<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2014:7951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T08:44:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-13-559621 - HA ZA 14-191</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2014-2882</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2014120211</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:7951">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:7951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-25T15:06:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2014:7951 Rechtbank Amsterdam , 26-11-2014 / C-13-559621 - HA ZA 14-191</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2014:7951:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenvonnis. Beroepsaansprakelijkheid accountant/belastingadviseur. Verwezen voor de rol voor akte uitlating schade.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2014:7951:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a71d1a1e-4ace-4cb6-8fb8-83490c7960ab" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5d764682-b503-4882-9d02-2a4c833b1291" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/13/559621 / HA ZA 14-191</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 26 november 2014</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [eiser 1],</title>
    <para>2.	<emphasis role="bold">[eiser 2]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>beiden wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>advocaat mr. A.L.C.M. Oomen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de naamloze vennootschap </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">PRICEWATERHOUSE COOPERS BELASTINGADVISEURS N.V.</emphasis>,</para>
    <para>2. de naamloze vennootschap </para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">PRICEWATERHOUSE COOPERS ACCOUNTANTS N.V.</emphasis>,</para>
      <para>beide gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat mr. J.W. van Rijswijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers gezamenlijk]worden genoemd en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2]. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid met PWC. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 28 mei 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van comparitie van 2 september 2014, met de daarin vermelde stukken.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk]heeft een praktijk voor plastische chirurgie gevoerd met vestigingen in [vestiging 1] (hierna: de praktijk) en [vestiging 2] (hierna: de vestiging in [vestiging 2]). De praktijk werd aanvankelijk gevoerd in de vorm van een maatschap waarvan [eisers gezamenlijk]de maten waren. [eiser 1] voerde de operaties uit en [eiser 2] verzorgde de organisatie van de praktijk. De facturen van de praktijk zijn deels contant en deels bancair betaald.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>PWC heeft in opdracht van [eisers gezamenlijk]diensten verricht waaronder het opstellen van resultatenrekeningen en de balansen van de praktijk, het opstellen van de jaarrekeningen van de praktijk over 2001 tot en met 2003 en het indienen van de aangiften Inkomstenbelasting over voornoemde jaren voor [eisers gezamenlijk]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 21 september 2004 heeft de Belastingdienst aangekondigd ten aanzien van de praktijk een boekenonderzoek te zullen verrichten, met welk onderzoek hij op 14 oktober 2005 is aangevangen. Bij brief van 15 augustus 2005 heeft de Belastingdienst aan PWC bericht dat het onderzoek betrekking heeft op de aangifte Inkomstenbelasting over 2001 van [eisers gezamenlijk]en dat het onderzoek meerdere dagen in beslag kon nemen. Het onderzoek heeft zich uiteindelijk uitgestrekt tot een boekenonderzoek over de jaren 2001 tot en met 2003. Op 30 januari 2007 zond de Belastingdienst het concept van het rapport toe. Op 27 april 2007 heeft een slotbespreking met de Belastingdienst plaatsgevonden waarbij namens PWC aanwezig waren [naam 1] (hierna: [naam 1]) en [naam 2] (hierna: [naam 2]). Namens [eisers gezamenlijk]waren aanwezig hun adviseurs [belastingadviseur] (belastingadviseur) en [management consultant] (management consultant). Tijdens deze slotbespreking is over op één na alle onderwerpen overeenstemming (een compromis) bereikt. Over de toepasselijkheid van de fiscale zelfstandigenaftrek voor [eiser 2] is namens [eisers gezamenlijk]besloten een procedure te starten bij de belastingrechter. Op 11 mei 2007 heeft de Belastingdienst het finale rapport inzake het boekenonderzoek afgegeven waarin onder meer staat:</para>
