<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2015:7460</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T18:19:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751.509-15, 15/4232</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:7460">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:7460</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-10-30T11:43:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2015:7460 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2015 / 13.751.509-15, 15/4232</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2015:7460:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executieoverlevering. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2015:5712. Naar aanleiding van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de prejudiciële vraag, legt de rechtbank artikel 7, eerste lid, OLW kaderbesluitconform uit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2015:7460:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">			       RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.509-15</para>
      <para>RK nummer: 15/4232</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 oktober 2015 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">					UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juni 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2014 door <emphasis role="italic">de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel</emphasis> (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1971, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentie adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 juli 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Arabische taal. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 7 augustus 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde de officier van justitie op de zitting van 18 augustus 2015 in de gelegenheid te stellen haar standpunt ten aanzien van de reikwijdte van artikel 7 OLW in het licht van Kaderbesluit 2002/584/JBZ nader toe te lichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 18 augustus 2015 zijn gehoord de officieren van justitie, mr. R.A. Bosman en mr. K. van der Schaft, alsmede de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw mr. L. Huigsloot, advocaat te Rotterdam, die heeft waargenomen voor de raadsman van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Arabische taal. Op deze zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op die zitting hebben partijen ermee ingestemd dat, indien de rechtbank overgaat tot het stellen van een prejudiciële vraag:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- de rechtbank het concept van de prejudiciële vraag per e-mail aan hen voorlegt;</para>
    <para />
    <para>- zij de gelegenheid krijgen om daarop per e-mail te reageren;</para>
    <para />
    <para>- de rechtbank vervolgens, zonder nadere zitting het onderzoek sluit en tussenuitspraak doet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mail van 19 augustus 2015 heeft de rechtbank de raadsman en de officier van justitie laten weten dat zij inderdaad overgaat tot het stellen van een prejudiciële vraag. Bij e-mail van 20 augustus 2015 heeft de rechtbank het concept van de prejudiciële vraag aan partijen voorgelegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de reacties van partijen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 2 september 2015 het onderzoek gesloten en heeft bij tussenuitspraak van diezelfde datum (ECLI:NL:RBAMS:2015:5712) het onderzoek heropend en geschorst, teneinde een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Op diezelfde dag is de prejudiciële vraag ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 25 september 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie die prejudiciële vraag beantwoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mail van 12 oktober 2015 heeft de rechtbank onder de aandacht van partijen gebracht dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- zij op de zitting van 16 oktober 2015 zal onderzoeken of zij artikel 7 OLW kaderbesluitconform kan uitleggen zonder dat zo een uitleg een uitleg <emphasis role="italic">contra legem</emphasis> oplevert;</para>
    <para />
    <para>- daarbij aandachtspunt zal zijn de mogelijkheid van een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW en </para>
    <para />
    <para>- bij die uitleg mogelijk ook de artikelen 2 en 28 OLW van belang zijn. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 16 oktober 2015 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door mr. L. Huigsloot, advocaat te Rotterdam – die heeft waargenomen voor de raadsman van de opgeëiste persoon – en door een tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de heropening en schorsing van het onderzoek op 2 september 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen is op 20 september 2015 verstreken. De rechtbank heeft deze termijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met onbepaalde tijd verlengd.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting zal sluiten en, met voorafgaande kennisgeving, meteen uitspraak zal doen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon is niet een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een uitvoerbaar vonnis, te weten het <emphasis role="italic">vonnis uitgesproken op 7 oktober 2014 door de 43e correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel, referentienummer: BR.30.LL.25935/13</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis betreft de drie feiten zoals die zijn beschreven in de tussenuitspraak van 2 september 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:5712).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dat vonnis heeft geleid en terwijl zich niet één van de in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- ( (i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en</para>
    <para />
