<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2015:7663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T18:28:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751.668-15, 15/5193</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:7663">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:7663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-06T08:48:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2015:7663 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2015 / 13.751.668-15, 15/5193</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2015:7663:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executieoverlevering aan Polen. In navolging van hetgeen door de rechtbank is geoordeeld in haar uitspraak van 30 oktober 2015, gepubliceerd onder nummer: ECLI:NL:RBAMS:2015:7460, staat de rechtbank de overlevering toe voor een feit inhoudende het bezit van 0,12 gram hasjiesj</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2015:7663:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.668-15</para>
      <para>RK nummer: 15/5193</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 oktober 2015 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 augustus 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 28 augustus 2008 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Gdansk</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1985, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>thans gedetineerd in het [detentieadres] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 september 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is op 18 september 2015 aangehouden tot 16 oktober 2015, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om aan te tonen, met stukken te onderbouwen, dat hij langer dan vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland verblijft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 12 oktober 2015 heeft de raadsvrouw te kennen gegeven dat de door de opgeëiste persoon overgelegde stukken niet toereikend zijn om voor een gelijkstelling met een Nederlander in aanmerking te komen. Om die reden zal zij geen verweer ex artikel 6, vijfde lid, OLW voeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ter zitting van 18 september 2015 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank de zaak tot 16 oktober 2015 heeft aangehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 16 oktober 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">judgment of the District Court in Gdynia</emphasis> (Polen) uitgevaardigd op 26 mei 2006 (<emphasis role="italic">Reference: IX K 120/06</emphasis>). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW gestelde eisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze eisen is ten aanzien van de feiten 1. tot en met 4. voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en /of valse sleutels, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 5 de overlevering niet kan worden toegestaan. Zij is weliswaar op de hoogte van de recente beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: HvJ</emphasis>) in antwoord op de prejudiciële vraag die door de rechtbank is gesteld in een vergelijkbare zaak, maar desalniettemin moet overlevering voor dit feit worden geweigerd omdat de Overleveringswet nog niet is aangepast. Zou de rechtbank de overlevering ten aanzien van dit feit toch toestaan, dan oordeelt zij <emphasis role="italic">contra legem</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kort weergegeven heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering ook voor feit 5. kan worden toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals ter zitting aan de orde is gesteld, heeft de rechtbank omtrent de verenigbaarheid van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, OLW met het Kaderbesluit EAB (Kaderbesluit 2002/584/JBZ) in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBAMS:2015:5712) een prejudiciële vraag voorgelegd aan het HvJ, welke vraag op 25 september 2015 door het Hof is beantwoord (zaak C-463/15 PPU). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het antwoord van het HvJ volgt dat de Overleveringswet ten aanzien van niet-lijstfeiten alleen de voorwaarde van strafbaarheid naar Nederlands recht mag stellen, niet ook de voorwaarde van een strafbedreiging naar Nederlands recht met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In haar uitspraak van 30 oktober 2015 heeft de rechtbank in de zaak met parketnummer 13.751.509-15 (<emphasis role="italic">voor publicatie aangeboden</emphasis>) de vraag beantwoord of artikel 7, eerste lid, OLW kaderbesluitconform kan worden uitgelegd. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en legt artikel 7, eerste lid, OLW ter zake van niet-lijstfeiten (kort weergegeven) zo uit dat in geval van executieoverlevering niet een voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging in Nederland geldt. Positief geformuleerd brengt deze uitleg mee dat ter zake van niet-lijstfeiten in geval van executieoverlevering in de <emphasis role="italic">uitvaardigende</emphasis> lidstaat een vrijheidssanctie van ten minste vier maanden moet zijn opgelegd en het feit in <emphasis role="italic">Nederland</emphasis> strafbaar moet zijn.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van de uitkomst van voornoemde uitspraak is de rechtbank daarom van oordeel dat in de onderhavige zaak ook de overlevering voor feit 5. (bezit van 0,12 gram hasjiesj) kan worden toegestaan, nu dit feit naar Nederlands recht strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ten aanzien van de feiten 1. tot en met 5. waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 3 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Gdansk</emphasis> (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de feiten 1. tot en met 5..</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,		  				                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.P. Kijlstra en P. Rodenburg,                         				   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,		                              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 30 oktober 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>