        <para>	"(…)</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.5.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Niet voldoen aan de administratieplicht en bewaarplicht (artikel 52 	Algemene wet inzake rijksbelastingen)</emphasis>
          </para>
          <para>In de administratie heb ik een aantal gebreken aangetroffen, waardoor ik van mening ben 	dat belastingplichtigen niet voldoen aan artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen 	(hierna AWR). (…)	</para>
          <para>	(…)</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Activa</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>3.1.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Pand [adres]</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="bold">	3.1.1.1 	Aanschaf</emphasis>
          </para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Het pand is op 1 december 1999 aangeschaft en in de hierop volgende jaren verbouwd. 	Momenteel staan het pand en ondergrond voor 16/100 (15,23%) deel op de balans. In 	compromis is overeengekomen het pand naar gebruik te etiketteren op 45% privé en 55% 	zakelijk. De aanschafwaarde van het pand inclusief ondergrond is f. 780.000 / € 353.949 en 	dient per 1-12-1999 datum voor 55% op de balans te worden geactiveerd.  </para>
          <para>	(…)</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">3.1.1.3	Aanschafwaarde investeringen 2000</emphasis>
          </para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Compromis etikettering 2000</para>
          <para>	Over de etikettering van het pand is het volgende overeengekomen:</para>
          <para>	- 	de privé-elementen, (…) worden uit de investeringen/afschrijvingen gefilterd. 	(…)</para>
          <para>	-	Het restant wordt geëtiketteerd voor 55% zakelijk en 45% privé.	</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Activering van de verbouwingskosten</para>
          <para>	De verbouwingskosten dienen voor 55% op de balans geactiveerd te worden. De 	balanswaarde daalt met het privé-element en het privé-deel van 45%.</para>
          <para>	Correctie, lagere activa			f. 195.643</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Correctie, minder investeringsaftrek 2000	f. 12.984</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Correctie 2000, minder afschrijvingskosten	f. 15.245	</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">3.1.1.4 Aanschafwaarde investeringen 2001</emphasis>
          </para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Compromis etikettering</para>
          <para>	Over de etikettering van het pand is het volgende overeengekomen:</para>
          <para>		-	de privé-elementen, zoals de keuken en de badkamer, worden uit de 				investeringen/afschrijvingen gefilterd. </para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		-	Het restant wordt geëtiketteerd voor 55% zakelijk en 45% privé. </para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Activering van de verbouwingskosten</para>
          <para>		De verbouwingskosten dienen voor 55% op de balans geactiveerd te worden. De 			balanswaarde daalt met het privé-element en het privé-deel van 45%. </para>
          <para>		Correctie, lagere activa			f. 222.940</para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Correctie, minder investeringsaftrek 2001	f. 4.403 / € 1.998</para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Correctie 2001, minder afschrijvingskosten	f. 41.905		</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">3.1.1.5 Aanschafwaarde investeringen 2002</emphasis>
          </para>
          <para>	(…)</para>
          <para>Compromis etikettering</para>
          <para>	Over de etikettering van het pand is het volgende overeengekomen:</para>
          <para>		-	de privé-elementen, zoals de keuken en de badkamer, worden uit de 				investeringen/afschrijvingen gefilterd. </para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		-	Het restant wordt geëtiketteerd voor 55% zakelijk en 45% privé. </para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Activering van de verbouwingskosten</para>
          <para>		De verbouwingskosten dienen voor 55% op de balans geactiveerd te worden. De 			balanswaarde daalt met het privé-element en het privé-deel van 45%. </para>
          <para>		Correctie, lagere activa			€ 114.570</para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Correctie, minder investeringsaftrek 2002	€ 2.162</para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Correctie 2002, minder afschrijvingskosten	€ 22.662	</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">3.1.1.6 Aanschafwaarde investeringen 2003</emphasis>
