<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:21:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3717</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Awb 99/9094 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=1999-10-06">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001017&amp;artikel=26&amp;g=1999-10-06">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009511&amp;g=1999-10-06">Wijzigingswet Vreemdelingenwet en enige andere wetten (koppeling aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland)</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1999, 180</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717 Rechtbank Amsterdam , 06-10-1999 / Awb 99/9094 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
      <para>afdeling voorlopige voorzieningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>489</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK ALS BEDOELD IN</para>
      <para>ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>reg.nr. : AWB 99/9094 NABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake          :  A en B, wonende te C,</para>
      <para>verzoekers</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen           :  het college van burgemeester en wethouders van</para>
      <para>de gemeente Amsterdam, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. AANDUIDING BESTREDEN BESLUIT</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Besluit van verweerder van 3 september 1999, nr. EST 1999/2829</para>
      <para>(3538.469) A.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>2. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 juni 1999 heeft verweerder de aan verzoekers</para>
      <para>toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandsuitkering (Abw)</para>
      <para>met ingang van 1 juli 1999 beëindigd, omdat zij niet rechtmatig in</para>
      <para>Nederland verblijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft mr. Th.P.M. Moons, advocaat te Amersfoort,</para>
      <para>namens verzoekers op 19 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond</para>
      <para>verklaard, doch het besluit van 29 juni 1999 herzien in die zin dat de</para>
      <para>uitkering met ingang van 8 juli 1999 wordt beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft mr. N. Woudwijk, advocaat te Amersfoort, namens</para>
      <para>verzoekers op 14 eptember 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van eveneens 14 september 1999 heeft mr. N. Woudwijk</para>
      <para>voornoemd zich namens verzoekers tot de president van de rechtbank</para>
      <para>gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft desgevraagd de op de zaak betrekking hebbende</para>
      <para>stukken ter griffie ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is op 1 oktober 1999 ter zitting behandeld. Verzoekers zijn</para>
      <para>niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.</para>
      <para>M. Diderich, werkzaam bij de gemeentelijke sociale dienst.</para>
      <para>3. MOTIVERING</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te</para>
      <para>worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen,</para>
      <para>het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste</para>
      <para>belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang</para>
      <para>van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en</para>
      <para>anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen</para>
      <para>belang. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt</para>
      <para>gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een</para>
      <para>voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de</para>
      <para>bodemprocedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Feiten en omstandigheden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker A, geboren op […] 1958 en van Marokkaanse</para>
      <para>nationaliteit, is op 11 aart 1981 Nederland ingereisd, maar heeft zich</para>
      <para>nimmer bij de Vreemdelingendienst gemeld. Verzoeker is verscheidene</para>
      <para>malen uit Nederland verwijderd, laatstelijk op 27 ovember 1987.</para>
      <para>Verzoeker is nimmer in het bezit geweest van een geldige vergunning tot</para>
      <para>verblijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 januari 1995 heeft verzoeker bij de korpschef van de politieregio</para>
      <para>Amsterdam-Amstelland een aanvraag om een vergunning tot verblijf</para>
      <para>ingediend met als doel het verrichten van arbeid in loondienst. Bij besluit</para>
      <para>van 18 juni 1996 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan verzoeker</para>
      <para>meegedeeld de aanvraag niet in te willigen. Tegen dit besluit heeft hij</para>
      <para>bezwaar gemaakt, doch dit bezwaar is bij besluit van 26 juli 1996</para>
      <para>ongegrond verklaard. De rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats</para>
