<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2000:123</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-15T17:17:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.129181-99 en 13.047845-99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2000:123">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2000:123</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-15T17:15:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2000:123 Rechtbank Amsterdam , 13-12-2000 / 13.129181-99 en 13.047845-99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2000:123:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gevangenisstraf van 6 maanden voor wapens en munitie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2000:123:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM </bridgehead>
    <para>Parketnummers: 13.129181-99 en 13.047845-99</para>
    <para>datum uitspraak: 13 december 2000</para>
    <para>op tegenspraak </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, extra</para>
      <para>meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboortegegevens] 1974,</para>
      <para>ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie</para>
      <para>persoonsgegevens, tevens feitelijk verblijvende op het adres</para>
      <para>
        [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13, 15, 16, 20, 22, 24, 27 en 29 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Telastelegging.</title>
    <para>Aan verdachte is in zaak A telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting van 13 november 2000 gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en la aan dit vonnis gehecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd. Aan verdachte is in zaak B telastegelegd hetgeen staat</para>
      <para>omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 2 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Voorvragen.</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Geldigheid dagvaarding.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.1.</nr>
        <para>De raadsman heeft geconcludeerd tot nietigheid van de dagvaarding met betrekking tot het in zaak A onder 2 ten laste gelegde nu onduidelijk is welk delict met het middel, de brief, werd voorbereid. Parketnummers: 13.129.181-99 en 13.047.845-99 <emphasis role="bold">[verdachte] </emphasis>; De rechtbank verwerpt dit verweer. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gezien de aard van het delict in relatie tot de in de in de telastelegging genoemde brief omschreven tactieken om</para>
          <para>-kortweg- een geldtransport te overvallen, is voldoende duidelijk op welk strafbaar feit wordt gedoeld.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De raadsman heeft voorts aangevoerd dat, zoals in zaak A onder 1 subsidiair ten laste is gelegd, "het opnemen en/of onderhouden van contacten en/of het maken van afspraken met deelnemers of medeplichtigen" zonder nadere omschrijving wat die contacten en/of afspraken dan behelsden geen medeplichtigheidshandelingen kunnen opleveren. De rechtbank heeft dit verstaan als een beroep op nietigheid van de dagvaarding op dit punt.</para>
          <para>De rechtbank verwerpt dit verweer, nu uit het zaaksdossier voldoende duidelijk is op welke telefoongesprekken en</para>
          <para>afspraken wordt gedoeld.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>Door de raadslieden van de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (ten aanzien van de VSB-zaak) is- kort samengevat- aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, aangezien in het dossier met name in de zaaksdossiers Baarn en VSB Amsterdam de weergave van de tapgesprekken, paallocaties en de daaraan verbonden conclusies bewust misleidend zijn weergegeven doordat daarbij bewust een onvolledige beeld is gegeven van de beschikbare gegevens. De rechtbank verwerpt dit verweer en acht de officier van justitie ontvankelijk.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>A. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen.</para>
          <para>-Tijdens het onderzoek is een groot aantal telefoongesprekken die mogelijk een verband konden aantonen tussen verdachten en gepleegde overvallen door het onderzoeksteam geanalyseerd. Die analyse werd in belangrijke mate bemoeilijkt doordat verdachte [medeverdachte 1] zeer veel gesprekken voert met zijn medeverdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarbij hij naar eigen zeggen bewust rekening houdt met de mogelijkheid dat hij wordt</para>
