<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-27T11:41:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO6861</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 10-2328 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6861">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:20:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6861 Rechtbank Amsterdam , 30-09-2010 / AWB 10-2328 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6861:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging van de stageovereenkomst is toegestaan op grond van de Re-integratieverordening. In dit geval is sprake van niet meewerken aan een stage. De rechtbank gaat over tot afstemming.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6861:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK AMSTERDAM</para>
      <para>Sector bestuursrecht</para>
      <para>zaaknummer: AWB 10/2328 WWB </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde mr. T.A. Vetter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde [gemachtigde].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 22 oktober 2009 is de stageovereenkomst tussen de Dienst Werk en Inkomen (DWI) en eiser beëindigd met ingang van 19 oktober 2009 (het primaire besluit I).</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 2 februari 2010 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser over februari 2010 verlaagd met € 906,55 (het primaire besluit II).</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 12 april 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit).</para>
    <para />
    <para>Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2010. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. </para>
    <para />
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1.	 Feiten en omstandigheden</para>
    <para />
    <para>1.1.	Eiser heeft een stageovereenkomst met de DWI gesloten voor de duur van drie maanden. De stageovereenkomst eindigt op 10 november 2009. In verband daarmee ontving eiser een stagevergoeding. Eiser is tijdens deze stageovereenkomst gestart met het traject Vacature Service Amsterdam (VSA). Dit traject is afgesloten omdat er geen concrete resultaten zijn geboekt. Vervolgens heeft de klantmanager [naam 1] ([naam 1]) eiser aangemeld bij het praktijkcentrum richting transport en logistiek. Het praktijkcentrum heeft de klantmanager van eiser geadviseerd om eiser een traject bij Pantar te laten volgen. De klantmanager heeft eiser vervolgens aangemeld bij Pantar. Daar is hij op 19 oktober 2009 op een intakegepsrek verschenen bij [naam 2] ([naam 2]). Diezelfde dag nog meldt [naam 2] eiser retour bij klantmanager [naam 1]. Nadat [naam 2] een kort verslag naar [naam 1] had gestuurd heeft deze bij het primaire besluit I de stageovereenkomst met eiser beëindigd met ingang van 19 oktober 2009. Nadat eiser zich eind oktober 2008 had gemeld voor een stagevergoeding dan wel een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) heeft verweerder eiser, bij primaire besluit II, met ingang van 28 oktober 2009 een bijstandsuitkering toegekend. Daarnaast heeft verweerder bij dat besluit de bijstandsuitkering van eiser over de maand februari 2010 verlaagd met € 906,55.</para>
    <para />
    <para>2.	Standpunten van partijen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.	Verweerder merkt de weigering van eiser om bij Pantar te werken en eisers wens om uitsluitend als vrachtwagenchauffeur werkzaam te zijn als ernstig tekortschieten in het meewerken aan de stage als bedoeld in artikel 5 van de stageovereenkomst. Daarom is de stageovereenkomst beëindigd.</para>
      <para>Eiser is tevens zeer ernstig tekortgeschoten in het naleven van de verplichtingen ingevolge WWB. Door deze gedraging heeft eiser namelijk langer dan één maand beroep moeten doen op een bijstandsuitkering. Als eiser had deelgenomen aan het traject bij Pantar dan zou de geldigheidsduur van stageovereenkomst met eiser zijn verlengd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat het re-integratietraject bij Pantar niet tot stand is gekomen gezien zijn medische toestand en beperkte beheersing van de Nederlandse taal. Daarbij heeft eiser opgemerkt dat hij in 2008 ook al activiteiten heeft verricht voor Pantar. Toen heeft eiser zich na drie dagen ziek gemeld en de bedrijfsarts heeft hem vervolgens volledig arbeidsongeschikt verklaard. Ook is eiser van mening dat verweerder niet in redelijkheid gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om de stageovereenkomst te beëindigen en een maatregel op te leggen. De verweten gedraging is niet zodanig ernstig dat deze daartoe had mogen leiden. Hij is van mening dat hij dubbel wordt gestraft. Eiser is rauwelijks geconfronteerd met de beëindiging van de overeenkomst en de verlaging. De stageovereenkomst is beëindigd zonder dat voorafgaand daaraan overleg met eiser is gevoerd over de vraag waarom hij het aangeboden traject heeft geweigerd.  </para>
    <para />
    <para>3.	Beëindiging van de stageovereenkomst</para>
    <para />