      <para>Amsterdam, heeft het tegen dit besluit ingediende beroep bij uitspraak</para>
      <para>van 20 anuari 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster B, geboren op […] 1970 en van Marokkaanse</para>
      <para>nationaliteit, is op of omstreeks 30 mei 1990 Nederland ingereisd en heeft</para>
      <para>op 23 juli 1997 bij de korpschef van de politieregio Amsterdam-</para>
      <para>Amstelland een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel</para>
      <para>verblijf bij Marokkaanse echtgenoot A ingediend. Op deze aanvraag</para>
      <para>is afwijzend beslist bij besluit van 3 oktober 1997. Bij brief van 14 oktober</para>
      <para>1997 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om verlening van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf zonder beperking en is verzocht het doel te wijzigen</para>
      <para>in klemmende redenen van humanitaire aard. Eerdergenoemde korpschef</para>
      <para>heeft deze brief doorgestuurd in aanvulling op de aanvraag van 23 juli</para>
      <para>1997 en het bezwaarschrift van 24 november 1997. Het bezwaar is bij</para>
      <para>besluit van 17 ecember 1998 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1</para>
      <para>september 1999 is het tegen dit afwijzende besluit ingestelde beroep</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 13 november 1997 andermaal een aanvraag</para>
      <para>ingediend om een vergunning tot verblijf, thans met als doel klemmende</para>
      <para>redenen van humanitaire aard danwel medische redenen. Op deze</para>
      <para>aanvraag is nog niet onherroepelijk beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sedert 1 december 1997 ontvingen verzoekers ter voorziening in de</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan een bijstandsuitkering naar de</para>
      <para>norm voor een gezin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van een onderzoek naar het recht op ongewijzigde continu</para>
      <para>ering van de bijstandsuitkering heeft verweerder op 17 juli 1998 de</para>
      <para>Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) geraadpleegd. Hierin is ten</para>
      <para>aanzien van de verblijfsstatus van verzoekers opgenomen: 18. Bij besluit</para>
      <para>van 12 augustus 1998 is aan verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering met</para>
      <para>ingang van 1 september 1998 wordt beëindigd, omdat hij niet rechtmatig</para>
      <para>in Nederland verblijft. Namens verzoeker is tegen dit besluit bezwaar</para>
      <para>gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 13 november 1998 het bezwaar</para>
      <para>gegrond verklaard, nu uit nadere informatie van de Dienst</para>
      <para>Vreemdelingenpolitie is gebleken dat verzoekers ingevolge artikel 1b,</para>
      <para>onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw) rechtmatig in Nederland</para>
      <para>verblijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 16 juni 1999 opnieuw de GBA geraadpleegd. Ten</para>
      <para>aanzien van de verblijfsstatus van verzoeker is hierin opgenomen:</para>
      <para>'Verblijfsstatus        : 18 GEMELD BIJ VD, GEEN VERZOEK TOELATING ALS</para>
      <para>VLUCHTE-    LING, GEEN UITZETTING</para>
      <para>van 13nov1997 tot 17dec1998'.</para>
      <para>Ten aanzien van de verblijfsstatus van verzoekster is opgenomen: 'GEEN</para>
      <para>VERBLIJFSSTATUS BEKEND'. Uit op 16 juni 1999 opgevraagde</para>
      <para>informatie van de Dienst Vreemdelingenpolitie is verweerder gebleken</para>
      <para>dat verzoeker status 18 heeft en geen historie met betrekking tot de</para>
      <para>verblijfstitel, alsmede dat verzoeker ingevolge artikel 1b, onder 3, van de</para>
      <para>Vw rechtmatig in Nederland verblijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft verweerder het besluit van 29 juni 1999 genomen.</para>
      <para>Tegen dit besluit is namens verzoekers bezwaar gemaakt bij bezwaar</para>
      <para>schrift van 19 juli 1999. In bezwaar hebben verzoekers aangevoerd dat zij</para>
      <para>rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 1b, onder 3, van</para>
      <para>de Vw. Voorts hebben zij aangevoerd dat de beëindiging van de</para>
      <para>bijstandsuitkering schending oplevert van artikel 26 van het Interna</para>
      <para>tionaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers zijn op 17 augustus 1999 in de gelegenheid gesteld te</para>
      <para>worden gehoord. Tijdens de hoorzitting hebben verzoekers nog aange</para>
      <para>voerd dat zij gelijk dienen te worden gesteld aan Turkse onderdanen die</para>
      <para>op grond van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische</para>
      <para>bijstand (EVSMB) wel recht hebben op bijstand en voorts dat er inge</para>
      <para>volge artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake Economische,</para>
      <para>Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) recht bestaat op bijstand. Tevens</para>