          </para>
          <para>	(…)</para>
          <para>Compromis etikettering</para>
          <para>	Over de etikettering van het pand is het volgende overeengekomen:</para>
          <para>		-	de privé-elementen, zoals de keuken en de badkamer, worden uit de 				investeringen/afschrijvingen gefilterd. </para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		-	Het restant wordt geëtiketteerd voor 55% zakelijk en 45% privé. </para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Activering van de verbouwingskosten</para>
          <para>		De verbouwingskosten dienen voor 55% op de balans geactiveerd te worden. De 			balanswaarde daalt met het privé-element en het privé-deel van 45%. </para>
          <para>		Correctie, lagere activa			€ 116.515</para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Correctie, minder investeringsaftrek 2003	€ 270</para>
          <para>		(…)</para>
          <para>		Correctie 2003, minder afschrijvingskosten	€ 22.791</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">3.1.1.7 Hypotheek</emphasis>
          </para>
          <para>(…)</para>
          <para>	De etikettering van het pand heeft gevolgen voor de kwalificatie van de hypotheek. De 	hypotheek is ook voor het 55% zakelijk deel verplicht ondernemingsvermogen. De 	verdeelsleutel 55% zakelijk en 45% privé is na aftrek van het privé-element. </para>
          <para>	(…)</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Fiscale winst</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Omzet</emphasis>
        </para>
        <para>	[naam 1] van Price Waterhouse Coopers neemt de schuld op zich voor de niet in de 	jaarcijfers verantwoorde kasomzet. De omissies wijt [naam 1] aan kort op elkaar 	volgende wijzigingen van het team dat bij PWC de administratieve zaken van [eiser 1] en [eiser 2] behandelt en verklaart geen reden te hebben aan te nemen 	dat [eiser 1] en [eiser 2] omzetfacturen hebben onthouden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Aansluiting 2001</emphasis>
          </para>
          <para>De jaarstukken 2001 sluiten niet aan bij de administratie.</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Correctie meer omzet 2001 		f. 68.119 / € 30.911</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Aansluiting 2002 </emphasis>
          </para>
          <para>	De jaarstukken 2002 sluiten niet aan bij de administratie. </para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Correctie meer omzet 2002 		€ 53.471</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Aansluiting 2003</emphasis>
          </para>
          <para>	De jaarstukken 2003 sluiten niet aan bij de administratie.</para>
          <para>	(…)</para>
          <para>	Correctie meer omzet 2003		€ 54.691</para>
          <para>	(…)<?linebreak?><?linebreak?><emphasis role="bold">4.1.4	Ontbreken factuurnummers leidt tot controle patiëntenadministratie</emphasis></para>
          <para>Aan belastingplichtigen is uitgelegd dat zij door de huidige wijze van administreren het 	risico lopen dat niet alle kasontvangsten verantwoord worden. Dit wordt veroorzaakt door 	aan de ene zijde de enigszins onsystematische werkwijze bij het toekennen van 	factuurnummers bij het uitschrijven van de facturen, waardoor gebreken ontstaan in de op 	een volgende nummering. In 2002 ontbraken 51 factuurnummers, 14 zijn in de 	administratie van 2003 aangetroffen. Er zijn nu nog 37 ontbrekende nummers in 2002 en er 	ontbreken 44 factuurnummers in 2003. En aan de andere zijde worden geen kasontvangsten 	bijgehouden en zijn alleen de bankontvangsten te traceren via de bankafschriften. 	Aanvullend feit is dat de afsprakenboeken zijn weggegooid. Door het middels een a-selecte 	trekking van patiënten uitvoeren van een lijncontrole in de patiëntenadministratie, zijn we 	tot de conclusie gekomen dat er wel gebreken zitten in de patiëntenadministratie, echter niet 	zodanig dat we de volledigheid van de omzet niet kunnen toetsen. Wel stellen we vast dat 	de kasontvangsten niet zijn verantwoord in de omzet van 2001, 2002 en 2003. (…)".</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De Belastingdienst heeft op grond van het boekenonderzoek over de jaren 2001 tot en met 2003 correcties toegepast ten laste van [eisers gezamenlijk]waarover belasting is nageheven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar aanleiding van een door [eisers gezamenlijk]tegen [naam 1] ingediende klacht heeft de Raad van Tucht van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs (hierna: de Raad van Tucht) op 23 juli 2010 aan [naam 1] de maatregel van berisping opgelegd. Hiertoe heeft de Raad van Tucht onder meer overwogen:</para>