          <para>afgeluisterd. Daardoor zijn de gesprekken naar inhoud voor een buitenstaander lastig te volgen en te duiden. Zo worden gesprekspartners zelden bij naam aangeduid, terwijl die ook zelf van verschillende telefoon- en semanummers gebruik maken. Ook ontmoetingsplaatsen worden niet of voor een buitenstaander vaag aangegeven. Daarnaast wordt regelmatig via semafoons contact opgenomen en wordt gebruik gemaakt van niet getraceerde communicatiemiddelen. Dit maakt het achterhalen van de handel en wandel van deze verdachten een vrijwel</para>
          <para>onmogelijke opgave.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>-Na de aanhouding hebben de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] slechts zeer beperkt informatie willen geven over de gevoerde telefoongesprekken. Onder die omstandigheden hebben de samenstellers van het dossier deze gesprekken geïnterpreteerd en van die interpretatie in gevolgtrekkingen rekenschap gegeven. Niet gezegd kan worden - mede gelet op het grote aantal telefoongesprekken dat daarbij in beschouwing moest worden genomen- dat deze interpretatie in het algemeen onbegrijpelijk was en van iedere logica gespeend.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft daarnaast geconstateerd dat de gevolgtrekkingen die in het dossier aan deze telefoongesprekken zijn verbonden in een groot aantal gevallen noch tijdens de verhoren noch ter zitting zijn weersproken, zodat niet kan worden gezegd dat die gevolgtrekkingen op zich bewust misleidend zijn opgesteld.</para>
          <para>-Die gevolgtrekkingen zijn deels gebaseerd op de paallocaties welke door de bij verdachte [medeverdachte 1] en een medeverdachte [medeverdachte 5] in gebruik zijnde mobiele telefoons werden gebruikt.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Deze gegevens leken de stelling te ondersteunen dat verdachte [medeverdachte 1] en een of meer van bovengenoemde verdachten zich in dan wel bij Baarn, dan wel in de omgeving van de VSB-bank te Amsterdam hadden bevonden, mogelijk in relatie tot die gepleegde overvallen. In zoverre vormden deze paallocaties een nadere onderbouwing van de verdenking en is opname daarvan in het dossier als zodanig niet bewust misleidend.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Na aanhouding zijn verdachten ook met deze gegevens geconfronteerd en hebben zij daarvoor in het algemeen geen bevredigende verklaring kunnen geven. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar aanleiding van de door verdachte [medeverdachte 1] gedane veronderstellingen is in de zaak Baarn onderzocht of de</para>
          <para>paallocaties mogelijk verband konden houden met een rit naar Almere; dit bleek hoogst onaannemelijk te zijn. Tevens is vastgesteld dat die paallocaties in de onderzochte periode overigens slechts in beeld kwamen op 9 december 1999. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar aanleiding van die constatering heeft verdachte [medeverdachte 1] geen nadere opheldering gegeven. In de zaak VSB is</para>
          <para>-tevergeefs- getracht de door verdachte [medeverdachte 1] opgevoerde getuige [getuige 1] te horen en is nader onderzoek gedaan naar traceerbare afspraken tussen verdachte [medeverdachte 1] en deze [getuige 1] in diens woning. In zoverre kan niet worden gezegd dat geen nader onderzoek is gedaan op basis van gegevens die ter weerlegging van de verdenking waren aangevoerd.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Onder deze omstandigheden in onderling verband bezien kan reeds niet worden gezegd dat het dossier bewust misleidend is opgesteld.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>B. Gezien de ernst van het verwijt aan het Openbaar Ministerie en de uitgebreide onderbouwing daarvan door de verdediging hecht de rechtbank eraan ook meer in detail haar oordeel hierover te geven. In de zaak Baarn is tijdens de behandeling ter terechtzitting het navolgende komen vast te staan:</para>