    <para>- ( (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als de betrokken persoon overgeleverd wordt aan de Belgische autoriteiten, zal hij in verzet kunnen komen tegen het verstekvonnis. Het gaat om een gewoon rechtsmiddel van herroeping. Het verzet heeft tot doel de zaak opnieuw voor de rechter te brengen die bij verstek geoordeeld heeft om een onderzoek op tegenspraak te bekomen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De e-mail van de substituut-procureur des Konings van 23 juli 2015 houdt onder meer het volgende in:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik kan u natuurlijk bevestigen dat [opgeëiste persoon] een verzet kan aantekenen tegen het vonnis van 7 oktober 2014 van de correctionele rechtbank van Brussel zodra hij in België aankomt. Eens dit verzet aangetekend krijgt de [opgeëiste persoon] een nieuwe proces voor dezelfde correctionele rechtbank van Brussel</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank voldoet een en ander aan de eisen van artikel 12, aanhef en onder d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond dus niet van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Relevante bepalingen</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.1.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kaderbesluit 2002/584/JBZ</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 2 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Artikel 2</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="bold">	Toepassingsgebied van het Europees aanhoudingsbevel</emphasis>
          </para>
          <para>	1. Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten</para>
          <para>	die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een</para>
          <para>	vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een</para>
          <para>	maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel</para>
          <para>	is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier</para>
          <para>	maanden.</para>
          <para>	2. Tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel kunnen</para>
          <para>	leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de</para>
          <para>	dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in</para>
          <para>	de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming</para>
          <para>	strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals</para>
          <para>	omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	4. Ten aanzien van andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare</para>
          <para>	feiten kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het</para>
          <para>	Europees aanhoudingsbevel berust op een naar het recht van de uitvoerende</para>
          <para>	lidstaat strafbaar feit, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 4, punt 1, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Artikel 4</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="bold">	Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging</emphasis>
          </para>
          <para>	De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees</para>
          <para>	aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:</para>
          <para>	1) in een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen is het feit dat aan het</para>
          <para>	Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt naar het recht van de</para>
          <para>	uitvoerende lidstaat niet strafbaar (…)</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, luidt als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Artikel 8</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="bold">	Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel</emphasis>
          </para>
          <para>1. In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>f) de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">De Overleveringswet</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 2 OLW luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 2</para>
          <para>1. Een Europees aanhoudingsbevel kan slechts worden afgegeven wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld of indien een straf of maatregel is opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden.</para>
          <para>2. Een Europees aanhoudingsbevel wordt volgens het in bijlage 2 bij deze wet opgenomen model opgemaakt en dient in elk geval de volgende gegevens te bevatten:</para>
          <para>		(…)</para>
          <para>f. de opgelegde straf of maatregel, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafbedreiging;</para>
          <para>		(…)</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 7, eerste lid, OLW luidt als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 7</para>
          <para>	1. Overlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:</para>
          <para>a. een door autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit schuldig heeft gemaakt aan:</para>
          <para>1º. een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat benoemd strafbaar feit dat tevens op de in bijlage 1 bij deze wet behorende lijst staat vermeld, waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld; of</para>
          <para>2º. een ander feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld;</para>
          <para>b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een feit als onder 1° of 2° bedoeld.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 28, tweede lid, luidt als volgt:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>	Artikel 28</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>2. Bevindt de rechtbank, hetzij dat het Europees aanhoudingsbevel niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, hetzij dat de overlevering niet kan worden toegestaan, hetzij dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, dan weigert zij bij haar uitspraak de overlevering.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In haar tussenuitspraak van 2 september 2015 heeft de rechtbank in het midden gelaten of het EAB dient te worden opgevat als strekkende tot vervolgings- dan wel executieoverlevering. De rechtbank overweegt daaromtrent thans dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd bij een uitvoerbaar vonnis. Het EAB strekt met andere woorden tot executieoverlevering. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon in België nog het recht heeft om verzet aan te tekenen tegen het uitvoerbare verstekvonnis doet daaraan niet af. Van toepassing is derhalve het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW ter zake van executieoverlevering gestelde vereiste. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen van de drie aan het EAB ten grondslag liggende feiten aangeduid als strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – de zogenoemde lijstfeiten – die <emphasis role="italic">zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid</emphasis> tot overlevering kunnen leiden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alle feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar, maar op één van de drie feiten is naar Nederlands recht alleen een geldboete gesteld. Volgens de uitleg die de rechtbank tot nog toe aan artikel 7, eerste lid, OLW heeft gegeven, zou de rechtbank de overlevering voor dit feit moeten weigeren, omdat daarop in Nederland niet een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Om vast te stellen of artikel 7, eerste lid, OLW op dit punt in overeenstemming is met Kaderbesluit 2002/584/JBZ heeft de rechtbank een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij beschikking van 25 september 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag als volgt beantwoord:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">23 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 in die zin moeten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat voor de overlevering op basis</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat niet alleen de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	voorwaarde wordt gesteld dat het feit waarvoor het aanhoudingsbevel is</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	uitgevaardigd strafbaar is naar het recht van die lidstaat, maar ook dat dit feit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	volgens het recht van deze uitvoerende lidstaat kan worden bestraft met een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	24 In dat verband moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 4, punt 1, van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	kaderbesluit 2002/584 de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	van het Europees aanhoudingsbevel kan weigeren indien in een van de in artikel 2,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	lid 4, van dat kaderbesluit bedoelde gevallen het feit dat aan het Europees</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, naar het recht van de uitvoerende lidstaat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	niet strafbaar is. Dat artikel 2, lid 4, preciseert dat deze mogelijkheid ziet op</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten, ongeacht de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	bestanddelen of de kwalificatie ervan.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	25 Die mogelijkheid om de tenuitvoerlegging te weigeren is bijgevolg beperkt tot het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	geval waarin een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op een feit dat niet</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	op de lijst in artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 staat en dat naar het recht</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	van de uitvoerende lidstaat geen strafbaar feit oplevert.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	26 Daar het dragen van een verboden wapen, dat een van de feiten is waarop het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	hoofdgeding betrekking heeft, volgens de verwijzende rechter naar Nederlands</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	recht een strafbaar feit vormt, moet worden vastgesteld dat de weigering om een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	daarop betrekking hebbend Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen niet</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	onder het uitdrukkelijk in de artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	2002/584 voorziene geval valt.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	27 Overigens bieden noch de artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	2002/584 noch enige andere bepaling daarvan de mogelijkheid zich te verzetten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	tegen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat betrekking</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	heeft op een feit dat in de uitvoerende lidstaat weliswaar strafbaar is maar daar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	niet met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	wordt bestraft.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	28 Voor deze vaststelling is steun te vinden in de algemene opzet van kaderbesluit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	2002/584 en in de doelen ervan.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	29 Blijkens de eerste twee leden van artikel 2, berust dat kaderbesluit, wat de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	strafbare feiten betreft waarvoor een Europees aanhoudingsbevel kan worden</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	uitgevaardigd, immers op de strafmaat die van toepassing is in de lidstaat die het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	bevel heeft uitgevaardigd (zie in die zin arrest Advocaten voor de Wereld,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	C-303/05, EU:C:2007:261, punt 52). Dat komt omdat de strafvervolging of de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel met het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	oog waarop een dergelijk bevel is uitgevaardigd, plaatsvindt overeenkomstig de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	regels van die lidstaat.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	30 Anders dan het uitleveringsstelsel, dat bij kaderbesluit 2002/584 is afgeschaft en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	houdt het kaderbesluit geen rekening meer met de maat van de in de uitvoerende</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	lidstaten toepasselijke sancties. Dat strookt met het belangrijkste doel van dit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	kaderbesluit, bedoeld in overweging 5 ervan, een vrij verkeer van beslissingen in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	strafzaken te verzekeren in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	31 Uit een en ander volgt dat de artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van kaderbesluit</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	2002/584 in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	voor de overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel in de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	uitvoerende lidstaat niet alleen de voorwaarde wordt gesteld dat het feit waarvoor</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd strafbaar is naar het recht van die lidstaat,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	maar ook dat dit feit volgens het recht van deze uitvoerende lidstaat kan worden</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden.</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_8eda651e-2329-47ac-9642-c7906b9b6e42" />