        <para>	"(…) dat beklaagde tevens tuchtrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor de 	administratieve werkzaamheden en het opstellen van de jaarrekeningen, en daarmee voor 	het niet-verwerken van de contante ontvangsten in de jaarcijfers, en bijgevolg in de 	aangiften. </para>
        <para>	Het niet-verwerken van de contante ontvangsten is een aangelegenheid van zodanig belang 	voor de belastingheffing ten laste van klagers dat zij niet aan de aandacht van de accountant 	had mogen ontsnappen. </para>
        <para>	Door het buiten aanmerking laten van de contante ontvangsten - voor welke tekortkoming 	beklaagde in tuchtrechtelijk opzicht verantwoordelijk is - heeft beklaagde gehandeld in 	strijd met het bepaalde in artikel 7, lid 2, van het RBU dat onder meer voorschrijft dat de 	Federatie Belastingadviseur is gehouden zijn arbeid zodanig te verrichten dat hij 	redelijkerwijs overtuigd kan zijn van de juistheid van de schriftelijk door hem gedane 	mededelingen. </para>
        <para>	(…)</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De omstandigheid dat tijdens het boekenonderzoek bij compromis is overeengekomen 	het pand te etiketteren naar 55% zakelijk gebruik en 45% privégebruik, wijst erop dat het 	zakelijke gebruik van het pand niet op een zorgvuldige wijze is vastgesteld. Bij een pand 	dat tot het zogenoemde keuzevermogen behoort, is de exacte verhouding 	zakelijk/privégebruik niet altijd eenvoudig te bepalen en leidt die verhouding ook veelal tot 	discussie tussen belastingplichtigen en de fiscus. Het verschil in percentage voor zakelijk 	gebruik, zoals dat aanvankelijk is vastgesteld, en zoals dit bij compromis is 	overeengekomen, is evenwel zodanig groot dat moet worden vermoed dat het aanvankelijk 	door beklaagde vastgestelde percentage niet in redelijkheid tegenover de fiscus kon worden 	staande gehouden. Met hetgeen beklaagde in dit geding heeft aangevoerd, heeft hij dat 	vermoeden niet kunnen ontzenuwen. Voorts hebben klagers - onweersproken - aangevoerd 	dat beklaagde moest toestaan dat de kosten van de vervanging van een keuken door de 	fiscus als privébesteding werd aangemerkt. Uit een en ander volgt dat beklaagde op deze 	punten in zijn advisering is tekortgeschoten. </para>
        <para>	(…)</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11. (…)</nr>
      <para>aangevoerd dat, anders dan was afgesproken, de namen van de patiënten op de 	aan de belastingcontroleurs ter hand gestelde facturen niet bleken te zijn afgeplakt. 	Beklaagde heeft betwist dat een dergelijke afspraak zou zijn gemaakt. Daartegenover 	hebben klagers ter zitting - onweersproken - gesteld dat hun met dagtekening 19 oktober 	2005 een declaratie is gezonden met vermelding van verrichte werkzaamheden: advisering 	inzake beroepsgeheimhouding. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Voorts heeft [eiser 2] ter zitting gezegd dat [naam 2] heeft beloofd de namen af te 	schermen. Op grond van een en ander is aannemelijk dat de gestelde afspraak is gemaakt. 	Niet betwist is dat [naam 2] (voor wie beklaagde in tuchtrechtelijk opzicht 	verantwoordelijk is) zich niet aan de afspraak heeft gehouden. Ook in zoverre is beklaagde 	in de uitvoering van zijn werkzaamheden tekortgeschoten. Daaraan doet niet af dat, naar 	beklaagde heeft gesteld, het maken van een dergelijke afspraak niet van invloed zou zijn 	geweest op het recht van de fiscus tot inzage van de administratie van klagers. (…)"</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 6 juli 2011 heeft de Raad van Beroep van de Nederlandse federatie van belastingadviseurs (hierna: de Raad van Beroep) de door de Raad van Tucht aan [naam 1] opgelegde maatregel van berisping vernietigd en in plaats daarvan [naam 1] gewaarschuwd. Daartoe heeft de Raad van Beroep onder meer overwogen:</para>