          <para>Uit een niet in het dossier opgenomen telefoongesprek d.d. 9 december 1999 en de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] ter zitting over de inhoud van dat gesprek is gebleken dat verdachte [medeverdachte 1] op die dag binnen een zeer kort tijdsbestek via de Al naar Amersfoort (en terug) is gereden teneinde een ontmoeting te hebben met een zekere [naam 1] . Onderweg zijn tijdens een door hem gevoerd telefoongesprek de paallocaties Berkenwegen Wakkerendijk te Baarn gebruikt, welke in het dossier Baarn zijn opgevoerd ter ondersteuning van de verdenking in die zaak dat verdachte [medeverdachte 1] zich in Baarn dan wel op weg van/naar Baarn zou hebben bevonden.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank deelt de conclusie van de verdediging dat die gevolgtrekking niet zonder meer getrokken had mogen worden nu de mogelijkheid openblijft dat ook op de in het dossier Baarn genoemde tijdstippen die paallocaties werden gebruikt terwijl de verdachte op de Al reed. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft tevens vastgesteld ten aanzien van de in de zaak Baarn opgevoerde data:</para>
          <para>Uit niet in het dossier opgenomen telefoongesprekken op 12 september 1999 blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] op die dag bezigheden had in Hilversum. Dat gegeven had naar het oordeel van de rechtbank in het dossier niet mogen ontbreken. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat uit het nader onderzoek van de telefoongesprekken op 13, 21 en 22 september alsmede op de tussenliggende dagen en de bespreking daarvan ter zitting geen nadere informatie is verkregen waaruit blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] , al dan niet in gezelschap van verdachte [verdachte] , niet in Baarn is dan wel kan zijn geweest. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de gevolgtrekkingen in het proces-verbaal inzake de zaak Baarn- meermalen onder voorbehoud gesteld- bewust misleidend zijn geweest. Evenmin is</para>
          <para>gebleken van veelvuldige afspraken met de eerder genoemde [naam 1] in Amersfoort noch van afspraken in Hilversum. Bovendien blijkt uit de overige gesprekken van contacten tussen verdachte [medeverdachte 1] en voornoemde [medeverdachte 5] , de gemeenschappelijke kennis [naam 2] -naar eigen zeggen de "bromfietsman van  Amsterdam"-, en de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Zij hebben eveneens geen inzichtelijke verklaring gegeven over die contacten en ook zij worden van betrokkenheid bij een of meer overvallen verdacht.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ten aanzien van de zaak VSB is door verdachte [medeverdachte 1] aangevoerd dat hij daar meermalen in de buurt kwam om vrienden op te zoeken zoals [getuige 1] , [naam 3] en [naam 4] . De verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard hierbij meermalen aanwezig te zijn geweest, al dan niet in gezelschap van verdachte [medeverdachte 4] . </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank constateert dat deze afspraken in het algemeen niet terug te vinden zijn aan de hand van de gevoerde telefoongesprekken. Uit de bespreking ter zitting van de activiteiten van de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 3] op 26 augustus, 2, 9, 16, 23 en 30 september 1999 is enkel als vaststaand feit naar voren gekomen dat verdachte [medeverdachte 1] tezamen met medeverdachte [verdachte] op 26 augustus 1999 in de Blokker tegenover de VSB-bank is geweest om plastic bakken voor een vriendin te kopen en zich op 23 september 1999 om 11.45 in de woning van [naam 4] bevond. Een nadere beschouwing van de tapgesprekken biedt niet meer inzicht in de</para>
          <para>redenen waarom men zich op de genoemde dagen in de omgeving van de VSB-bank ophield. Evenmin volgt daaruit dat verdachte [medeverdachte 1] dagelijks daar afspraken had met een van de drie genoemde vrienden. Ook hier constateert de rechtbank dat verdachte [medeverdachte 1] in voormelde periode veelvuldig contact onderhield met dan wel</para>
          <para>samen was met de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] , die ook onderling in nauw contact stonden en daarnaast, zij het in mindere mate met de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Voor deze contacten is zowel gedurende het onderzoek als ter terechtzitting door de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] geen andere verklaring gegeven dan dat men zomaar wat rondreed. Verdachte [medeverdachte 3] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Wel merkt de rechtbank op dat door het enkel in het dossier opnemen van een reeks van donderdagen zonder daarbij acht te</para>