      <para>heeft verzoeker aangevoerd dat verzoekster zwanger is en onder</para>
      <para>voortdurende medische controle staat in verband met haar suikerziekte.</para>
      <para>Verzoeker dient in Nederland te blijven, omdat verzoekster niet kan</para>
      <para>reizen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <para>Standpunten van partijen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers kunnen zich met dit besluit niet verenigen, en hebben in dat</para>
      <para>verband herhaald hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Voorts hebben</para>
      <para>verzoekers blijkens de gedingstukken, samengevat, aangevoerd dat</para>
      <para>verzoeker nog in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om</para>
      <para>toelating en dat uitzetting achterwege dient te blijven totdat op de</para>
      <para>aanvraag is beslist. Tevens hebben verzoekers aangevoerd dat het</para>
      <para>gevolg van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 oktober</para>
      <para>1998 is dat er in Nederland een situatie van rechtsongelijkheid is</para>
      <para>ontstaan, doordat een Turk die in afwachting is van een beslissing op zijn</para>
      <para>aanvraag tot toelating wel in aanmerking komt voor sociale</para>
      <para>voorzieningen en een Marokkaan niet, omdat Marokko geen partij is bij</para>
      <para>het EVSMB. Voorts is naar het oordeel van verzoekers met de uitspraak</para>
      <para>van de rechtbank 's-Gravenhage de doelstelling van de Koppelingswet</para>
      <para>achterhaald, nu immers een belangrijke groep vreemdelingen aan wie</para>
      <para>met de inwerkingtreding van de Koppelingswet collectieve voorzieningen</para>
      <para>waren ontzegd, hier nu toch recht op blijken te kunnen doen gelden.</para>
      <para>Tenslotte hebben verzoekers aangevoerd dat er alles voor te zeggen is</para>
      <para>om de wet opzij te zetten, nu het resultaat van de wetstoepassing</para>
      <para>dermate onbillijk is dat dit resultaat niet door de wetgever kan zijn</para>
      <para>gewenst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers vorderen thans als voorlopige voorziening dat verweerder</para>
      <para>wordt opgedragen dat hen in afwachting van de beroepsprocedure bij</para>
      <para>stand wordt verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder stelt zich blijkens de gedingstukken, samengevat, op het</para>
      <para>standpunt dat de bijstandsuitkering van verzoekers is beëindigd omdat zij</para>
      <para>niet rechtmatig in Nederland verblijven. Met de inwerkingtreding van de</para>
      <para>Koppelingswet is de Abw gewijzigd en is verlening van bijstand aan een</para>
      <para>vreemdeling uitsluitend nog mogelijk aan degene die hier te lande</para>
      <para>rechtmatig verblijft in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de</para>
      <para>Vw. Ten aanzien van verzoekers staat vast dat geen sprake is van</para>
      <para>rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.</para>
      <para>Primair kunnen zij dan ook niet gelijk worden gesteld met de in artikel 7,</para>
      <para>tweede lid, van de Abw bedoelde vreemdeling terwijl zij voorts evenmin</para>
      <para>gelijk kunnen worden gesteld met de in artikel 1 van het Besluit</para>
      <para>gelijkstelling vreemdelingen Abw, Iow en Ioaz bedoelde vreemdeling.</para>
      <para>Het in de Koppelingswet voorziene overgangsrecht is volgens verweerder</para>
      <para>voorts ook niet van toepassing in de situatie van verzoekers. Verder is</para>
      <para>verweerder van mening dat de stelling van verzoekers dat de weigering</para>
      <para>van de bijstandsverlening in strijd is met bovengenoemde</para>
      <para>internationaalrechtelijke bepalingen, niet opgaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft het bestreden besluit gegrond op de overweging dat de</para>
      <para>aan verzoekers toegekende bijstandsuitkering met ingang van 8 juli 1999</para>
      <para>is ingetrokken -kort samengevat- omdat zij niet rechtmatig in Nederland</para>
      <para>verblijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de Koppelingswet (Stb. 1998,</para>
      <para>nr. 203 en 204) zijn onder meer de aanspraken op bijstandsverlening van</para>
      <para>hier te lande verblijvende vreemdelingen gewijzigd in die zin dat deze</para>
      <para>zijn gekoppeld aan rechtmatig verblijf hier te lande.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als gevolg van de Koppelingswet is per 1 juli 1998 in de Vw een nieuw</para>
      <para>artikel 1b opgenomen. Voorzover van belang luidt dit artikel 1b als volgt:</para>
      <para>"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:</para>
      <para>1       op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond</para>
      <para>van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan</para>
      <para>verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling</para>
      <para>krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;</para>
