<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4270</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T10:21:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4270</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/1389 VEROR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:70&amp;g=1999-09-01">Algemene wet bestuursrecht 8:70</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4270">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4270</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:55:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4270 Rechtbank Amsterdam , 01-09-1999 / AWB 98/1389 VEROR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4270:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:1999:AA4270:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>	Uitspraak </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>reg.nr:	AWB 98/1389 VEROR</para>
    <para />
    <para>inzake:	A, wonende te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>tegen:		het college van burgemeester en wethouders van de  gemeente Amster-dam, verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT</para>
    <para />
    <para>Besluit van 16 januari 1998, kenmerk 970904.</para>
    <para />
    <para>2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 10 juni 1997 heeft verweerder besloten dat eiser niet in  aanmerking komt voor een voorrangsverklaring als  stadsvernieuwingskandidaat in het kader van de  Huisvestingsverordening 1996.</para>
    <para />
    <para>Tegen dit besluit heeft eiser bij ongedateerd bezwaarschrift bezwaar  gemaakt, welk bezwaarschrift door verweerder op 15 juli 1997 is  ontvangen. </para>
    <para />
    <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder handhaving van het  primaire besluit het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>Tegen dit besluit heeft mr. A.M. Grüschke, advocaat te Amsterdam,  namens eiser, bij beroepschrift van 20 februari 1998 beroep bij de  rechtbank ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft op 17 maart 1998 afschriften van de op de zaak  betrekking hebbende stukken ingezonden. </para>
    <para />
    <para>Bij brief van 29 april 1998 heeft mr. Grüschke, voornoemd, de gronden  van het beroep ingediend.</para>
    <para />
    <para>Bij verweerschrift van 25 mei 1998 heeft verweerder verweer gevoerd. </para>
    <para />
    <para>Bij brief van 5 maart 1999 heeft mr. Grüschke desgevraagd nadere  informatie gegeven. Bij brief van 10 juni 1999 (met bijlage) heeft verweerder desgevraagd  een nadere onderbouwing van zijn standpunt gegeven.</para>
    <para />
    <para>Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 juli 1999,  alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Pijnenburg,  advocaat te Amsterdam, die voor mr. Grüschke is verschenen.  Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde M.  van der Hijden, juridisch medewerker bij de gemeente Amsterdam. </para>
    <para />
    <para>3. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte  stand kan houden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.</para>
    <para />
    <para>Feiten</para>
    <para />
    <para>Blijkens een tussen eiser en de woningcorporatie Nieuw Amsterdam op  28 augustus 1987 gesloten huurovereenkomst heeft eiser met ingang  van 1 september 1987 de woning […] 338 te B gehuurd.  Eiser staat sedert 6 oktober 1987 ingeschreven op het laatstgenoemde  adres.</para>
    <para />
    <para>In verband met voorgenomen sloop of verkoop van delen van de flats  Frissenstein, Fleerde en Florijn heeft de woningcorporatie Nieuw  Amsterdam de bewoners van deze delen van F-flats bericht hen te  zullen gaan herhuisvesten.</para>
    <para />
    <para>Blijkens het door Nieuw Amsterdam verspreide informatieboekje voor  de bewoners van Fleerde en Florijn is de peildatum het moment  waarop de herhuisvesting start. De peildatum is bepalend voor  aanspraak op bemiddeling ter herhuisvesting in het kader van de  stadsvernieuwing. Voor het onderhavige project (Projectgroep  Amsterdamse Poort) is de peildatum vastgesteld op 1 oktober 1996.  Blijkens dit informatieboekje worden als stadsvernieuwingskandidaten  (hierna te noemen: sv-kandidaten) beschouwd hoofdbewoners die in  het bezit zijn van een geldig huurcontract en op de peildatum langer  dan twee jaar op de woning wonen alsmede hoofdbewoners die in het  bezit zijn van een geldig huurcontract en op de peildatum langer dan  twee jaar aaneengesloten als hoofdbewoner op een hoogbouwflat in  de Bijlmer wonen, een en ander voor zover zij wel een geldig  huurcontract hebben en niet ergens anders wonen. Deze  stadsvernieuwingskandidaten worden voorrangskandidaat van de  Stedelijke Woningdienst Amsterdam. Verder staat er in het  informatieboekje dat vanaf de peildatum (1 oktober 1996)  hoofdbewoners, zowel sv-kandidaten als semi-sv-kandidaten, bij het  leeg achterlaten van de woning in aanmerking komen voor een  eenmalige financiële tegemoetkoming.</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op het advies van  de bezwaarschriftencommissie. Deze commissie heeft - kort gezegd -  overwogen dat nog steeds voldoende grond bestaat voor het oordeel  dat eiser op de peildatum van 1 oktober 1996 niet feitelijk  hoofdbewoner was van de woonruimte […] 338.</para>
    <para />
    <para>Blijkens een door eiser met de woningcorporatie Nieuw Amsterdam op  29 januari 1998 gesloten huurovereenkomst is eiser met ingang van  1 februari 1998 huurder van de woning […] 20 te B.</para>
    <para />
    <para>De gronden van het beroep   Eiser stelt zich op het standpunt dat hij, gelet op het feit dat hij op de  peildatum feitelijk woonachtig was in de woning […] 338 te B in aanmerking had behoren te komen voor een  voorrangsverklaring en de verhuiskostenvergoeding. Eiser heeft  weliswaar geen belang meer bij het verkrijgen van een voorrangs- verklaring, maar heeft nog wel belang bij het verkrijgen van een  uitspraak van de rechtbank op zijn beroep in verband met zijn  aanspraak op verhuiskostenvergoeding.</para>