          <para>slaan op de activiteiten op andere dagen een onvolledig en mogelijk gekleurd beeld is gegeven; de rechtbank acht dat echter eerder een onvolkomenheid dan bewuste misleiding. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Door de raadslieden is aangevoerd dat de officier van justitie wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel niet</para>
          <para>ontvankelijk is in zijn vervolging van de tenlastegelegde criminele organisatie nu dit feit niet aan een der  deelnemers, [medeverdachte 4] , ten laste is gelegd en wel aan de andere verdachten. Dit terwijl [medeverdachte 4] reeds is veroordeeld voor het medeplegen van de VSB-overval en thans wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de overval in Baarn en zijn positie dus niet wezenlijk verschilt van die van de andere verdachten.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank overweegt hierover het volgende. Voorop dient te staan dat aan het Openbaar Ministerie een</para>
          <para>ruime discretionaire bevoegdheid toekomt bij de toepassing van het opportuniteitsbeginsel welke wordt begrensd door de beginselen van een goede procesorde en een redelijke en billijke belangenafweging. In casu heeft de officier van justitie aangegeven dat juist die belangenafweging ten aanzien van [medeverdachte 4] heeft geleid tot toepassing van het opportuniteitsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 4] in de VSB-zaak heeft verklaard wie zijn mededader was. Veronderstellenderwijs uitgaande van een criminele groep heeft [medeverdachte 4] de</para>
          <para>daarbinnen geldende regel dat men elkaar niet onderling verlinkt, overtreden en zich zodoende buiten de groep</para>
          <para>geplaatst. Daardoor heeft hij zichzelf zowel in als na detentie in een moeilijke positie geplaatst. Niet</para>
          <para>onaannemelijk is dat daardoor zijn detentie feitelijk zwaarder is, waarmee bij het bepalen van de strafmaat ten aanzien van een veroordeling terzake artikel 140 Sr door de rechtbank mogelijk zodanig rekening zou moeten worden gehouden dat daardoor de vervolging voor dat feit bij [medeverdachte 4] naast de aan hem ten laste gelegde betrokkenheid bij de overval in Baarn weinig aan de uiteindelijke straf zou toevoegen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien niet gesteld worden dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot zijn afweging heeft kunnen komen. De rechtbank acht daardoor het gelijkheidsbeginsel dan ook niet geschonden en verwerpt het verweer.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Door de raadsman is gesteld dat met betrekking tot de VSB-zaak de officier van justitie tevens niet ontvankelijk is nu in die zaak aan verdachte [verdachte] kennisneming van processtukken is onthouden, aangezien de telefoontaps niet reeds bij diens aanhouding op 1 oktober 1999 terzake deze overval, maar pas bij diens  aanhouding terzake betrokkenheid bij een criminele organisatie op 9 mei 2000 in het dossier zijn gevoegd. Verdachte is daardoor tevens in zijn belangen geschaad nu hem pas ruim 7 maanden later werd gevraagd zijn</para>
          <para>doen en laten rond 30 september 1999 toe te lichten.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit de stukken blijkt dat tegen [verdachte] onder parketnummer 129181-99 op 24 juni 1999 een gerechtelijk vooronderzoek (gvo) is geopend terzake een overval in Hilversum op 28 januari 1999, waarbij machtiging werd verleend tot het aftappen van de telefoonaansluiting [nummer] , alsmede later kortstondig van twee gsm-nummers. Het gvo werd geopend in het kader van het Queeste-onderzoek gericht op het rechercheren naar daders van reeds gepleegde overvallen op grond van een proces-verbaal RCID-informatie waarin [verdachte] als dader van die overval werd genoemd en waarbij werd verwezen naar zijn veroordeling met betrekking tot de overval op de ABN-AMRO bank te Bussum d.d. 16 mei 1997. Deze tap(s) zijn stopgezet op 6 oktober 1999 in verband met de aanhouding van [verdachte] in de VSB-zaak. Nadat was geconstateerd dat [verdachte] na zijn vrijlating op 18 februari 2000 weer contact opnam met [medeverdachte 1] is op 23 februari 2000 binnen dit gvo het tappen van het huisnummer hervat.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Het onderzoek naar de overval op de VSB vond in eerste instantie plaats door de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en de vervolging heeft plaatsgevonden onder parketnummer 047845-99. Gezien de mogelijke relevantie van dit onderzoek voor het Queeste-onderzoek is op 6 oktober 1999 het onderzoek in de zaak </para>