    <para>3.1.	Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - is het college verantwoordelijk voor het ondersteunen van personen bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.	Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Re-integratieverordening van de gemeente Amsterdam (Re-integratieverordening) kan het college een persoon behorende tot de doelgroep begeleiden of laten begeleiden bij het zoeken naar en verwerven van arbeid, bij het voortzetten van uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs, alsmede bij het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling. Het college kan hiertoe op eigen initiatief, dan wel op verzoek van de persoon uit de doelgroep, een of meer voorzieningen aanbieden.</para>
      <para>Het tweede lid, van dit artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat de voorzieningen onder meer kunnen worden onderscheiden in stage waaraan een stagevergoeding kan worden verbonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.	Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank geregistreerd onder AWB 09/3114 WWB en 09/2904 WWB van 6 oktober 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BK2961) is de rechtbank van oordeel dat het beëindigen van de stageovereenkomst weliswaar door het privaatrecht wordt beheerst, maar ook is te beschouwen als het beëindigen van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de WWB. In die zin is deze beslissing met betrekking tot de stageovereenkomst (tevens) een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
      <para>De rechtbank houdt het ervoor dat het besluit tot beëindiging van deze voorziening mede namens verweerder is genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.4.	Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Re-integratieverordening bepaalt dat het college de voorziening kan beëindigen, dan wel intrekken als een persoon die deelneemt aan een voorziening, zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 4, dan wel zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB of in hoofdstuk 5 van de Wet Investeringen Jongeren, niet of niet voldoende nakomt en hem dit te verwijten valt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.	Ingevolge artikel 4, vijfde lid, aanhef van de Re-integratieverordening geldt voor een persoon die deelneemt aan deelgenomen heeft aan een voorziening de verplichting, onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- of regelgeving:</para>
      <para>b. zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken over de inhoud, passendheid, voortgang en uitvoering van de voorziening; </para>
      <para>c. naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken aan de onderdelen van de voorziening; </para>
      <para>d. na te laten alles dat de realisatie van het doel van de voorziening belemmert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6.	Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef, van de WWB is de belanghebbende verplicht </para>
      <para>a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden en </para>
      <para>b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.7.	Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet heeft meegewerkt aan het traject bij Pantar. Voorts staat vast dat eiser in feite uitsluitend als vrachtwagenchauffeur werkzaam wil zijn. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in artikel 4 van de Re-integratieverordening en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Dit brengt met zich dat verweerder bevoegd was tot beëindiging van de stageovereenkomst te besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder hiertoe in redelijkheid kunnen besluiten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zich te beperkt opstelt door uitsluitend een baan als vrachtwagenchauffeur te ambiëren. Eiser dient zich open te stellen voor algemeen geaccepteerde arbeid. Dit vloeit rechtstreeks uit de wet voort. Voorts constateert de rechtbank dat getracht is eiser aan een baan als vrachtwagenchauffeur te helpen. Pas toen dat niet lukte is gezocht naar een alternatief. De rechtbank merkt nog op dat het niet meewerken aan een stage blijkens de stageovereenkomst eveneens aanleiding kan zijn om de stageovereenkomst te beeindigen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de beëindiging van de voorziening overleg met eiser had moeten hebben. </para>
    <para />
    <para>3.8.	Het traject bij Pantar zou volgens opgave van eiser inhouden zes weken rondkijken op verschillende afdelingen bij Pantar, daarna zes maanden praktische vaardigheden opdoen en vervolgens bekijken of eiser in aanmerking komt voor een reguliere arbeidsovereenkomst. Verweerder heeft vorenstaande niet weersproken. Gelet op deze beschrijving van het traject valt niet in te zien dat eisers medische toestand een beletsel vormde om met dit traject te beginnen. In eisers persoonlijke toestand ziet de rechtbank evenmin beletselen. In dit verband wordt opgemerkt dat het niet aan eiser maar aan verweerder is om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de betrokkene aangewezen is om het beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Niet is aannemelijk te achten dat eisers opstelling vooral is toe te schrijven aan taalproblemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het eiser te verwijten valt dat hij niet heeft meegewerkt aan een traject bij Pantar. </para>
    <para />
    <para>3.9.	Van dubbele bestraffing is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De stopzetting van een voorziening is niet te beschouwen als een bestraffende sanctie. </para>
    <para />
