<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2165</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:16:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BU2165</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CV10-22928</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RI 2012/23</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2165">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2165</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:03:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2165 Rechtbank Amsterdam , 12-04-2011 / CV10-22928</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2165:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aansprakelijkheid derde beslagene jegens executant als schuldenaar na afgifte verklaring failliet gaat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2165:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>vonnis </para>
      <para>RECHTBANK AMSTERDAM</para>
      <para>Sector Kanton </para>
      <para>Locatie Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rolnummer: 1164437 CV EXPL 10-22928</para>
      <para>Vonnis van: 12 april 2011</para>
      <para>F.no.: 480</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vonnis van de kantonrechter</para>
    <para />
    <para>I n z a k e</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser] h.o.d.n. [naam]</para>
      <para>wonende te Ouderkerk aan de Amstel</para>
      <para>eiser</para>
      <para>nader te noemen [eiser]</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.T. van den Hout</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e [gedaagde][gedaagde]</para>
      <para>kantoorhoudende te Amsterdam</para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>nader te noemen de [gedaagde]</para>
      <para>gemachtigde: mr. B. Starren</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>VERLOOP VAN DE PROCEDURE</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende processtukken zijn ingediend:</para>
      <para>- de dagvaarding van 15 juni 2010 inhoudende de vordering van [eiser] met producties;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord van de [gedaagde].</para>
      <para>Ingevolge het tussenvonnis van 21 september 2010 zijn vervolgens nog ingediend:</para>
      <para>- de conclusie van repliek van [eiser];</para>
      <para>- de conclusie van dupliek van de [gedaagde] met producties</para>
      <para>- de akte waarin [eiser] heeft gereageerd op die laatste producties.</para>
      <para>Daarna is de datum voor vonnis bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>GRONDEN VAN DE BESLISS[gedaagde]</para>
    <para />
    <para>Feiten en omstandigheden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Als gesteld en erkend althans niet (voldoende) weersproken alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de overgelegde producties staat vast:</para>
      <para>1.1. Op 28 januari 2010 is door [eiser], op grond van een grosse van een vonnis van de rechtbank ’s Gravenhage van 23 december 2009, executoriaal beslag gelegd onder de [gedaagde] ten laste van Reisadviesbureau De [naam Reisadviesbureau] C.V. te Schoonhoven en haar beherend vennoten (hierna de [naam Reisadviesbureau] genoemd).</para>
      <para>1.2. Op 5 maart 2010 en 15 maart 2010 heeft de [gedaagde] een buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 476a van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) afgegeven en aan [eiser] gestuurd. In deze verklaring is vermeld: “(…) Totaal getroffen saldo op het tijdstip van het beslag € 8.558,61. Bijzonderheden en/of voorwaarden: Van het beslagen tegoed valt een bedrag van € 6.684,16 onder een afgegeven bankgarantie. Dit bedrag is, zolang de bankgarantie van kracht is, niet vatbaar voor beslag.” </para>
      <para>1.3. Bij brief van 15 maart 2010 heeft de door [eiser] in de hand genomen deurwaarder de ontvangst van voornoemde verklaring bevestigd, zich akkoord verklaard met de inhoud ervan en verzocht om het totaal getroffen saldo op het tijdstip van beslag aan haar over te maken.</para>
      <para>1.4. Bij brief van 14 april 2010 heeft [eiser] (wederom) verzocht het bedrag van het totaal getroffen saldo op het tijdstip van beslag aan haar over te maken.</para>
      <para>1.5. Bij brief van 21 april 2010 heeft de [gedaagde] aan [eiser] geschreven: ”(…) Aangezien betrokkene sedert 23-03-2010 in staat van faillissement verkeert, is het beslag komen te vervallen. Wij kunnen daarom geen verder gevolg geven aan uw verzoek om het door het beslag getroffen tegoed af te dragen. (…).”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vordering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. [eiser] vordert dat de [gedaagde], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:</para>
      <para>a. € 1.874,45 aan hoofdsom; </para>
      <para>b. € 650,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; </para>
      <para>c. rente over € 1.874,45 vanaf 28 januari 2010;</para>
      <para>d. de proceskosten van [eiser].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. [eiser] stelt dat door het niet (direct) uit betalen van het door beslag getroffen tegoed de [gedaagde] tekort is geschoten in haar betalingsverplichting jegens [eiser] dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden. De schade is het bedrag waarop beslag is gelegd, verminderd met het door de bankgarantie geblokkeerde bedrag               (€ 8.558,61 – € 6.684,16 = € 1.874,45). [eiser] is van mening dat de [gedaagde] aansprakelijk is voor deze schade omdat de gevolgen van de trage administratieve verwerking van het beslag en hiermee de niet tijdige afdracht van het geldbedrag, mede in het licht van de ruime overschrijding van de wettelijke verklaringstermijn met een week, voor rekening en risico van de [gedaagde] dient te komen.</para>
    <para />
    <para>Verweer</para>
    <para />
    <para>4. De [gedaagde] betwist dat zij aansprakelijk is.  </para>