          <para>047845-99 feitelijk overgenomen door het Queeste-team. Het proces-verbaal in deze zaak maakt geen melding van de telefoontaps. Voorzover aan de rechtbank bekend zijn deze ook niet aan de orde geweest tijdens het eerdere onderzoek ter terechtzitting tegen medeverdachte [medeverdachte 4] in deze zaak. Wel heeft de raadsman van [verdachte] in die zaak op 19 november 1999 aan de rechter-commissaris verzocht om achterliggende stukken uit een vermoedelijk ander onderzoek, nu zijn cliënt tijdens de verhoren de indruk had gekregen dat meer bekend was over zijn relatie tot [medeverdachte 4] . De rechter-commissaris heeft deze brief ter afdoening doorgeleid naar de officier van justitie.</para>
          <para>Het is de rechtbank niet bekend of en zo ja, hoe de officier van justitie hierop heeft gereageerd. De rechtbank constateert dat de aanhouding in de VSB-zaak heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 4]</para>
          <para> en niet naar aanleiding van het lopende gvo en de daarin lopende tap. De rechtbank acht het daarom ook passend dat deze zaak als een afzonderlijk feit onder een nieuw parketnummer is aangebracht. Enig verband met het Queesteonderzoek is pas in een later stadium naar voren gekomen en heeft geleid tot de hervatting van de tap op 23 februari 2000 en de nadere vordering gvo die op 12 mei 2000 is ingediend. Toen pas waren ook aan de hand van de in het Queeste-onderzoek lopende taps de thans mede aan de orde zijnde verdenkingen in het dossier vastgelegd en konden ook de taps op [verdachte] in hun onderling verband worden bezien. Dit is ook zichtbaar in het</para>
          <para>dossier, waarin in deel 25 het oude VSB-onderzoek is neergelegd. Onder die omstandigheden acht de rechtbank de officier van justitie formeel niet gehouden in de zaak met parketnummer 047845-99 tapgesprekken uit een ander lopend onderzoek dat niet tot de verdenking in die zaak had geleid, openbaar te maken. Het verweer kan dan ook niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Anderzijds kan de rechtbank zich voorstellen dat verdachte enigszins in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank merkt daarbij wel op dat verdachte na zijn aanhouding op 1 oktober</para>
          <para>1999 had kunnen verklaren over zijn toenmalige bezigheden en zijn relatie tot [medeverdachte 4] . Zijn thans afgelegde verklaring dat hij zich schaamde openheid te geven over de -naar zijn zeggen- plaatsgevonden hebbende vuurwapenoverdracht aan [medeverdachte 4] komt de rechtbank niet waarachtig over. Die opstelling komt voor rekening van verdachte. Verder merkt de rechtbank op dat verdachte zich thans in dezelfde positie bevindt als zijn</para>
          <para>medeverdachten in het Queeste-onderzoek en zich in het algemeen opvallend weinig herinnert van zijn gevoerde</para>
          <para>gesprekken en activiteiten. Niettemin dient naar het oordeel van de rechtbank eerdergenoemd nadeel bij een eventuele straftoemeting ten aanzien van de VSB-zaak een rol te spelen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waardering van het bewijs.</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat gegevens die mogelijk ontleend zouden kunnen worden aan de plaatsbepalingsgegevens van de GSM'S niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs, nu in de wet geen basis kan worden gevonden voor het gebruik van deze gegevens. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt dit verweer. Artikel 125f (oud) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) spreekt van "alle verkeer dat over een openbaar telecommunicatienetwerk plaatsvindt" en artikel 125g Sv (oud) spreekt van "gegevensverkeer via een openbaar telecommunicatienetwerk". De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de inlichtingen die hieromtrent worden verkregen, naast die betreffende de duur van het gesprek en het telefoonnummer van beller en ontvanger, mede omvatten de lokatie waar de apparatuur is gebruikt. De omstandigheid dat in sommige gevallen geen tweezijdige communicatie tot stand komt, doet daaraan niet af. Verdachte heeft door de keuze gebruik te willen maken van mobiele telefoons het risico genomen dat signalen daarvan kenbaar worden. De vergelijking met een peilbaken, zoals thans geregeld in artikel 126g Sv gaat niet op, nu het daarbij gaat om een door de overheid aangebracht instrument, terwijl bij mobiele telefoons de gebruiker zelf daarvoor kiest.