    <para>3.10.	Gelet hierop kan het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de beëindiging van de stageovereenkomst rechtens stand houden.</para>
    <para />
    <para>4.	Verlaging van de uitkering</para>
    <para />
    <para>4.1.	Eiser heeft door niet mee te werken aan het traject bij Pantar de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, neergelegde verplichting gebruik te maken van een door verweerder aangeboden voorziening niet nagekomen. Nu hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt  vloeit hieruit voort dat verweerder ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van eiser overeenkomstig de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam (Afstemmingsverordening) te verlagen.</para>
    <para />
    <para>4.2.	Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening wordt de bijstand eenmalig met € 200, - verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden of die, gezien haar aard en doel, met een WWB-voorziening gelijk is te stellen. </para>
    <para />
    <para>4.3.	Artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt - voor zover hier van belang - dat de bijstand gedurende één maand wordt verlaagd met 100% wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college zeer ernstig te kort is geschoten in een of meer in van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten.</para>
    <para />
    <para>4.4.	Het tweede lid van dit artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat van een zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in het vorige lid met name sprake is als vaststaat of redelijkerwijs is aan te nemen dat het beroep door belanghebbende op algemene bijstand gedurende meer dan één maand het gevolg is van diens doen of nalaten.  </para>
    <para />
    <para>4.5.	Volgens verweerder is sprake van zeer ernstig tekortschieten omdat de geldigheidsduur van de stageovereenkomst (die liep tot 11 november 2009) zou zijn verlengd als eiser had deelgenomen aan het traject bij Pantar. Als gevolg hiervan heeft eiser langer dan één maand een beroep op de bijstand moeten doen.</para>
    <para />
    <para>4.6.	Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat als eiser het traject bij Pantar zou hebben gevolgd niet vast staat of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij uit de sfeer van de bijstand zou zijn geraakt. Immers het traject bij Pantar houdt niet meer in dan rondkijken en vaardigheden opdoen. Of eiser uiteindelijk een arbeidsovereenkomst zou worden aangeboden is volstrekt onzeker. Het enkele feit dat eiser een stagevergoeding zou ontvangen in plaats van een bijstandsuitkering acht de rechtbank in deze niet doorslaggevend.</para>
    <para />
    <para>4.7.	Dit betekent dan ook dat het besluit voor zover het betreft de verlaging van de bijstand met € 906,55 niet deugdelijk is gemotiveerd. Om die reden komt het bestreden besluit in zoverre in aanmerking om te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daarnaast zal de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser gegrond te verklaren en het primaire besluit II te herroepen en te bepalen dat de bijstand van eiser over februari 2010 eenmalig met € 200, - moet worden verlaagd. De verweten gedraging is aan te merken als ernstig tekortschieten in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening.  Er zijn geen aanknopingspunten om deze verlaging op nog een lager bedrag vast te stellen. </para>
    <para />
    <para>4.8.	De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn bezwaar en voor de behandeling van zijn beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot de kosten van bezwaar met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) op € 437,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift). De kosten voor de behandeling van het beroep worden met toepassing van het Bpb begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41, - aan hem te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>4.9.	De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser om verweerder op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade, bestaande uit de wettelijke rente wegens het niet tijdig uitbetalen van (€ 906,55 - € 200,- =)  € 706,55 aan bijstandsuitkering, moet worden toegewezen. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek over de € 706,55 na te betalen bijstand. </para>
    <para />
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond; </para>
      <para>-	vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bijstanduitkering is verlaagd met € 906,55;</para>
      <para>-	herroept het primaire besluit II van 2 februari 2010, bepaalt dat de bijstanduitkering van eiser over de maand februari 2010 eenmalig met € 200, - wordt verlaagd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de € 706,55 na te betalen bijstand aan eiser;</para>
      <para>-	bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41, - vergoedt;</para>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 1.311, -, te betalen aan de griffier van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2010.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>de griffier	de rechter</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel</para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
      <para>D: B</para>
      <para>SB</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>