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het antwoord volgt dat de Overleveringswet ten aanzien van niet-lijstfeiten alleen de voorwaarde van strafbaarheid naar Nederlands recht mag stellen, niet ook de voorwaarde van een strafbedreiging naar Nederlands recht met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is verder van oordeel dat de Overleveringswet in geval van <emphasis role="italic">executie</emphasis>overlevering ter zake van niet-lijstfeiten niet de voorwaarde mag stellen van een strafbedreiging naar het recht van de <emphasis role="italic">uitvaardigende</emphasis> lidstaat met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden. Zij leidt dit af uit de bewoordingen van artikel 2, eerste lid, en van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, die de strafbedreiging naar het recht van de uitvaardigende lidstaat en de opgelegde straf als <emphasis role="italic">alternatieve</emphasis> voorwaarden presenteren, al naar gelang sprake is van vervolgings- of executieoverlevering. Uit de genoemde bepalingen blijkt immers dat in geval van <emphasis role="italic">vervolgings</emphasis>overlevering de voorwaarde geldt dat het recht van de uitvaardigende lidstaat het feit strafbaar stelt met een vrijheidssanctie met een maximum van ten minste twaalf maanden en in geval van <emphasis role="italic">executie</emphasis>overlevering alleen de voorwaarde dat een vrijheidssanctie met een duur van ten minste vier maanden is opgelegd. Deze uitleg, die een afwijking van het uitleveringsrecht oplevert – zie artikel 5, eerste lid, van de Uitleveringswet en artikel 2, eerste lid, van het Europees verdrag betreffende uitlevering – strookt met de belangrijkste doelstelling van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, te weten het verzekeren van een vrij verkeer van beslissingen in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Deze uitleg vindt tevens steun in de punten 29 en 30 van de beschikking van het Hof.    </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van het voorgaande moet de rechtbank onderzoeken of zij artikel 7, eerste lid, OLW kaderbesluitconform kan uitleggen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Kaderbesluitconforme uitleg</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.3.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat:</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>- of hier nu sprake is van een vervolgings- of executieoverlevering Nederland niet de voorwaarde mag stellen van een strafbedreiging in Nederland met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden;</para>
        <para />
        <para>- een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW mogelijk is en dat die uitleg niet <emphasis role="italic">contra legem</emphasis> is; </para>
        <para />
        <para>- die uitleg gevolgen heeft voor de uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW;</para>
        <para />
        <para>- Nederland in geval van executieoverlevering ter zake van een niet-lijstfeit niet de voorwaarde mag stellen van een strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden; </para>
        <para />
        <para>- ook op dit punt een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW mogelijk is die niet <emphasis role="italic">contra legem</emphasis> is.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw heeft op dit punt niets aangevoerd.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank artikel 7, eerste lid, OLW kaderbesluitconform kan uitleggen, gelden de volgende algemene uitgangspunten:</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>- de rechtbank moet de Overleveringswet zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken;</para>
        <para />
        <para>- de verplichting tot kaderbesluitconforme uitleg wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen en deze verplichting kan niet dienen als grondslag voor een uitleg <emphasis role="italic">contra legem</emphasis> van het nationale recht;  </para>
        <para />
        <para>- de rechtbank moet binnen haar bevoegdheden, met inachtneming van het gehele nationale recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doen om de volle werking van Kaderbesluit 2002/584/JBZ te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling;</para>
        <para />
        <para>- de nationale wetgever wordt geacht Kaderbesluit 2002/584/JBZ correct te hebben willen omzetten in het nationale recht.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft bedoeld dat voor executieoverlevering ter zake van niet-lijstfeiten de voorwaarde geldt dat het feit zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar het recht van Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden en ook in de veronderstelling verkeerde dat geen sprake is van strijd met het kaderbesluit (<emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2003/04, 29042, 12, p. 12;<emphasis role="italic"> Kamerstukken I</emphasis> 2003/04, 29042, C, p. 11 en <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2008/09, 23490, 545, p. 3). Uit de algemene uitgangspunten volgt dat deze bedoeling van de wetgever niet in de weg kan staan aan een kaderbesluitconforme uitleg. Bovendien berust zijn bedoeling op een veronderstelling die in het licht van de beschikking van het Hof niet houdbaar is.