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Tevens is door de verdediging de betrouwbaarheid van de uit de paallocaties afgeleide gegevens ter discussie gesteld alsmede de in het dossier opgenomen conclusie dat de telefoon van verdachte [medeverdachte 1] en van verdachte [medeverdachte 3] op cruciale tijdstippen uit stond teneinde de opsporing te bemoeilijken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter zitting is aan de hand van getuigenverhoren vastgesteld dat in het algemeen bij de tapnoteringen de X-Y-coördinaten van de gebruikte paallocaties worden weergegeven alsmede dat die lokaties worden voorzien van een nummer waarmee correspondeert de op die paal gebruikte cel . Dat betreft in het algemeen per paal drie cellen die ieder een segment van 120 graden van een kompasroos bestrijken. Vervolgens wordt de peilrichting van de telefoongebruiker aangegeven met de middellijn van ieder van die segmenten, te weten 60, 180 en 300 graden. Uit die peilrichting en de gebruikte cel kan worden afgeleid dat de gebruiker zich in of vlak bij dat segment bevindt. Deze gegevens kunnen worden verstoord doordat de communicatie wordt verzorgd door de kwalitatief daarvoor op een gegeven moment meest geschikte cel en het -volgens de getuige [getuige 2] bij uitzonderlijke drukte- overnemen van de communicatie door een andere cel; in dat geval geven de peilingen derhalve een onjuist beeld. Wordt in korte tijd bij meer gesprekken steeds gebruik gemaakt van dezelfde cel dan is hoogstwaarschijnlijk dat de gebruiker zich in dat segment bevindt. In zoverre kan, hoewel in het dossier niet uitputtend onderbouwd, worden vastgesteld dat de gevolgtrekkingen in de zaak VSB over de aanwezigheid in het gebied rond de VSB-bank met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid juist zijn. Tevens is vastgesteld -hetgeen bij verdachte [medeverdachte 1] naar eigen zeggen ook bekend is- dat een telefoon die UIT staat geen paallocaties oplevert, ook niet wanneer men probeert die telefoon te bereiken. De rechtbank merkt op dat er onduidelijkheid is ontstaan ten</para>
        <para>aanzien van de vraag of de telefoon op bepaalde momenten UIT stond dan wel niet werd opgenomen. Deze onduidelijkheid is veroorzaakt doordat in de tapkamer, ook wanneer een telefoon uitstaat, de pogingen tot inbellen worden geregistreerd. Door de beluisteraar van de tap wordt dan vrij willekeurig genoteerd : wno, geen gesprek, geen gehoor dan wel "deze telefoon is momenteel niet bereikbaar". De rechtbank merkt daarbij op dat eveneens ter zitting duidelijk is geworden dat de bij de taps behorende printlijsten altijd ten aanzien van het begin en het einde van een gesprek of gesprekscontact aangeven of een paallocatie wordt geregistreerd. Ter zitting van 29 november 2000 heeft de officier van justitie in de VSB-zaak hiertoe printlijsten overgelegd. De rechtbank merkt hierbij op dat, hoewel aannemelijk, niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat een telefoon tussen twee als UIT-staand genoteerde tijdstippen ook daadwerkelijk heeft uitgestaan. Gegevens in het dossier dat een mobiele telefoon UIT stond, kunnen reeds daarom slechts met grote voorzichtigheid voor het bewijs worden gebruikt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.3a. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de  betrokkenheid van de verdachte bij de overval op de VSB te</para>
        <para>Amsterdam de verklaring van [medeverdachte 4] het belangrijkste bewijsmiddel vormt. Om die reden heeft de rechtbank [medeverdachte 4] ter zitting als getuige gehoord en verdachte in de gelegenheid gesteld aan de getuige vragen te stellen dan wel hem met zijn verklaring te confronteren. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 4] blijft bij zijn verklaring dat verdachte die overval heeft uitgevoerd en dat [medeverdachte 4] in die verklaring ook van meet af aan consistent is geweest. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 4] betrouwbaar voorzover deze inhoudt dat [verdachte] bij deze overval betrokken was. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat de rol van [verdachte] anders was dan [medeverdachte 4] heeft aangegeven. Daarnaast acht de rechtbank het meer dan aannemelijk dat de bij verdachte aangetroffen revolver bij</para>
