<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2014:5767</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T09:43:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-09-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr"> 13-751660-14    RK 14-4918_</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:5767">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:5767</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-18T10:25:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2014:5767 Rechtbank Amsterdam , 05-09-2014 /  13-751660-14    RK 14-4918_</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2014:5767:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verweer artikel 2 OLW: de in het EAB beschreven verdenking kan niet stoelen op de gegevens in het (Duitse) strafdossier, waarvan een deel is overgelegd. Hetgeen het EAB onder e) vermeldt kan niet juist zijn, gelet op hetgeen kan worden afgeleid uit het onderliggende dossier. </para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het niet alleen in het kader van de OLW, maar ook gelet op het vertrouwensbeginsel, niet aan de orde is om het onderliggende strafdossier bij de beoordeling te betrekken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>WOTS-garantie: Garantie niet toereikend voor de naar Duits recht strafverzwarende omstandigheid (in casu het voorhanden hebben van bepaalde wapens, wanneer sprake is van een bende die in niet geringe mate in verdovende middelen handelt). De Nederlandse Opiumwet kent een dergelijke strafverzwarende omstandigheid niet. Om die reden zal dit onderdeel van het in het EAB omschreven feitencomplex naar Nederlands recht afzonderlijk gekwalificeerd moeten worden  Dit is ook mogelijk en levert op: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid Wet wapens en munitie. Dit artikel heeft betrekking op wapens die vallen onder categorie I van deze wet. Dit zijn de wapens die in het EAB worden genoemd. De strafbedreiging van een dergelijk strafbaar feit is echter onvoldoende om te voldoen aan de vereisten van artikel, 7, eerste lid, aanhef en onder a, 1e en 2e OLW zodat overlevering voor dit deel van het feitencomplex geweigerd moet worden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2014:5767:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM, </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751660-14</para>
      <para>RK nummer: 14/4918</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak:</emphasis> 5<emphasis role="bold"> september 2014</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 13 mei 2014 door de Hoofdofficier van Justitie te Aken, Duitsland, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats], Georgië, op [geboortedatum], </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[plaats]’, <?linebreak?>[Huis van bewaring A],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 september 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Heerlen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, uitgevaardigd door het Kantongerecht Aken, Duitsland, en gedateerd 28 maart 2014.</para>
      <para>Referentienummer: 622 Gs 420/14.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.  Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 2 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft bepleit de overlevering te weigeren en heeft (een deel van) het onderliggende Duitse strafdossier aan de rechtbank overgelegd. Hij heeft aangevoerd dat de in het EAB beschreven verdenking niet kan stoelen op de gegevens in het strafdossier. Onderbouwen van een in een EAB omschreven verdenking is geen vereiste, zo heeft ook de raadsman toegegeven, maar de raadsman meent voldoende aangetoond te hebben dat hetgeen het EAB onder e) vermeldt niet juist kan zijn, gelet op hetgeen hij afleidt uit het onderliggende dossier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft deze stelling bestreden en aangevoerd dat een verdenking in het EAB niet nader onderbouwd behoeft te worden. Daarnaast staat niet vast dat het overgelegde strafdossier volledig is, zodat het niet mogelijk is hier enige gevolgtrekking aan te ontlenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het niet alleen in het kader van de OLW, maar ook gelet op het vertrouwensbeginsel, niet aan de orde is om het onderliggende strafdossier bij de beoordeling te betrekken. Aan de vereisten van artikel 2, tweede lid onder e OLW is voldaan: tijdstip, plaats en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit waarvoor de overlevering is verzocht, staan in het EAB omschreven. Daarmee zijn de stukken genoegzaam. Het verweer wordt verworpen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.  Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de overlevering tevens betrekking heeft op de verdenking dat de opgeëiste persoon wapens voorhanden heeft gehad. Gelet op de naar Duits recht toepasselijke wettelijke voorschriften, zoals genoemd in het EAB, waaruit blijkt dat het <emphasis role="italic">‘bij zich hebben van wapens’</emphasis> een strafverzwarende omstandigheid is bij het <emphasis role="italic">‘misdrijf van de gezamenlijke door een bende uitgevoerde ongeoorloofde handel in verdovende middelen in niet geringe hoeveelheid’</emphasis>, is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het hele feitencomplex zoals omschreven in het EAB onder e) in redelijkheid het lijstfeit heeft kunnen aankruisen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 14 juli 2014 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">er wordt verzekerd dat de vervolgde persoon in het geval van een rechtsgeldige veroordeling tot een gevangenisstraf in Duitsland, waarvan de tenuitvoerlegging niet voorwaardelijk opgeschorst wordt, in navolging van het Verdrag van 21.03.1983 aangaande de overbrenging van gevonniste personen voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland overgebracht zal worden en wel zonder voorwaarden zodat de omzettingsprocedure overeenkomstig artikel 11 van het bovenstaande verdrag toegepast kan worden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Voor zover het betreft de verdenking dat de opgeëiste persoon betrokken is bij overtredingen van de Opiumwet is aan deze voorwaarde voldaan. Dat deel van het onder 4 bedoelde feit is ook naar Nederlands recht strafbaar en levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verboden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie in zoverre voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat dit niet geldt voor de naar Duits recht strafverzwarende omstandigheid (in casu het voorhanden hebben van bepaalde wapens, zoals de in het EAB genoemde messen, een ploertendoder en een boksbeugel, wanneer sprake is van een bende die in niet geringe mate in verdovende middelen handelt). De Nederlandse Opiumwet kent een dergelijke strafverzwarende omstandigheid niet. Om die reden zal dit onderdeel van het in het EAB omschreven feitencomplex naar Nederlands recht afzonderlijk gekwalificeerd moeten worden. Dit is ook mogelijk en levert op: <emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 13, eerste lid Wet wapens en munitie. </emphasis>Dit artikel heeft betrekking op wapens die vallen onder categorie I van deze wet. Dit zijn de wapens die in het EAB worden genoemd. De strafbedreiging van een dergelijk strafbaar feit is echter onvoldoende om te voldoen aan de vereisten van artikel, 7, eerste lid, aanhef en onder a, 1e en 2e OLW zodat overlevering voor dit deel van het feitencomplex geweigerd moet worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ten aanzien van de <emphasis role="italic">overtredingen van de Opiumwet</emphasis> waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor dat deel van het feitencomplex te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de Hoofdofficier van Justitie te Aken, Duitsland ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht voor zover het betreft de vervolging voor <emphasis role="italic">overtredingen van de Opiumwet</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van  <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> voor zover het EAB betrekking heeft op de strafverzwarende omstandigheid, te weten het <emphasis role="italic">‘bij zich hebben van wapens’.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. S.A. Krenning,  						                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.C. Enkelaar en P. Rodenburg,             				   		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.C. Werkman,			                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 5 september 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>