<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3369</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:46:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN3369</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-03-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 09/3458 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3369">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3369</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:46:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3369 Rechtbank Amsterdam , 18-03-2010 / AWB 09/3458 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3369:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Keuzevrijheid om bij overschrijding redelijke termijn zich voor schadevergoeding te wenden tot bestuursorgaan, bestuursrechter of civiele rechter.</para>
        <para>In casu zelfstandig schadebesluit. Het materiele geschil was voorgelegd aan de bestuursrechter. Uitspraak CRvB van 28 april 2009 (LJN: BI2748) in casu dus niet relevant. Verweerders beleid, zoals neergelegd in de Richtlijn Uwv inzake vergoeding van schade bij overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM in de bezwaarfase, mist dan gelding. Zelf in de zaak voorzien.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3369:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK AMSTERDAM</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
      <para>zaaknummer: AWB 09/3458 WAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde mr. M.F. Vermaat,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde [gemachtigde verweerder].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1.	Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 januari 2009 heeft verweerder eisers verzoek om een vergoeding voor immateriële schade afgewezen.</para>
      <para>Bij besluit van 14 juli 2009 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).</para>
      <para>Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 28 juli 2009 beroep ingesteld.</para>
      <para>Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het beroep is behandeld op de zitting van 4 februari 2010, alwaar partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden voornoemd. Het onderzoek is vervolgens gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>2.	Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten en omstandigheden</para>
      <para>2.1	Bij besluit van 15 september 2000 heeft verweerder eiser een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 9 maart 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser van 19 september 2000 hiertegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 februari 2006 heeft de rechtbank eisers beroep hiertegen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft verweerder bij besluit van 6 december 2007 eiser alsnog per 14 oktober 1994 een WAO-uitkering toegekend, omdat eiser per die datum voor 80-100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij uitspraak van 7 december 2007 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2006 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2	Bij primair besluit van 16 januari 2009 heeft verweerder eiser een vergoeding van immateriële schade geweigerd nu geen sprake is van aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. </para>
    <para />
    <para>2.3	Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser (ook) geen recht heeft op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).</para>
    <para />
    <para>Standpunten van partijen</para>
    <para />
    <para>2.4	In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het bezwaar geduurd heeft van 19 september 2000, ontvangst bezwaarschrift, tot 9 maart 2001, het besluit op bezwaar. Dat verweerder op 6 december 2007, hangende het hoger beroep, nog een besluit heeft genomen brengt niet mee dat de tijdsduur van de behandeling door de rechter aan verweerder moet worden toegerekend. Wel zou de tijdsduur tussen de vooraankondiging van het nemen van een nieuw besluit van 10 oktober 2007 en het besluit van 6 december 2007 voor rekening van verweerder komen. Het bestuurlijk aandeel in de overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan ongeveer anderhalve maand. Dit zou leiden tot een schadevergoeding van € 500,-. Eiser heeft echter geen recht op schadevergoeding nu eiser niet tijdig een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft gedaan. Volgens verweerder had het voor de hand gelegen als eiser tijdens het hoger beroep de CRvB zou hebben gevraagd om een schadevergoeding. Weliswaar kan ook aan verweerder zelf om een schadevergoeding worden gevraagd, maar volgens verweerders beleid moet een verzoek om schadevergoeding zijn gedaan tijdens de bezwaarprocedure of na afloop van de bezwaartermijn terwijl de termijn voor het instellen van beroep nog loopt. In dit geval zou een verzoek van eiser binnen een periode van zes weken na het primaire besluit van 6 december 2007 tijdig zijn geweest. </para>
    <para />
    <para>2.5	Eiser heeft aangevoerd dat bij het indienen van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn eiser de keuze heeft om tijdens een procedure op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) een dergelijk verzoek te doen dan wel daarna een zelfstandig schadebesluit uit te lokken. De gemachtigde van eiser heeft in onder meer zijn brief van 26 mei 2008 expliciet geïnformeerd naar de vergoeding van de wettelijke rente en de immateriële schade. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade.</para>
    <para />
    <para>Beoordeling</para>
    <para />
    <para>2.6	De rechtbank stelt voorop dat hier sprake is van een zelfstandig schadebesluit, dat ziet op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM door verweerder in de procedure inzake eisers WAO-uitkering. </para>
    <para />
    <para />
    <para>2.7	De rechtbank wijst er verder op dat eiser voor het vorderen van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, de keuzevrijheid heeft om zich hiervoor tot het bestuursorgaan te wenden en zodoende een zelfstandig schadebesluit uit te lokken, op de voet van artikel 8:73 van de Awb de bestuurechter hierom te verzoeken dan wel een vordering in te stellen bij de burgerlijke rechter. Het standpunt van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat eiser de bestuursrechtelijke weg had moeten bewandelen nu deze ook open stond, volgt de rechtbank dan ook niet.</para>
    <para />
