlegging van het EAB moet dus achterwege blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar Nederlands recht brengt dit mee dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Die vordering heeft immers geen betrekking op een door een rechterlijke/justitiële autoriteit uitgevaardigde rechterlijke/justitiële beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERKLAART</emphasis> het Openbaar Ministerie <emphasis role="bold">NIET-ONTVANKELIJK </emphasis>in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> het – geschorste – bevel tot overleveringsdetentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.P. Kijlstra,			  				                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. C. Klomp en A.J. Dondorp,		                         			rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum,			                                     griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 1 december 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">A</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2ca80c1b-d077-4019-8f47-fbf16c499ec0" label="1">
    <para>
      <emphasis role="italic">Evaluation Report on the Fourth Round of Mutual Evaluations “Practical Application of the</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">European Arrest Warrant and Corresponding Surrender Procedures between Member States”: Report on Sweden</emphasis>, Council Document 9927/1/08 REV 1, p. 9-10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c382eff-863d-4427-99a1-e9eef5c7ca2d" label="2">
    <para>
      <emphasis role="italic">Evaluation report on the fourth round of mutual evaluations “the practical application of the European Arrest Warrant and corresponding surrender procedures between Member States” - Follow-up to Report on Sweden</emphasis>, Council Document 14876/11, p. 2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>