      <para>2               (..);</para>
      <para>3               in afwachting van de beslissing op een aanvraag om</para>
      <para>toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge</para>
      <para>deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of</para>
      <para>op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager</para>
      <para>achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;</para>
      <para>4               (..);</para>
      <para>5               (..)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 7, eerste lid, van de Abw, zoals dit artikel vanaf 1 juli 1998 luidt,</para>
      <para>is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige</para>
      <para>omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de</para>
      <para>middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te</para>
      <para>voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid</para>
      <para>van dit wetsartikel is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het</para>
      <para>eerste lid, gelijk wordt gesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling</para>
      <para>die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef,</para>
      <para>en onder 1, van de Vw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 8a, tweede lid, van de Vw is bepaald dat de minister aan de</para>
      <para>vreemdeling, bedoeld in artikel 1b, onder 1, 2, 3 en 5, een document of</para>
      <para>schriftelijke verklaring verschaft waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. In</para>
      <para>de Regeling bescheiden rechtmatig verblijf van 4 juni 1998 van de</para>
      <para>Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Regeling) zijn de bescheiden</para>
      <para>vastgesteld waaruit dat rechtmatige verblijf blijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 7, derde lid, van de Abw is bepaald dat bij algemene maatregel</para>
      <para>van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die</para>
      <para>bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor de toepassing</para>
      <para>van de wet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld:</para>
      <para>a               ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een</para>
      <para>volkenrechtelijke organisatie, of</para>
      <para>b               in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de</para>
      <para>vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in</para>
      <para>de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in</para>
      <para>aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft</para>
      <para>gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot</para>
      <para>toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling</para>
      <para>vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het Besluit).</para>
      <para>Krachtens artikel 1, eerste lid, van het Besluit wordt met een</para>
      <para>Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in</para>
      <para>Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en</para>
      <para>onder 1, van de Vw, voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag</para>
      <para>heeft ingediend om voortgezette toelating, of tegen de intrekking van die</para>
      <para>toelating binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft gemaakt</para>
      <para>of beroep heeft ingesteld. Op grond van het tweede lid van artikel 1 van</para>
      <para>het Besluit eindigt deze gelijkstelling zodra onherroepelijk op de</para>
      <para>aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist of de uitzetting van de</para>
      <para>vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond</para>
      <para>van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 8b, eerste lid, van de Vw is tenslotte bepaald dat vreemdelingen</para>
      <para>die niet het in artikel 1b van de Vw bedoelde rechtmatige verblijf genieten,</para>
      <para>geen aanspraak kunnen maken op toekenning van verstrekkingen,</para>
      <para>voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een</para>
      <para>bestuursorgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van de in het onderhavige geschil voorliggende</para>
      <para>vraag, ligt - zo blijkt uit de hiervoor opgesomde (in casu van belang</para>
      <para>zijnde) wetsartikelen - primair de vraag voor of verzoekers rechtmatig in</para>
      <para>de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw in Nederland</para>
      <para>verblijven. In dat kader overweegt de president het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers zijn geen gemeenschapsonderdanen; verzoekers zijn</para>
      <para>derhalve niet uit dien hoofde in Nederland toegelaten.</para>
      <para>Verder staat vast dat ten aanzien van verzoeker sinds zijn verblijf hier te</para>
      <para>lande vanaf 11 aart 1981 nog nimmer een besluit tot</para>