    <para>2.8	Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser schadevergoeding geweigerd op de grond dat eiser, gelet op verweerders beleid, niet tijdig een verzoek daartoe heeft ingediend. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat sprake is van een buitenwettelijk begunstigend beleid nu voor verweerder geen verplichting bestaat tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij heeft hij verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 28 april 2009 (LJN: BI2748). Daarin is overwogen dat aan artikel 6 van het EVRM geen aanspraak op schadevergoeding kan worden ontleend in de situatie dat sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd. Verweerder is dan ook bevoegd om nadere voorwaarden te stellen aan een dergelijk schadeverzoek.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.9	 Naar het oordeel van de rechtbank mist verweerders beleid, zoals neergelegd in de Richtlijn Uwv inzake vergoeding van schade bij overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM in de bezwaarfase, gelding in gevallen als het onderhavige, waarin het geschil over eisers WAO-uitkering na een bezwaarprocedure wel is voorgelegd aan de rechter. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in de hiervoor vermelde uitspraak van de CRvB van 28 april 2009 en daarom is er geen juridische grondslag voor de bevoegdheid van verweerder om in dit geval door middel van beleidsregels nadere voorwaarden te verbinden aan een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. </para>
      <para>Nu de rechtbank ook anderszins niet is gebleken van een juridische grond om het schadeverzoek van eiser van 26 mei 2008 niet tijdig gedaan te achten, berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.10	Gelet hierop ontbeert het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een deugdelijke motivering. De rechtbank zal het beroep reeds hierom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.</para>
    <para />
    <para>2.11	De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten dan wel om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. In dat kader wordt ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door verweerder, het volgende overwogen.</para>
    <para />
    <para>2.12	In zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN: BH1009) heeft de CRvB overwogen dat in beginsel recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Heeft de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij houdt de CRvB in beginsel de volgende termijnen voor afronding aan: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Indien in een of meer instanties sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel. Met het oog op de vaststelling van de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding dient vervolgens de omvang van de overschrijding te worden vastgesteld. Daarbij vormt de eerder genoemde termijn van vier jaar in beginsel het uitgangspunt. Voor de vaststelling van de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding hanteert de CRvB een bedrag van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.</para>
    <para />
    <para>2.13	De rechtbank stelt vast dat de procedure inzake eisers WAO-uitkering weliswaar is geëindigd met de uitspraak van de CRvB van 7 december 2007, maar dat met het besluit van 6 december 2007 reeds een einde is gekomen aan het materiële geschil in die procedure. Partijen hebben dit ter zitting ook bevestigd. Daarom dient voor de vaststelling van de totale lengte van de procedure als hiervoor bedoeld, uitgegaan te worden van 6 december 2007 als einddatum.</para>
    <para />
    <para>2.14	De gehele procedure inzake eisers WAO-uitkering, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 september 2000 tot het besluit op bezwaar van 6 december 2007, heeft zeven jaar en drie maanden in beslag genomen. De in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn is dus overschreden.</para>
    <para />
    <para>2.15	De behandeling van het bezwaar door verweerder heeft, uitgaande van de periode vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 september 2000 tot het besluit op bezwaar van 9 maart 2001, zes maanden geduurd. Gelet op de uitspraak van de CRvB van 12 maart 2009 (LJN: BH7955) dient ook de periode vanaf de aankondiging van het nemen van een nieuw besluit van 10 oktober 2007 tot het besluit van 6 december 2007 toegerekend te worden aan verweerder. De bezwaarfase heeft dus in totaal acht maanden geduurd. Verweerder heeft de voor de bestuurlijke fase in aanmerking te nemen duur van zes maanden overschreden met twee maanden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. </para>
    <para />
    <para>2.16	Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien nu dat besluit berust op een hiervoor ondeugdelijk gebleken grondslag en rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat eiser recht heeft op een vergoeding van € 500,- voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM door verweerder.</para>
    <para />
    <para>2.17	Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen nu dit verzoek niet nader is onderbouwd. </para>
    <para />
    <para>2.18	Er bestaat wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand. Ook dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>3.	Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank </para>
    <para />
    <para>-	verklaart het beroep gegrond; </para>
    <para />
    <para>-	vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <para>-	herroept het besluit van 16 januari 2009;</para>
    <para />
    <para>-	bepaalt dat eiser recht heeft op een vergoeding van € 500,- voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM;</para>
    <para />
    <para>-	bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van </para>
      <para>€ 644,-, te betalen aan eiser;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>-	bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 41 vergoedt;</para>
    <para />
    <para>-	wijst het anders of meer gevorderde af.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mrs. J.H.M. van de Ven en A.W.C.M. van Emmerik, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2010.</para>
    <para />
    <para>De griffier,              				De voorzitter,</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel</para>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>DOC: B</para>
      <para>SB</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>