        <para>die overval is gebruikt. Nu de rechtbank echter noch uit deze, noch uit de overige bewijsmiddelen met zekerheid kan vaststellen welke de precieze rol van verdachte is geweest en derhalve ook niet kan uitsluiten dat die rol een andere dan die van medepleger is geweest, zal de rechtbank ten aanzien van dit feit tot vrijspraak concluderen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.3b. De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de bij verdachte aangetroffen brief kennelijk bestemd is tot het</para>
        <para>geven van informatie voor het uitvoeren van een overval op een geldtransport. Nu echter geen andere aanwijzingen zijn gevonden die wijzen in de richting van het daadwerkelijk voorbereiden van zodanige overval, acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig om de intentie van verdachte op het moment van het aantreffen van deze brief vast te stellen en zal de rechtbank verdachte ook van dit feit vrijspreken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen in zaak A onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 en in zaak B onder 1 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op en omstreeks 30 september 1999 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een revolver (Rossi, kaliber .38 special) en munitie van categorie III, te weten vijf patronen (Winchester, kaliber .38 special) voorhanden heeft gehad.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het bewijs.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid van het feit.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7</nr>Motivering van de straf en maatregel.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf het volgende laten meewegen.</para>
      <para>Verdachte heeft op 30 september 1999 een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De hoofdverdenking in de zaak van verdachte was het op dezelfde dag (mede-)plegen van een overval op een VSB-bank te Amsterdam. Eén van zijn medeverdachten, [medeverdachte 4] , heeft verklaard dat verdachte bij die overval betrokken was. Verdachte zelf heeft ter zitting verklaard dat hij op de dag van de overval het op de telastelegging vermelde wapen aan [medeverdachte 4] heeft gegeven. Het wapen is later, na de overval, weer in verdachtes woning</para>
      <para>aangetroffen. Het onder deze omstandigheden voorhanden hebben van een wapen rechtvaardigt een straf die boven de door het Openbaar Ministerie gebruikte en meestal door de rechter gevolgde richtlijn uitgaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de vrijheidsbenemende straf gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte, zoals gebleken uit het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Onttrekking aan het verkeer.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten itemnummer </para>
      <para>1: revolver (merk Rossi, .38 special),</para>
      <para>2: 5 patronen (Winchester .38 special), </para>
      <para>Dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht,</para>
      <para>26 en 55 van de Wet wapens en munitie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het in zaak A onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 en in zaak B onder 1 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ten aanzien van het in zaak B onder 2 telastegelegde: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet</para>
      <para>wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte <emphasis role="bold">[verdachte] </emphasis>daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van <emphasis role="bold">zes maanden.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in</para>
      <para>voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart onttrokken aan het verkeer:</para>
      <para>itemnummer 1: revolver (merk Rossi, .38 special),</para>
      <para>2: 5 patronen (Winchester .38 special).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelast de teruggave aan [verdachte] voornoemd van</para>
      <para>itemnummer 6: een telefoontoestel (Motorola) met telefoonkaart</para>
      <para>12: groene jas (Nickelson).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr M. Gonggrijp-van Mourik</para>
      <para>mrs P.K. van Riemsdijk en A.V.T. de Bie</para>
      <para>in tegenwoordigheid van E.J. Witteman</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 december 2000.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>