<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2015:5194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T11:58:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-08-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751509-15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:5194">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:5194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-08-13T08:47:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2015:5194 Rechtbank Amsterdam , 07-08-2015 / 13/751509-15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2015:5194:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak.</para>
      <para />
      <para>Standpunt officier van justitie: artikel 7 OLW biedt de ruimte om over te leveren voor een feit dat naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert, waarop een strafbedreiging van minder dan twaalf maanden gevangenisstraf is gesteld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Rechtbank:</para>
        <para>Tot nu toe heeft de rechtbank artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zo gelezen dat daarin een eis van strafbedreiging van twaalf maanden in Nederland voorkomt.</para>
        <para>De rechtbank kan niet uitsluiten dat het standpunt van de officier van justitie leidt tot de noodzaak om prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie te stellen. Om dit te beoordelen is het gewenst dat de officier van justitie de gelegenheid krijgt haar standpunt nader toe te lichten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>De rechtbank heropent daartoe het onderzoek.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2015:5194:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">		                    RECHTBANK AMSTERDAM	</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">		      INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751509-15</para>
      <para>RK nummer: 15/4232</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 augustus 2015 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juni 2015 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2014 door de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel, België, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] , Marokko, op [geboortedag 1971] , </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>uit anderen hoofde gedetineerd in het Detentiecentrum te [plaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 juli 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Arabische taal. De raadsman heeft verklaard geen beletselen tegen de overlevering te zien. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis, uitgesproken op 7 oktober 2014 door de 43e correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel.</para>
      <para>Referentienummer; BR.30.LL.25935/13.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de drie feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld, met uitzondering van  het derde onder EII genoemde feit ‘<emphasis role="italic">dragen van verboden wapen’</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de feitsomschrijving blijkt dat met dit ‘wapen’ alleen maar kan zijn bedoeld het glas dat de opgeëiste persoon zou hebben gebroken en waarmee hij aan het slachtoffer slagen heeft toegediend.</para>
      <para>Onder omstandigheden zou een glas kunnen worden beschouwd als een ‘voorwerp waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden waaronder het wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het is bestemd om letsel aan personen toe te brengen’. Als zodanig valt het in categorie IV onder 7e van de Wet wapens en munitie.<?linebreak?>Artikel 27, eerste lid Wet wapens en munitie verbiedt het dragen van een wapen van deze categorie.</para>
      <para>Artikel 54 van deze wet bepaalt dat handelen in strijd met artikel 27, eerste lid Wet wapens en munitie gestraft wordt met een geldboete van de derde categorie. Het feit wordt naar Nederlands recht als een overtreding aangemerkt en niet als een misdrijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat de overlevering ten aanzien van alle drie in het EAB aangeduide feiten wordt toegestaan, dus ook het feit dat aangeduid is als ‘dragen van verboden wapen’. Haars inziens biedt artikel 7 OLW de ruimte om over te leveren voor een feit dat naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert, waarop een strafbedreiging van minder dan twaalf maanden gevangenisstraf is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank begrijpt dat de officier van justitie met haar standpunt heeft teruggegrepen op de bewoordingen van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, dat in artikel 2, eerste lid bepaalt dat een EAB kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de <emphasis role="italic">uitvaardigende</emphasis> lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van tenminste twaalf maanden, terwijl artikel 2, vierde lid bepaalt dat de overlevering afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat het EAB berust op een naar het recht van de <emphasis role="italic">uitvoerende</emphasis> lidstaat strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het kaderbesluit laat niet – met zoveel woorden – de mogelijkheid open dat de uitvoerende lidstaat de eis stelt van een strafbedreiging met een vrijheidssanctie met een maximum van ten minste twaalf maanden.</para>
      <para>Tot nu toe heeft de rechtbank artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zo gelezen dat daarin een eis van strafbedreiging van twaalf maanden in Nederland voorkomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat op 7 augustus 2015 uitspraak zal worden gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens het overleg in raadkamer heeft de rechtbank vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank kan niet uitsluiten dat het standpunt dat de officier van justitie heeft ingenomen leidt tot de noodzaak om prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie te stellen. Om dit te beoordelen is het gewenst dat de officier van justitie de gelegenheid krijgt haar standpunt nader toe te lichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarom zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen tot de zitting van 18 augustus 2015, 14.30 uur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Heropent en schorst het onderzoek ter zitting tot <emphasis role="bold">18 augustus 2015, 14.30 uur</emphasis>, teneinde op die zitting de officier van justitie in de gelegenheid te stellen haar standpunt ten aanzien van de reikwijdte van artikel 7 OLW in het licht van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ nader toe te lichten. De rechtbank verzoekt de officier van justitie deze toelichting schriftelijk en voorafgaande aan de zitting aan de rechtbank en de raadsman ter beschikking te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman zal uiteraard in de gelegenheid worden gesteld op het standpunt van het openbaar Ministerie te reageren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op 18 augustus 2015,14.30 uur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de oproeping van opgeëiste persoon tegen deze datum en tijdstip met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman mr. A.C. Bosch te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de oproeping van een tolk in de Arabische taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.C. Enkelaar,  				           				              voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.P. Kijlstra en R.L.W. Koopmans,                                        		              rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                       		              griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 7 augustus 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>