    <para />
    <para>Het verweer   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, nu hij sedert  1 februari 1998 de beschikking heeft over de zelfstandige woning  Develstein 20, geen belang meer heeft bij een voorrangsverklaring  vanwege stadsvernieuwing ter verkrijging van vervangende  woonruimte. Wanneer eiser slechts een voorrangsverklaring wenst  vanwege het feit dat hij dan aanspraak kan maken op een  verhuiskostenvergoeding, is dat een oneigenlijk argument omdat dit  geen doel is die de Huisvestingsverorde-ning beoogt. In dit verband  verwijst verweerder naar een uitspraak van de president van deze  rechtbank van 15 oktober 1996. Verweerder komt tot de conclusie dat  het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.</para>
    <para />
    <para>Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden  besluit op juiste gronden is genomen. Hiervoor verwijst verweerder naar  het advies van de bezwaarschriftencommissie behorende bij het  bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>In het kader van de vraag of eiser ontvankelijk is in zijn beroep ziet de  rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiser wel procesbelang heeft bij  het onderhavige beroep nu het rechtsgeschil betrekking heeft op het al  dan niet verkrijgen van een voorrangsverklaring waarmee een  aanspraak wordt gevestigd jegens verweerder op bemiddeling bij  eigenaren van woonruimte opdat aan de houders van dergelijke  verklaringen passende woonruimte wordt aangeboden, terwijl eiser -  alvorens beroep werd ingesteld - reeds de beschikking had over  vervangende woonruimte.</para>
    <para />
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank is dit procesbelang aanwezig. Bij  het bestreden besluit is aan eiser een voorrangsverklaring onthouden  omdat hij volgens verweerder niet als sv-kandidaat kan worden aange- merkt. Instandblijving van dit besluit brengt mee dat eiser zich  bezwaarlijk tegenover Nieuw Amsterdam als sv-kandidaat met  aanspraak op de eenmalige financiële tegemoetkoming kan doen  gelden. De in het aanhangig gemaakte beroep te beantwoorden vraag  of eiser kan worden aangemerkt als sv-kanditaat is dus van wezenlijk  belang voor de vraag of er aanspraak bestaat op een eenmalige  financiële vergoeding. Daaraan doet niet af verweerders betoog dat  verhuiskosten-vergoeding wordt verstrekt op grond van artikel 1623 e,  zesde lid, van het Burgelijk Wetboek en dus een civielrechtelijk  aangelegenheid betreft.</para>
    <para />
    <para>De door verweerder ingeroepen uitspraak van de president van deze  rechtbank van 15 oktober 1996 betreft een geval waarin nog geen  peildatum was vastgesteld en betrokkene de vaststelling daarvan wilde  bespoedigen ter eerdere verkrijging van een voorrangsverklaring en  heeft dus geen relevantie voor de onderhavige zaak.</para>
    <para />
    <para>Gesteld noch ambtshalve gebleken is dat het beroep op enige andere  grond niet-ontvankelijk moet worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 2.4.1 van de Huisvestingsverordening 1996 van de  gemeente Amsterdam kunnen burgemeester en wethouders een  huishouden een voorrangsverklaring verlenen. Een voorrangsver- klaring kan worden verleend aan - voor zover hier van belang -  stadsvernieuwingskandidaten, dat wil zeggen: de huishoudens  die - in elk geval - op de, door burgemeester en wethouders  vastgestelde, peildatum feitelijk hoofdbewoner zijn van de  desbetreffende woonruimte.</para>
    <para />
    <para>De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet aannemelijk is dat  eiser op de peildatum van 1 oktober 1996 feitelijk woonde op het adres  […] 338. Voor dit oordeel is redengevend het door H. Tideman,  medewerker van de Stedelijk Woningdienst Amsterdam, verrichte  huisbezoek van 4 maart 1997, waarvan een verslag is opgemaakt. Uit  dit verslag blijkt dat het een tweekamerwoning betrof en dat Tideman,  voornoemd, uit eigen waarneming heeft geconstateerd dat in geen van  beide kamers een bed aanwezig was. Voorts blijkt uit dit verslag dat er  in de woning niets aanwezig was dat op bewoning van een kind van  tien jaar duidde. De rechtbank is gesterkt in dit oordeel nu tijdens het  tweede huisbezoek op 4 november 1997 is geconstateerd dat de  woning normaal was ingericht. Gelet op deze opmerkelijke wijziging  tussen deze huisbezoeken dient het er voor worden gehouden dat op 1  oktober 1996 geen sprake is geweest van feitelijke bewoning door eiser  van […] 338. Gelet op deze wijziging kan het huisbezoek van 4  november 1997 niet als uitgangspunt worden genomen bij de  beantwoording van de vraag of eiser op de peildatum feitelijk woonde in  de woning […] 338. Uit de naheffing terzake van het  electriciteitsgebruik kan, anders dan eiser heeft betoogd, niet worden  afgeleid dat wél sprake is geweest van feitelijke bewoning zodat deze  naheffing, wat daarvan verder ook zij, niet leidt tot een ander oordeel.</para>
    <para />
    <para>Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden  verklaard.</para>
    <para />
    <para>Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou  moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden  veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de  rechtbank niet gebleken.</para>
    <para />
    <para> 4. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Gewezen door mr. A.H. Kist, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.  O_ko, griffier, en uitgesproken in het openbaar op:</para>
    <para />
    <para>door mr. A.H. Kist, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    <para />
    <para> De griffier,                  De rechter,</para>
    <para />
    <para> Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het  bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze  uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak  van de Raad van State te 's-Gravenhage.</para>
    <para />
    <para> Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <para>Coll: D:B</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>