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Het Openbaar Ministerie heeft voorgesteld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, OLW de woorden “in de uitvaardigende lidstaat” in te lezen, zodat de laatste zinsnede van die bepaling als volgt zou luiden: “waarop <emphasis role="italic">in de uitvaardigende lidstaat</emphasis> een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld”. Naar het oordeel van de rechtbank voorkomt deze lezing inderdaad dat in geval van <emphasis role="italic">vervolgings</emphasis>overlevering ter zake van niet-lijstfeiten een voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging naar Nederlands recht geldt en is deze lezing niet <emphasis role="italic">contra legem</emphasis>. De rechtbank kan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW echter niet los van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW uitleggen. Bovendien ontkomt de rechtbank niet aan het geven van een uitleg aan artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW, nu het onderhavige EAB strekt tot <emphasis role="italic">executie</emphasis>overlevering. De lezing van de officier van justitie roept in dit verband een probleem op. Aangezien artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW voor wat betreft de voorwaarden voor executieoverlevering verwijst naar artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, OLW, zou bij deze lezing artikel 7 OLW in geval van <emphasis role="italic">executie</emphasis>overlevering ter zake van een niet-lijstfeit de voorwaarde stellen dat op dit feit naar het recht van de <emphasis role="italic">uitvaardigende</emphasis> lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Deze voorwaarde is echter, zoals hiervoor onder 5.2 overwogen, in strijd met Kaderbesluit 2002/584/JBZ. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank ziet evenwel ruimte voor een uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW die dit gevolg voorkomt, die kaderbesluitconform en niet <emphasis role="italic">contra legem</emphasis> is en die de weg opent voor een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, OLW.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij de uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW moet de rechtbank namelijk niet alleen acht slaan op de formulering van deze individuele bepaling, maar, gelet op de hiervoor genoemde algemene uitgangspunten, ook op de systematiek van de Overleveringswet waarin deze bepaling is opgenomen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>In dit verband wijst de rechtbank op artikel 2, eerste lid, OLW dat – in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – bepaalt dat een EAB kan worden uitgevaardigd voor feiten die naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidssanctie met een maximum van ten minste twaalf maanden <emphasis role="italic">of</emphasis>  indien een straf of maatregel is opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden. Deze bepaling omschrijft dus <emphasis role="italic">alternatieve</emphasis> voorwaarden.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Hetzelfde geldt voor artikel 2, tweede lid, aanhef en onder f, OLW, dat – in overeenstemming met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – bepaalt dat een EAB moet vermelden <emphasis role="italic">hetzij</emphasis> de opgelegde straf of maatregel <emphasis role="italic">hetzij</emphasis> de strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit artikel 28, tweede lid, OLW volgt dat de rechtbank bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de overlevering rekening moet houden zowel met artikel 2 OLW als met artikel 7 OLW.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Tegen de achtergrond van artikel 2 OLW en artikel 28 OLW brengt een <emphasis role="italic">wetssystematische</emphasis> uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW mee, dat in geval van executieoverlevering ter zake van een niet-lijstfeit <emphasis role="italic">niet</emphasis> de voorwaarde van een strafbedreiging in de uitvaardigende lidstaat met een vrijheidsstraf met een strafmaximum van ten minste twaalf maanden geldt. Bij deze uitleg prevaleert de systematiek van de Overleveringswet boven de formulering van een individuele bepaling van die wet. Deze uitleg is dan ook niet <emphasis role="italic">contra legem</emphasis>.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Bij deze uitleg is ook een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW (vervolgingsoverlevering) mogelijk, in die zin dat de voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging alleen geldt voor de strafbedreiging in de <emphasis role="italic">uitvaardigende</emphasis> lidstaat.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Resumerend legt de rechtbank artikel 7, eerste lid, OLW ter zake van niet-lijstfeiten zo uit, dat:</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>- in geval van executieoverlevering <emphasis role="italic">niet</emphasis> een voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging in de <emphasis role="italic">uitvaardigende</emphasis> lidstaat geldt en</para>
        <para />
        <para>- in geval van executie- en vervolgingsoverlevering <emphasis role="italic">niet</emphasis> een voorwaarde inzake de hoogte van de strafbedreiging in <emphasis role="italic">Nederland</emphasis> geldt.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Positief geformuleerd brengt deze uitleg mee, dat ter zake van niet-lijstfeiten:</para>
        </parablock>
        <para />
        <para>- in geval van <emphasis role="italic">vervolgings</emphasis>overlevering het feit in de <emphasis role="italic">uitvaardigende </emphasis>lidstaat strafbaar moet zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden en het feit in<emphasis role="italic"> Nederland</emphasis> strafbaar moet zijn;</para>
        <para />
        <para>- in geval van <emphasis role="italic">executie</emphasis>overlevering in de <emphasis role="italic">uitvaardigende</emphasis> lidstaat een vrijheidssanctie van ten minste vier maanden moet zijn opgelegd en het feit in<emphasis role="italic"> Nederland</emphasis> strafbaar moet zijn.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De drie strafbare feiten voldoen aan de eisen van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 27 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel</emphasis> (België) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.P. Kijlstra,  				           				              voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.J. Dondorp en C.A.E. Wijnker,                                        		              rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum,		                       		              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 30 oktober 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">A</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8eda651e-2329-47ac-9642-c7906b9b6e42" label="1">
    <para> HvJ EU 25 september 2015, C-463/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:634 (A.).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>