<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2016:371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-04-13T20:43:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751979-15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2016:371">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2016:371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-12T06:48:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2016:371 Rechtbank Amsterdam , 21-01-2016 / 13.751979-15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2016:371:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 49 en 50 OLW. Overdracht in beslag genomen goederen, uitlezen telefoons.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2016:371:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751979-15 </para>
      <para>RK-nummer: 15/7714</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 21 januari 2016   </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering en de aanvulling daarop, dateren van respectievelijk 12 november 2015 en 10 december 2015, en betreffen onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 8 november 2015 door <emphasis role="italic">Der Leitende Oberstaatsanwalt in Neukirchen</emphasis> (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1986, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans gedetineerd in het [detentieadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 januari 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A. Vonken, advocaat te Maastricht en door een tolk in de Duitse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">Haftbefehl </emphasis>dat is uitgevaardigd door het <emphasis role="italic">Amtsgericht Kleve</emphasis> op 8 november 2015 met zaaknummer 10 Gs 1787/15.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Duitsland strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage I aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit dat ziet op de handel in verdovende middelen terwijl daarbij wapens voorhanden zijn waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW gestelde eisen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 30 oktober 2015 heeft overwogen.<footnote-ref linkend="_f7a86fc7-c574-403e-880b-b90cfbe94a69" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Overtreding van artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht moeten worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten. </para>
      <para>De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>De drugs waren bestemd voor de Duitse markt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De drugs werden naar Duitsland gesmokkeld;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De rechtsorde van Duitsland is hierdoor geschaad;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Duitsland heeft door het uitvaardigen van het EAB aangegeven te willen vervolgen. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Duitse autoriteiten en de verdere vervolging in Duitsland de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe is aangevoerd dat de opgeëiste persoon eventueel marihuana in Duitsland in probeerde te voeren, maar dat dit in Nederland werd geïnitieerd. De marihuana was immers in Nederland gekocht. Voorts heeft de opgeëiste persoon ook in Nederland zonder rijbewijs gereden en waren ook in Nederland de wapenstok en het knipmes voorhanden. Daarom zijn de feiten deels op Nederlands grondgebied gepleegd en is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Overdracht van onder de opgeëiste persoon in beslag genomen voorwerpen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen het navolgende betoogd. </para>
      <para>Uit de telefoons zijn door het Openbaar Ministerie gegevens gehaald, de telefoons zijn namelijk uitgelezen. Artikel 49 OLW staat echter geen verdergaande dwangmiddelen toe dan de inbeslagname van de telefoons. Dat betekent dat de verkeerde procedure is gevolgd door de telefoons te laten uitlezen. Op grond van de Overleveringswet kan niet de schriftelijke weergave van de inhoud van in beslag genomen telefoons aan de uitvaardigende justitiële autoriteit worden overgedragen. Aangezien de telefoons intussen aan de opgeëiste persoon zijn geretourneerd, zijn ze niet meer voor overdracht geschikt. De overdracht van de telefoons dient dan ook te worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. Ingevolge artikel 49 OLW kunnen alle goederen die onder een opgeëiste persoon zijn aangetroffen worden overgedragen. De telefoons zijn onder de opgeëiste persoon aangetroffen en in beslag genomen. Het uitlezen van de telefoons, waarbij in feite een kopie van de inhoud is gemaakt (een zogeheten ‘image’) is een praktische oplossing en in het voordeel van de opgeëiste persoon, nu op deze wijze zijn telefoons snel konden worden geretourneerd. Nu het wat de telefoons betreft slechts gaat om een ‘image’ en niet om een analyse van deze gegevens kunnen de in beslag genomen goederen alle, voorzover niet geretourneerd aan de opgeëiste persoon, worden overgedragen. Het betreft de marihuana, de wapenstok, het klapmes en de uitgelezen gegevens van de drie telefoons.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 49, eerste lid, OLW kunnen voorwerpen, aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon, op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit in beslag worden genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 50, eerste lid, OLW beslist de rechtbank bij haar uitspraak over de overlevering tevens over de afgifte dan wel de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen en vermeldt dit in haar uitspraak. (…) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder de reikwijdte van artikel 49 OLW vallen alleen die goederen die in het bezit van de opgeëiste persoon zijn aangetroffen. Daarnaast moeten het goederen betreffen die de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat de drie telefoons onder de opgeëiste persoon in beslag zijn genomen bij zijn aanhouding in Nederland, alsmede dat de Duitse justitiële autoriteit in het EAB onder g) om inbeslagname van de telefoons heeft verzocht. Verder is niet in geschil dat de telefoons, meer precies: de inhoud hiervan, de strafvordering in Duitsland zouden kunnen dienen.      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank zijn de telefoons dan ook conform de vereisten van artikel 49, eerste lid, OLW in beslag genomen en ziet het verweer van de raadsman in essentie op de vraag of het uitlezen van de in beslag genomen telefoons en de eventuele overdracht van een kopie van die gegevens aan de Duitse justitiële autoriteit onder het bereik van de artikelen 49 en 50 OLW vallen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangenomen kan worden dat de achtergrond van het verzoek om de inbeslagname van de telefoons is dat de Duitse justitiële autoriteit onderzoek wil doen naar de gegevens die op de telefoons staan. Naar het oordeel van de rechtbank is het uitlezen niet meer dan het maken van een kopie en kan de kopie met de in het bezit van de opgeëiste persoon aangetroffen telefoons gelijk worden gesteld. De verzochte overdracht van de gemaakte kopieën valt daarmee onder het bereik van de artikelen 49 en 50 OLW. Deze gang van zaken is ook niet anders dan in de gevallen waarin op grond van een rechtshulpverzoek een doorzoeking wordt verricht en computers en/of telefoons worden aangetroffen en in beslag genomen. Ook in die gevallen wordt in de regel verlof gevraagd en verleend teneinde de uitgelezen gegevens te kunnen overdragen aan de justitiële autoriteiten van het land dat het rechtshulpverzoek heeft uitgevaardigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte is gesteld noch gebleken dat de belangen van de opgeëiste persoon, die de telefoons inmiddels heeft teruggekregen, door de handelwijze van het Openbaar Ministerie in de onderhavige situatie zijn geschaad.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer slaagt dan ook niet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 3 en 11 Opiumwet, 5, 107 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 7, 13, 49 en 50 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">Der Leitende Oberstaatsanwalt in Neukirchen</emphasis> (Duitsland) voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit als beschreven in de als bijlage II aan deze uitspraak gehechte beslaglijst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.J. Dondorp,		  					                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. J. Edgar en M. Woerdman,	            	            		 			rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,			                                      griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 21 januari 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f7a86fc7-c574-403e-880b-b90cfbe94a69" label="1">
    <para> Vindplaats: ECLI:NL:RBAMS:2015:7460</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>