      <para>(onvoorwaardelijke) toelating is genomen, terwijl in het kader van de</para>
      <para>door hem aanhangig gemaakte procedure ter verkrijging van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf nog geen onherroepelijk besluit is genomen.</para>
      <para>Verzoeker verbleef en verblijft derhalve sedertdien niet op grond van</para>
      <para>een besluit tot toelating in Nederland.</para>
      <para>Ook ten aanzien van verzoekster staat vast dat sinds haar verblijf hier te</para>
      <para>lande vanaf medio 1990 nog nimmer een besluit tot (onvoorwaardelijke)</para>
      <para>toelating is genomen. Ook verzoekster verbleef en verblijft derhalve</para>
      <para>sedertdien niet op grond van een besluit tot toelating in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waar verzoekers niet door middel van de bescheiden als bedoeld in</para>
      <para>artikel 8a, tweede lid van de Vw en de Regeling hebben kunnen aantonen</para>
      <para>dat zij rechtmatig -dat wil zeggen rechtmatig in de zin van artikel 1b,</para>
      <para>aanhef en onder 1, van de Vw- in Nederland verblijven, moet het er</para>
      <para>onder deze omstandigheden dan ook voor worden gehouden dat er ten</para>
      <para>aanzien van verzoekers geen sprake is van rechtmatig verblijf hier te</para>
      <para>lande in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien deze overwegingen moet dan ook worden geoordeeld dat</para>
      <para>verzoekers als gevolg hiervan in het kader van de toepassing van de</para>
      <para>Abw geen aanspraak kunnen ontlenen aan gelijkstelling met een</para>
      <para>Nederlander als bedoeld in voornoemd artikel 7, tweede lid van die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers kunnen voorts een dergelijke gelijkstelling evenmin ontlenen</para>
      <para>aan het bepaalde in het Besluit. De daaruit voortvloeiende gelijkstelling</para>
      <para>geldt immers slechts voor de vreemdeling die, na rechtmatig in</para>
      <para>Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef</para>
      <para>en onder 1, van de Vw, voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag</para>
      <para>heeft ingediend om voortgezette toelating, of tegen de intrekking van</para>
      <para>die toelating binnen de daarvoor gestelde termijnen bezwaar heeft</para>
      <para>gemaakt of beroep heeft ingesteld.</para>
      <para>Waar verzoekers de rechtmatigheid van het eerdere verblijf niet hebben</para>
      <para>kunnen aantonen, moet reeds hierom worden geoordeeld dat het</para>
      <para>bepaalde in het besluit niet op hen van toepassing is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts wordt geoordeeld dat verzoekers geen aanspraken kunnen</para>
      <para>ontlenen aan het in Artikel XXIII, tweede lid van de Koppelingswet</para>
      <para>voorziene overgangsrecht. Voor zover verzoekers stellen dat aan</para>
      <para>verzoekster die aanspraken toekomt omdat de in artikel 25 van de Vw</para>
      <para>bedoelde situatie op haar van toepassing is, is deze status ten aanzien</para>
      <para>van haar niet vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts wordt door de president overwogen dat artikel 11, eerste lid, van</para>
      <para>de Abw, gelet op het tweede lid van die bepaling, voor verzoekers</para>
      <para>evenmin recht op uitkering doet ontstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van verzoeksters stelling dat de op de inwerkingtreding van</para>
      <para>de Koppelingswet gebaseerde weigering van de bijstandsverlening</para>
      <para>discriminatie naar nationaliteit teweeg brengt, hetgeen in strijd is met</para>
      <para>artikel 26 van het IVBPR zij het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Genoemde bepaling luidt als volgt:</para>
      <para>"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak</para>
      <para>op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet</para>
      <para>discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en</para>
      <para>doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals</para>
      <para>ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,</para>
      <para>nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere</para>
      <para>status."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president is, gelijk deze rechtbank in haar uitspraken ingevolge de</para>
      <para>Algemene Kinderbijslagwet van 4 augustus 1999 (onder andere AKW</para>
      <para>99/11/109 99/13/109), van oordeel dat het hierboven weergegeven</para>
      <para>samenstel van bepalingen een direct onderscheid naar nationaliteit in het</para>
      <para>leven roept. Immers, door deze bepalingen kunnen uitsluitend</para>
      <para>vreemdelingen, dat wil zeggen niet-Nederlanders, worden getroffen. Niet-</para>
      <para>Nederlanders kunnen weliswaar ook aanspraak maken op bijstand, doch</para>
      <para>onder bepaalde voorwaarden. Onder directe discriminatie dient te worden</para>