        <para>	"(…) 5. De Raad verenigt zich niet met het oordeel van de Raad van Tucht als is 	weergegeven onder 6.8 van de uitspraak in verband met de etikettering van het pand naar 	55% zakelijk gebruik en 45% privégebruik. Bij het nieuw aantreden van een 	belastingadviseur bestaan, tenzij daarvoor bijzondere aanwijzingen zijn, waarvan in het 	geval van klagers niet is gebleken, niet direct redenen om een sinds jaren bestendige lijn (in 	casu het aandeel pand voor zakelijk gebruik) te onderzoeken. Hoewel het wel voorstelbaar 	is dat een nieuwe adviseur dit zou doen, ziet de Raad in het onderhavige geval geen 	klemmende redenen om in dit geval beklaagde een verwijt te maken met betrekking tot de 	etikettering van het pand en de met betrekking tot het pand gedane uitgaven en 	investeringen. De grief van beklaagde voor zover deze is gericht tegen dit oordeel is 	derhalve gegrond. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	6. Ten aanzien van klachtonderdeel 4c oordeelt de Raad als volgt. Beklaagde heeft klagers 	geadviseerd over het juist inrichten van hun administratie met betrekking tot het 	afschermen van medische informatie. Financiële gegevens van betalingen door patiënten 	mogen niet worden afgeschermd en het was aan klagers om de administratie op een juiste 	manier te splitsen. Nu voor de Raad is komen vast te staan dat beklaagde klagers over de 	geheimhoudingsplicht heeft geadviseerd en ook nog eens onvoldoende is gebleken dat aan 	beklaagde op dit punt enig verwijt te maken valt, acht de Raad dit klachtonderdeel - anders 	dan de Raad van Tucht - ongegrond. (…)" </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <?linebreak?>2.7.	De door [eisers gezamenlijk]tegen [naam 3] (ingeschakeld door PWC om de jaarrekeningen 2002 en 2003 samen te stellen) ingediende klacht is door de Accountantskamer op 26 maart 2010 deels niet-ontvankelijk verklaard (namelijk ten aanzien van de klacht wegens de niet verwerkte kasontvangsten, omdat deze klacht te laat is ingediend) en voor het overige ongegrond verklaard. Dit betreft onder meer de klacht van [eisers gezamenlijk]dat [naam 3] het ondernemingsgedeelte van het pand aan de [adres] ten onrechte op 15,43 procent zou hebben gesteld, terwijl de fiscus daar na het boekenonderzoek 55% van maakte. De Accountantskamer heeft over deze klacht </para>
        <para>- samengevat - geoordeeld dat tegenover de gemotiveerde betwisting door [naam 3] dat hij met de etikettering van privé- en ondernemingsvermogen geen enkele bemoeienis heeft gehad door [eisers gezamenlijk]geenszins aannemelijk is gemaakt dat zulks wel het geval zou zijn geweest.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk]vordert - kort samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad vast te stellen dat PWC verwijtbaat tekort is geschoten jegens [eisers gezamenlijk]en gehouden is de schade te vergoeden zoals de rechtbank juist zal achten, danwel PWC te veroordelen om schade te vergoeden nader op te maken bij staat, met veroordeling van PWC in de kosten van het geding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In de kern verwijt [eisers gezamenlijk]PWC het volgende:</para>
      <orderedlist numeration="upperalpha">
        <listitem>
          <para>PWC heeft [eisers gezamenlijk]er niet op gewezen dat hij een kasboek bij diende te   houden en heeft contante betalingen niet verantwoord in de jaarstukken;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>PWC heeft het pand waarin de praktijk werd uitgeoefend fiscaal verkeerd gewaardeerd en voor 15,23% op de balans gezet terwijl dit 55% bedrijfsmatig en 45% privé had moeten zijn;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De investeringsaftrek is door PWC verkeerd berekend omdat alle mogelijke privévoorzieningen ten onrechte tot het ondernemingsvermogen zijn gerekend;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Als gevolg van het onder B en C genoemde heeft een verkeerde hypotheekrente aftrek plaatsgevonden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>PWC heeft geen aandacht besteed aan de wetswijziging van de zelfstandigenaftrek voor [eiser 2];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>PWC heeft de maatschap Het plastisch Instituut van [eisers gezamenlijk]per 31 december 1999 op informele wijze laten ontbinden terwijl dit geen enkel doel diende en heeft vervolgens de jaarstukken opgesteld en aangiften gedaan alsof die ontbinding nooit op papier was gezet;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>PWC heeft [eisers gezamenlijk]niet behoorlijk geadviseerd over bescherming van het medisch beroepsgeheim tegenover de fiscus.  </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>PWC voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Kern van het geschil is of PWC de diverse werkzaamheden voor [eisers gezamenlijk]heeft uitgevoerd zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant/belastingadviseur mag worden verwacht. Hierna zullen achtereenvolgens de verschillende door [eisers gezamenlijk]geuite klachten worden behandeld en zal worden beoordeeld of is voldaan aan deze norm. Indien deze norm geschonden is, zal vervolgens onderzocht worden of aannemelijk is geworden dat door [eisers gezamenlijk]mogelijk schade is geleden door de tekortkoming van PWC omdat alleen dan tot aansprakelijkheid kan worden geconcludeerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van 3.2. sub A; de contante betalingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>PWC heeft erkend dat de door de Belastingdienst naar aanleiding van het boekenonderzoek toegepaste correctie ter zake van ten onrechte niet opgenomen contante praktijkopbrengsten over de jaren 2001, 2002 en 2003 kan worden toegerekend aan een omissie van PWC. Dit betekent dat als onbetwist vaststaat dat PWC op dit punt niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant/</para>
        <para>belastingadviseur mag worden verwacht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Dit doet de vraag rijzen welke schade [eisers gezamenlijk]door deze tekortkoming van PWC heeft geleden. Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van PWC berust, dat zij haar, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, aldus artikel 6:98 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk]heeft onder meer aangevoerd dat hij schade heeft geleden doordat hij in 2007 werd geconfronteerd met forse navorderingsaanslagen van in totaal € 235.947,= waarop hij niet had gerekend en ook niet hoefde te rekenen omdat hij ervan uit heeft mogen gaan dat de door PWC ingediende aangiften Inkomstenbelasting 2001, 2002 en 2003 aan alle redelijke eisen voldeden en niet tot aanvullende belastingheffingen aanleiding zouden geven. Ten gevolge van de door PWC gemaakte fouten heeft [eisers gezamenlijk]de aanvankelijk te weinig betaalde inkomstenbelasting ten onrechte als verteerbaar inkomen beschouwd en dat als zodanig besteed. Voorts heeft [eisers gezamenlijk]aangevoerd dat hij schade heeft geleden doordat de Belastingdienst naar aanleiding van de niet verwerkte contante betalingen alle bescheiden die betrekking hebben op de inkomsten uit de praktijkactiviteiten is gaan onderzoeken, alsmede nagenoeg alle bescheiden die betrekking hebben op de aftrekposten. Bovendien werd het onderzoek dat aanvankelijk alleen voor het jaar 2001 was bedoeld vanwege de vele onjuistheden in de aangifte 2001 uitgebreid tot de aangiften 2002 en 2003 en werd vervolgens het onderzoek over die jaren ook naar de Antwerpse praktijk uitgebreid. Aldus duurde het onderzoek waarvoor de Belastingdienst aanvankelijk enkele dagen had uitgetrokken, ten gevolge van de vele door PWC gemaakte fouten uiteindelijk (ruim) achttien maanden, aldus [eisers gezamenlijk]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>PWC voert aan dat [eisers gezamenlijk]niet heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden door de omstandigheid dat hij zijn inkomen al had verteerd. Ook voert PWC aan dat [eisers gezamenlijk]de te betalen inkomstenbelasting, ervan uitgaande dat die pas in 2007 is voldaan, tenminste vijf jaar later heeft hoeven te betalen dan de jaren waarop die inkomstenbelasting betrekking heeft (2001, 2002 en 2003) zodat hij gedurende die periode rendement op die gelden heeft kunnen maken. Ten aanzien van de overige door [eisers gezamenlijk]gestelde schadeposten betwist PWC het causaal verband. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat - indachtig het onder 4.3. vermelde uitgangspunt - de door PWC aan [eisers gezamenlijk]te betalen schadevergoeding niet kan bestaan uit de door de Belastingdienst opgelegde naheffingen, omdat [eisers gezamenlijk]deze belasting ook verschuldigd zou zijn geweest indien PWC wel zou hebben gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant/belastingadviseur had mogen worden verwacht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De rechtbank acht voor het overige wel aannemelijk geworden dat mogelijk schade is geleden door de tekortkoming van PWC. Omdat [eisers gezamenlijk]aanvankelijk een verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft gevorderd, heeft het debat tussen partijen over de geleden schade en het causaal verband tussen de gestelde schade en het tekortschieten van PWC nog onvoldoende plaatsgevonden. Ter comparitie is besproken dat indien de rechtbank toe zou komen aan het begroten van de schade partijen zich alsdan nog zullen mogen uitlaten over de schade. Dit betekent dat [eisers gezamenlijk]zich bij akte zal mogen uitlaten over de geleden schade als gevolg van het niet