    <para />
    <para>Beoordeling</para>
    <para />
    <para>5. De vraag die voorligt is of de [gedaagde] tekort is geschoten in haar betalingsverplichting jegens [eiser], dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, waardoor de [gedaagde] de door [eiser] hierdoor geleden schade heeft te vergoeden. </para>
    <para />
    <para>6. Artikel 476a lid 1 Rv bepaalt dat “Zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag” een verklaring moet worden afgegeven. De hierin vermelde termijn van vier weken is niet bedoeld als een uiterlijke termijn, zoals [eiser] stelt. Het woord “zodra” impliceert dat de verplichting tot het afgeven van een verklaring pas ontstaat na deze vier weken. De wetgever heeft voor deze termijn van 4 weken onder meer gekozen om de geëxecuteerde een termijn te geven om tegen de executie in verzet te komen. Als de geëxecuteerde in verzet komt gaat volgens artikel 476a lid 1 de termijn voor het geven van een verklaring eerst lopen nadat het verzet is afgewezen. </para>
    <para />
    <para>Voorts stelt de kantonrechter vast dat ook in het beslagexploot de wettelijke termijn van 4 weken is genoemd zoals neergelegd in artikel 476a Rv waarna de verklaring moet worden afgegeven, maar is niet een termijn gesteld waarbinnen die verklaring zou moeten zijn afgegeven. </para>
    <para />
    <para>Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de [gedaagde] met het afleggen van een verklaring op 5 maart 2010, althans 15 maart 2010, wegens een op 28 januari 2010 onder haar gelegd derdenbeslag niet in strijd met haar wettelijke verplichting te laat een verklaring heeft afgegeven.  </para>
    <para />
    <para>7. Artikel 477 Rv bepaalt dat de derde-beslagene die een verklaring heeft afgegeven verplicht is de volgens deze verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen. </para>
    <para />
    <para>Op zichzelf staat vast dat de [gedaagde] niet aan deze wettelijke betalingsverplichting voldoet of heeft voldaan, doordat zij aan [eiser] niet heeft betaald het bedrag dat zij volgens haar verklaring ten tijde van het derdenbeslag van de [naam Reisadviesbureau] onder zich had. </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 477a Rv is een derde-beslagene, die overeenkomstig artikel 476b Rv verklaring heeft gedaan en zijn betalingsverplichting niet nakomt, jegens de executant – onder meer – vervangende schadevergoeding verschuldigd. </para>
    <para />
    <para>8. Tussen partijen is niet in geschil dat de [gedaagde] sedert 23 maart 2010 haar (wettelijke) betalingsverplichting jegens [eiser] door het faillissement van de [naam Reisadviesbureau] blijvend niet meer kan nakomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De kantonrechter stelt voorop dat in een geval als het onderhavige, waarbij de geëxecuteerde failleert op een moment nadat de wettelijke betalingsverplichting van de derde beslagene door het afgeven van de verklaring is ontstaan,  de derde beslagene jegens de executant (in ieder geval) vervangende schadevergoeding heeft te betalen,  indien de derde beslagene door het eerst uitstellen van een betaling waarna vervolgens niet meer kan worden betaald door het faillissement van de geëxecuteerde een eigen voordeel geniet en de derde beslagene dit eigen voordeel niet zou hebben gehad als voor het faillissement zou zijn betaald.  </para>
      <para>De kantonrechter weegt mee dat het faillissement van De [naam Reisadviesbureau] op zichzelf tot gevolg heeft dat het bedrag waarop [eiser] beslag heeft gelegd in beginsel in het faillissement valt en overeenkomstig de regels van de Faillissementswet onder de schuldeisers zal worden verdeeld. Daardoor leidt een faillissement van de schuldenaar op zichzelf niet tot een eigen voordeel van de derde beslagene. </para>
      <para>De kantonrechter weegt voorts mee dat als een derde beslagene met het niet vóór het faillissement betalen van het bedrag aan de executant geen eigen voordeel heeft de door [eiser] bepleitte aansprakelijkheid van de derde beslagene ertoe zou leiden dat [eiser] ten koste van een derde buiten het rangsysteem van schuldeisers van de Faillissementswet om zijn vordering op een schuldenaar, althans een deel daarvan, betaald zou krijgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat de [gedaagde] met het niet terstond na de afgifte van de verklaring betalen van het bedrag aan [eiser] dat zij onder zich had een eigen voordeel heeft behaald. [eiser] heeft evenmin concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat de [gedaagde] willens en wetens met het niet terstond aan [eiser] betalen van het bedrag dat zij onder zich had heeft beoogd [eiser] te benadelen. </para>
      <para>Voorts blijkt uit de gestelde feiten en omstandigheden - de verklaring is op 5 maart 2010 door de [gedaagde] afgegeven, de deurwaarder van [eiser] heeft bij brief van 15 maart 2010 om betaling verzocht zonder daarin een betalingstermijn te noemen en de schuldenaar, de [naam Reisadviesbureau], is op 23 maart 2010 in staat van faillissement is verklaard – dat de [gedaagde] op zichzelf niet onredelijk lang met het betaalbaar stellen van het bedrag heeft gewacht. </para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>Onder deze omstandigheden is de [gedaagde] niet gehouden de door [eiser] gestelde schade te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>11. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. </para>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <para>I. wijst de vordering af;</para>
    <para />
    <para>II. veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van de [gedaagde] tot op heden begroot worden op € 300,00, inclusief eventueel verschuldigde btw; </para>
    <para />
    <para>III. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr. D.H. de Witte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    <para />
    <para>De griffier 							De kantonrechter</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>