      <para>verstaan het maken van openlijk onderscheid door verwijzing naar ras,</para>
      <para>geslacht, geloof, nationaliteit, etc., of onverbrekelijk daaraan verbonden</para>
      <para>kenmerken. Nu de voorwaarde van rechtmatig verblijf onverbrekelijk is</para>
      <para>verbonden aan het niet hebben van de Nederlandse nationaliteit, kan</para>
      <para>naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd</para>
      <para>dan dat er in de hier aan de orde zijnde bepalingen sprake is van direct</para>
      <para>onderscheid naar nationaliteit. Het feit dat niet alle vreemdelingen</para>
      <para>worden getroffen, kan hieraan niet afdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent echter niet zonder meer dat het gemaakte</para>
      <para>onderscheid verboden is. Daarvan is eerst sprake indien voor het</para>
      <para>gemaakte onderscheid geen rechtvaardigingsgronden kunnen worden</para>
      <para>aangedragen. Dat direct onderscheid naar nationaliteit in het geheel niet</para>
      <para>zou kunnen worden gerechtvaardigd, acht de president niet aannemelijk.</para>
      <para>Zowel uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (o.a. HvJ</para>
      <para>EG 4 mei 1999 (Sürül), RSV-actueel 1999, nr. 6), als die van het</para>
      <para>Europees Hof voor de Rechten van de Mens (o.a. het arrest van 16</para>
      <para>september 1996 (Gaygusuz), RSV 1997/234) kan worden opgemaakt dat</para>
      <para>voor onderscheid dat uitsluitend is gebaseerd op nationaliteit, in beginsel</para>
      <para>rechtvaardigingsgronden kunnen worden aangevoerd. De president ziet</para>
      <para>geen reden waarom dit voor de toepassing van het hier aan de orde</para>
      <para>zijnde artikel 26 van het IVBPR anders zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens verweerder kan in het doel van de Koppelingswet voldoende</para>
      <para>rechtvaardiging worden gevonden voor het gemaakte onderscheid. Uit de</para>
      <para>toelichting van de wetgever blijkt dat met de wijzigingen die door middel</para>
      <para>van de Koppelingswet in onder meer de Abw zijn aangebracht enerzijds</para>
      <para>is beoogd te voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk, doordat zij</para>
      <para>verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfstoets</para>
      <para>wordt aangelegd, door de administratie in staat worden gesteld tot</para>
      <para>voortzetting van hun wederrechtelijke verblijf, anderzijds te voorkomen</para>
      <para>dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit</para>
      <para>kunnen verkrijgen. Met betrekking tot personen die nog niet zijn</para>
      <para>toegelaten gaat het er dan om dat zij in de loop van de procedure</para>
      <para>gaandeweg in staat blijken een zodanige rechtspositie op te bouwen dat</para>
      <para>zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. (Tweede</para>
      <para>Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 24233 nr.3).</para>
      <para>Deze beleidsdoelen zijn naar het oordeel van verweerder legitiem en het</para>
      <para>middel dat daarvoor wordt gehanteerd, zoals in casu de beëindiging van</para>
      <para>de bijstandsuitkering, is een geschikt en genuanceerd middel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president merkt hieromtrent allereerst op, dat de Koppelingswet niet</para>
      <para>slechts "illegalen" en "wederrechterlijk in Nederland verblijvenden" van</para>
      <para>het recht op bijstand uitsluit, doch ook een aantal van de rechtmatig in</para>
      <para>Nederland verblijvende vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef</para>
      <para>en onder 3, 4 en 5, van de Vw. Ook ten aanzien van deze vreemdelingen</para>
      <para>wordt kennelijk beoogd te voorkomen dat zij recht op bijstand krijgen</para>
      <para>zolang niet vaststaat dat zij een verblijfstitel zullen verkrijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president is van oordeel dat gelet op het algemeen belang dat is</para>
      <para>gediend met een effectief toelatingsbeleid ten aanzien van</para>
      <para>vreemdelingen het door de wetgever nagestreefde doel in beginsel, en</para>
      <para>met name voor nieuwe gevallen, als gerechtvaardigd moet worden</para>
      <para>aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president onderkent evenwel categorieën vreemdelingen ten aanzien</para>
      <para>van wie door de volledige toepassing van genoemd samenstel van regels</para>
      <para>de grenzen van proportionaliteit worden overschreden. Daarbij gaat het</para>
      <para>met name om vreemdelingen die tot 1 juli 1998 recht hadden op een</para>
      <para>bijstandsuitkering, en van wie op die datum (nog) niet gezegd kon worden</para>
      <para>dat zij blijvend kwamen te behoren tot de groep vreemdelingen waarvan</para>
      <para>de Koppelingswet beoogt te voorkomen dat zij recht krijgen op bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze groep vreemdelingen bestaat deels uit rechtmatig in Nederland</para>