verwerken door PWC van de contante betalingen van de praktijk in de jaarstukken 2001, 2002 en 2003 en in de aangifte Inkomstenbelasting van [eisers gezamenlijk]over voornoemde jaren, zulks zoveel mogelijk gestaafd met schriftelijke bewijsstukken. Daarbij dient [eisers gezamenlijk]zich ook uit te laten over het causaal verband tussen de gestelde schade en het tekortschieten van PWC. Vervolgens zal PWC hierop bij antwoordakte mogen reageren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Voor zover [eisers gezamenlijk]aan dit onderdeel van zijn vordering ook het al dan niet door PWC gewezen zijn op de noodzaak een kasboek bij te houden ten grondslag heeft gelegd, behoeft zulks geen nadere bespreking nu de tekortkoming van PWC ten aanzien van de verwerking van de contante betalingen op grond van hetgeen hiervoor is overwogen reeds vaststaat.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De fiscale waardering van het praktijkpand (vordering 3.2. sub B, C en D)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk]voert aan dat hij aanvankelijk de praktijk uitoefende in ziekenhuizen. In de woning van [eisers gezamenlijk]werd een ruimte voor de praktijk ingericht waarna in de aangifte Inkomstenbelasting afgerond 15% van die woning aan de praktijk werd toegerekend. Daarna heeft [eisers gezamenlijk]de praktijk overbracht naar het pand aan de [adres], hetgeen aan PWC bekend was. In de aangiften na 2000 is ten onrechte het oude percentage van afgerond 15% voor het zakelijke deel blijven staan. De Raad van Tucht heeft deze fout wel aan [naam 1] toegerekend, de Raad van Beroep heeft het voor rekening van zijn voorganger van PWC gelaten. Uiteraard is PWC voor die fout wel aansprakelijk, aldus [eisers gezamenlijk]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>PWC betwist dat zij ten aanzien van de fiscale waardering van het pand onjuist heeft gehandeld en verwijst ter ondersteuning van haar betoog naar de tuchtuitspraak van de Raad van Beroep in de door [eisers gezamenlijk]tegen [naam 1] ingediende tuchtklacht. Ook wijst PWC op het ontbreken van een boete van de Belastingdienst waaruit volgens haar blijkt dat niet verwijtbaar is gehandeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De rechtbank neemt in aanmerking dat het feit dat de Belastingdienst in dit verband geen boete heeft opgelegd, niet maakt dat geen sprake kan zijn van een tekortkoming van PWC in civielrechtelijke zin.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Ook kan aan de uitspraak van de Raad van Beroep zoals door PWC aangehaald geen onderbouwing van het standpunt van PWC worden ontleend. Immers heeft de Raad van Beroep geoordeeld dat [naam 1] deze waardering niet kan worden verweten omdat (zie hiervoor onder 2.6.) bij het nieuw aantreden van een belastingadviseur (in 2003 althans 2004, rechtbank) zonder bijzondere aanwijzingen geen directe reden bestaat om een sinds jaren bestendige lijn in het aandeel van het pand voor zakelijk gebruik te onderzoeken. Deze uitspraak ziet derhalve uitsluitend op de rol van [naam 1] als nieuw aangetreden belastingadviseur en zegt niets over de eventuele aansprakelijkheid van PWC. De Raad van Tucht heeft in eerste aanleg over de klacht van [eisers gezamenlijk]tegen [naam 1] geoordeeld (zie 2.5.) dat de omstandigheid dat tijdens het boekenonderzoek bij compromis is overeengekomen het pand te etiketteren naar 55% zakelijk gebruik en 45% privégebruik erop wijst dat het zakelijk gebruik van het pand niet op een zorgvuldige wijze is vastgesteld. Het verschil in percentage zoals uiteindelijk bij compromis is vastgesteld en zoals het was (afgerond 15% zakelijk en 85% privé), is door de tuchtrechter in eerste aanleg dusdanig groot geoordeeld dat vermoed werd dat het aanvankelijk door PWC vastgestelde percentage niet in redelijkheid tegenover de fiscus kon worden staande gehouden. Waarom de rechtbank in afwijking van hetgeen de tuchtrechter in eerste aanleg heeft geoordeeld zou moeten oordelen dat het door PWC vastgestelde fiscale gebruik van het pand wel correct is vastgesteld, is door PWC onvoldoende toegelicht. Dit betekent dat PWC de stelling van [eisers gezamenlijk]dat zij met betrekking tot de fiscale waardering van het pand niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant/ belastingadviseur mag worden verwacht onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank zal daarom als vaststaand aannemen dat PWC ook in zoverre is tekortgekomen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Daarbij rijst de vraag welke schade [eisers gezamenlijk]door