<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2014:7318</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T23:18:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-751385-14       RK 14-5775</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:7318">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:7318</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-25T10:22:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2014:7318 Rechtbank Amsterdam , 31-10-2014 / 13-751385-14       RK 14-5775</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2014:7318:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De in artikel 22 OLW genoemde termijnen zijn overschreden door de late aanbieding van het EAB ter appointering.</para>
        <para>De rechtbank verwerpt het beroep op artikel 6 lid 5 OLW. De opgeëiste persoon heeft zich laten uitschrijven uit het GBA. Dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat hij nadien in Nederland gedetineerd heeft gezeten kan een rechtmatig ononderbroken verblijf van ten minste vijf jaar niet onderbouwen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2014:7318:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751385-14</para>
      <para>RK nummer: 14/5775</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 31 oktober 2014        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juni 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2013 door the Regional Court in Wrocław, Polen, 3rd Criminal Division, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats], Polen, op [geboorteplaats], </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[locatie]’,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 oktober 2014. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht om ter zitting te worden gehoord. </para>
      <para>Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam. Deze laatste heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk gemachtigd te zijn verweer tegen de vordering te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd en – nu zij binnen bedoelde termijn nog geen uitspraak heeft kunnen doen – de termijn opnieuw verlengd voor onbepaalde tijd. De reden dat de rechtbank niet binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak kan doen is gelegen in het feit dat het EAB eerst op 1 september 2014 ter appointering aan de rechtbank is aangeboden. Op dat moment waren de in artikel 22, eerste én derde lid, OLW genoemde termijnen reeds overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel (‘decision’), afgegeven door the District Court for Wrocław Śródmieście en gedateerd 15 februari 2013 (kenmerk V Kp. 240/13). Dit bevel is gevolgd door een ‘decision’ gedateerd 10 mei 2013 (kenmerk V Ko 757/13) waarbij, aansluitend, de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon wordt bevolen voor een periode van tien dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vier naar het recht van Polen strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.  Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de vier feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1 en 5 te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1: deelneming aan een criminele organisatie </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">5: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten. </para>
      <para>De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd: <?linebreak?><?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">het strafrechtelijk onderzoek heeft in Polen reeds een aanvang genomen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de noodzakelijke bewijsmiddelen bevinden zich in Polen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">het betreft voornamelijk de invoer van verdovende middelen in Polen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeverdachten worden (internationaal) door Polen gezocht. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Poolse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Het beroep op artikel 6, vijfde lid OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op artikel 6, vijfde lid OLW en naar voren gebracht dat uit de ID-staat blijkt dat de opgeëiste persoon vanaf 13 februari 2009 op een adres in Eindhoven ingeschreven stond. Na zijn vertrek naar Polen in april van dat jaar is hij vanaf 18 mei 2009 opnieuw in Eindhoven ingeschreven. Dat uit diezelfde ID-staat blijkt dat hij op 17 november 2009 is uitgeschreven staat een beroep op bedoeld artikel niet in de weg, nu uit het uittreksel uit de justitiële documentatie genoegzaam blijkt dat de opgeëiste persoon steeds in Nederland is geweest. De opgeëiste persoon wenst zijn straf, indien het daartoe mocht komen, in Nederland uit te zitten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft bestreden dat de opgeëiste persoon met succes een beroep kan doen op bedoeld artikel. Het feit dat hij in Nederland in detentie heeft gezeten kan een rechtmatig ononderbroken verblijf niet aantonen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank passeert hetgeen de raadsvrouw heeft bepleit. Uit hetgeen is aangevoerd is niet gebleken dat de opgeëiste persoon gedurende tenminste vijf jaar rechtmatig en ononderbroken in Nederland heeft verbleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 13 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan the Regional Court in Wrocław, Polen, 3rd Criminal Division, ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.</para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.P. Kijlstra,  				          	               		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.C. Enkelaar en P. Rodenburg,                         		   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,		                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 31 oktober 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>