      <para>verblijvenden als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, en</para>
      <para>deels uit vreemdelingen die hun beroep en/of verzoek om een voorlopige</para>
      <para>voorziening tegen een afwijzende beslissing op hun verzoek om toelating</para>
      <para>op een of andere wijze in Nederland mogen afwachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de hier bedoelde vreemdelingen kan het beleidsdoel er</para>
      <para>niet zozeer toe strekken te voorkomen dat zij een rechtspositie</para>
      <para>opbouwen, doch wordt in feite een bestaande rechtspositie afgebouwd.</para>
      <para>De president acht een zodanig afbouwen eerst gerechtvaardigd vanaf het</para>
      <para>ogenblik waarop vast staat dat de vreemdeling inderdaad geen</para>
      <para>verblijfsstatus toekomt waaraan een bijstandsuitkering is gekoppeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek van verzoekster om een vergunning tot verblijf was op 3</para>
      <para>oktober 1997 afgewezen; nadat het bezwaar bij besluit van 17 december</para>
      <para>1998 ongegrond was verklaard, heeft zij hiertegen beroep ingesteld bij de</para>
      <para>rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam. De beslissing op</para>
      <para>haar beroepschrift mocht zij in Nederland afwachten. Verzoekster was</para>
      <para>derhalve, op de datum van beëindiging van de bijstandsuitkering, 8 juli</para>
      <para>1999, in afwachting van een onherroepelijke beslissing op haar eerste</para>
      <para>aanvraag om een vergunning tot verblijf.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden behoorde zij tot de categorie van</para>
      <para>vreemdelingen ten aanzien van wie de president in de hierboven staande</para>
      <para>overwegingen heeft vastgesteld, dat de volledige toepassing van het door</para>
      <para>de Koppelingswet geïntroduceerde stelsel van regels, in het licht van het</para>
      <para>discriminatieverbod van artikel 26 van het IVBPR disproportioneel is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is thans voor de tweede maal in procedure ten aanzien van</para>
      <para>een afwijzende beschikking op zijn aanvraag om een vergunning tot</para>
      <para>verblijf. Reeds hierom is het vorenoverwogene omtrent genoemde</para>
      <para>disproportionaliteit niet op hem van toepassing. Verzoeker behoeft</para>
      <para>immers geen rechtspositie af te bouwen, nu reeds eerder is vastgesteld</para>
      <para>dat aan hem geen verblijfsstatus toekomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat het bestreden</para>
      <para>besluit ten aanzien van het recht van verzoekster op bijstand naar</para>
      <para>verwachting in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Deze</para>
      <para>conclusie leidt echter niet tot toewijzing van het onderhavige verzoek om</para>
      <para>voorlopige voorziening. Ten tijde van het instellen van dit verzoek, te</para>
      <para>weten op 14 eptember 1999, was er door de rechtbank 's-Gravenhage,</para>
      <para>zittingsplaats Amsterdam, reeds uitspraak gedaan op het namens</para>
      <para>verzoekster ingestelde beroep. Bedoeld beroep is bij uitspraak van 1</para>
      <para>september 1999 ongegrond verklaard. Met ingang van laatstgenoemde</para>
      <para>datum staat derhalve vast dat aan verzoekster geen verblijfsstatus</para>
      <para>toekomt waaraan een bijstandsuitkering is gekoppeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hetgeen overigens nog is aangevoerd zijn evenmin aanknopingspunten</para>
      <para>gevonden voor toewijzing van het onderhavige verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet geen aanleiding gebruik te maken van de hem in artikel</para>
      <para>8:86, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om onmiddellijk</para>
      <para>uitspraak te doen in de hoofdzaak. In deze kwestie zijn namelijk</para>
      <para>rechtsvragen aan de orde die zich bij uitstek lenen voor beantwoording</para>
      <para>door een meervoudige kamer. Naar verwachting zal een meervoudige</para>
      <para>kamer van deze rechtbank zich op afzienbare termijn buigen over de</para>
      <para>relatie tussen Koppelingswet en Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de</para>
      <para>bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond</para>
      <para>aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De president,</para>
    <para />
    <para>-       wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gewezen door mr. H.C. Naves, fungerend president,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A. de Visser, griffier</para>
      <para>en uitgesproken in het openbaar op:</para>
      <para>door mr. H.C. Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>de griffier,    de president,</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
      <para>Coll.:A</para>
      <para>D:B</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>