deze tekortkoming van PWC heeft geleden. Ook hier geldt dat de door PWC verschuldigde schadevergoeding niet kan bestaan uit de uiteindelijk opgelegde belastingaanslagen (zowel ten aanzien van de waardering van het bedrijfspand als ten aanzien van de investeringsaftrek en de hypotheekrente aftrek), omdat [eisers gezamenlijk]deze ook verschuldigd zou zijn geweest indien PWC niet tekort zou zijn geschoten in haar werkzaamheden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>De rechtbank acht voor het overige wel aannemelijk geworden dat mogelijk schade is geleden door de tekortkoming van PWC. Dit betekent dat [eisers gezamenlijk]zich over de geleden schade als gevolg van de omstandigheid dat PWC in het kader van de fiscale waardering van het pand is tekortgekomen bij akte (zo veel mogelijk met schriftelijke bewijsstukken onderbouwd) zal mogen uitlaten waarop PWC bij antwoordakte zal mogen reageren. Ook dient [eisers gezamenlijk]zich uit te laten over het causaal verband tussen deze tekortkoming van PWC en de door [eisers gezamenlijk]gestelde schade.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering 3.2. sub E; de zelfstandigenaftrek voor [eiser 2]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Gesteld noch gebleken is dat [eisers gezamenlijk]door de handelwijze van PWC op dit punt enige schade heeft geleden. Nu niet aannemelijk is geworden dat door dit handelen van PWC mogelijk schade is geleden, kan niet tot aansprakelijkheid worden geconcludeerd. Daarom zal de vordering van [eisers gezamenlijk]in zoverre worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering 3.2. sub F; de ontbinding van de maatschap</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is door prof. mr. J.F.M. Giele verklaard dat op zichzelf door de ontbinding van de maatschap geen schade is geleden, maar dat dit punt naar voren is gebracht ter illustratie van de door PWC gepleegde wanprestatie. Nu niet aannemelijk is geworden dat door dit handelen van PWC mogelijk schade is geleden, zal de vordering van [eisers gezamenlijk]in zoverre worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering 3.2. sub G; de bescherming van het medisch beroepsgeheim tegenover de Belastingdienst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Ook ten aanzien van hetgeen [eisers gezamenlijk]heeft aangevoerd over de bescherming van het medisch beroepsgeheim tegenover de Belastingdienst heeft te gelden dat gesteld noch is gebleken dat [eisers gezamenlijk]door het handelen van PWC schade heeft geleden. Nu niet aannemelijk is geworden dat mogelijk schade is geleden, betekent dit dat de vordering van [eisers gezamenlijk]ook op dit punt als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>
        [eisers gezamenlijk]stelt zwaar te hebben geleden onder het (ruim) achttien maanden durende boekenonderzoek en de dreiging van enorme navorderingsaanslagen en boetes. De immateriële schade begroot [eisers gezamenlijk]op € 100.000,= per persoon. De immateriële schade is mede vergroot doordat PWC lange tijd de schuld van de omissies bij [eiser 2] heeft willen leggen en dat standpunt is blijven accentueren door [eisers gezamenlijk]te blijven bestoken met declaraties. [eiser 2] heeft te lijden gehad omdat zij verantwoordelijk was voor de boekhouding, aldus steeds [eisers gezamenlijk]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>PWC heeft aangevoerd dat deze gestelde schade niet is aangetoond noch gesubstantieerd, laat staan dat [eisers gezamenlijk]iets dienends heeft gesteld over de vereiste causaliteit. Volgens PWC is derhalve niet voldaan aan de stelplicht.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op immateriële schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen of indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Dat een van deze gronden zich in het onderhavige geval voordoet is niet gebleken. Dit betekent dat de gevorderde immateriële schadevergoeding een grondslag ontbeert en daarom niet kan worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.	</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">7 januari 2015 </emphasis>voor het nemen van een akte door [eisers gezamenlijk]over hetgeen is vermeld onder 4.7 en 4.14, waarna PWC in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelzang, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.<footnote-ref linkend="_218236f5-15a4-4680-88d2-5a1f303f0a57" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_218236f5-15a4-4680-88d2-5a1f303f0a57" label="1">
    <para>*</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>