<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBALM:1999:AA3702</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T10:20:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3702</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Almelo" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Almelo</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/622</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009565&amp;artikel=75&amp;g=1999-07-29">Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 75</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=1.2&amp;g=1999-07-29">Wet voorzieningen gehandicapten 1.2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3702">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3702</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBALM:1999:AA3702 Rechtbank Almelo , 29-07-1999 / 98/622</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3702:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3702:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>468 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO</para>
      <para>Sector Bestuursrecht - Meervoudige Kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Registratienummer: 98/622 WVG J1 A</para>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para>in het geschil tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, wonende te B, eiser,</para>
      <para>gemachtigde: H.F. Zeiler, medewerker van de Algemene Nederlandse</para>
      <para>Invalidenbond (ANIB), afdeling Enschede e.o. te Enschede,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente</para>
      <para>Enschede, verweerder,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft zich in de procedure gevoegd</para>
      <para>het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
      <para>Besluit van verweerder d.d. 7 juli 1998, kenmerk kuns-wvg/98-392.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De feiten en het verloop van de procedure</para>
      <para>Eiser, die gedurende twee dagen per week werkzaam is bij X te Y,</para>
      <para>is bij besluit van de Bedrijfsvereniging voor de Overheidsdiensten van 30</para>
      <para>november 1993 in aanmerking gebracht voor de verstrekking in bruikleen van</para>
      <para>een handbewogen rolstoel, de Excel 200 S. Bij besluit van 19 januari 1994 is hij</para>
      <para>door de bedrijfsvereniging in aanmerking gebracht voor verstrekking in bruikleen</para>
      <para>van een scootmobiel van het type Bec Sterling. Tevens ontvangt hij van haar</para>
      <para>een taxikostenvergoeding in de leefsfeer en een werkkilometervergoeding. Eiser</para>
      <para>heeft eind 1997 een aanvraag voor aanpassing, dan wel vervanging van de</para>
      <para>rolstoelen ingediend bij de uitvoeringsinstelling van het Lisv, Gak Nederland BV,</para>
      <para>districtskantoor Enschede. Deze aanvraag is bij besluit van 21 januari 1998</para>
      <para>afgewezen.</para>
      <para>Eiser heeft op 14 januari 1998 bij verweerder een aanvraag ingediend voor</para>
      <para>aanpassing van de Excel 200 S en de Bec Sterling in het kader van de Wet</para>
      <para>Voorzieningen Gehandicapten (WVG).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 februari 1998 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij op</para>
      <para>grond van de bepalingen van de Verordening Voorziening Gehandicapten van</para>
      <para>de gemeente Enschede niet in aanmerking kan worden gebracht voor een</para>
      <para>scootmobiel:</para>
      <para>gelet op het in artikel 57 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)</para>
      <para>bepaalde dient eiser volgens verweerder een aanvraag voor deze voorziening in</para>
      <para>te dienen bij het Lisv. Eiser is door verweerder bij een besluit van een andere</para>
      <para>datum wel in aanmerking gebracht voor de verstrekking van een handbewogen</para>
      <para>rolstoel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 maart 1998 heeft eiser bezwaar doen maken tegen het besluit tot afwijzing</para>
      <para>van de aanvraag. Bij verzoekschrift van 16 maart 1998 is aan de president van</para>
      <para>de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat</para>
      <para>eiser op korte termijn door verweerder in aanmerking wordt gebracht voor een</para>
      <para>scootmobiel.</para>
      <para>Bij uitspraak van 8 mei 1998 heeft de president van de rechtbank het verzoek</para>
      <para>om voorlopige voorziening toegewezen en verweerder opgedragen om binnen</para>
      <para>zes weken na datum verzending van de uitspraak aan eiser een (zoveel</para>
      <para>mogelijk) aan zijn beperkingen aangepaste scootmobiel in bruikleen te</para>
      <para>verstrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft verweerder bij zijn bestreden besluit van 7 juli 1998,</para>
      <para>overeenkomstig het uitgebrachte advies van de Commissie voor bezwaar en</para>
      <para>beroep d.d. 20 april 1998, het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.</para>
      <para>Bij datzelfde besluit heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de</para>
      <para>president van 8 mei 1998 besloten om eiser een scootmobiel in bruikleen te</para>
      <para>verstrekken en bepaald tot invordering van de aan hem verstrekte scootmobiel</para>
      <para>over te gaan na verstrijken van de beroepstermijn van zes weken na</para>
      <para>bekendmaken van dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser kan zich blijkens het namens hem ingediende beroepschrift van 16 juli</para>
      <para>1998 niet met dit besluit verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder gelijktijdige toezending van de op het geding betrekking hebbende</para>
      <para>stukken heeft verweerder op 25 augustus 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Desverzocht heeft verweerder bij schrijven van 13 januari 1999 nadere</para>
      <para>informatie betreffende de te verstrekken scootmobiel overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 7 januari 1999 het bestuur van het Landelijk instituut</para>
      <para>sociale verzekeringen (hierna: Lisv) ambtshalve in de gelegenheid gesteld aan</para>
      <para>het geding deel te nemen. Het Lisv heeft zich vervolgens als derde-partij in de</para>
      <para>procedure gesteld en heeft op 19 april 1999 zijn standpunt schriftelijk kenbaar</para>
      <para>gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 juli 1999.</para>
      <para>Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde voornoemd. Het college van</para>
      <para>burgemeester en wethouders heeft zich</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door H. Kunst, ambtenaar van de gemeente En-</para>
      <para>schede. Het Lisv is ter zitting verschenen, vertegenwoordigd door E.D. David,</para>
      <para>medewerkster bezwaar en beroep van GAK Nederland B.V., kantoor Enschede.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Overwegingen</para>
      <para>In geschil is de vraag of het besluit van 7 juli 1998, waarbij verweerder de</para>
      <para>bezwaren van eiser tegen de afwijzing van eisers aanvraag voor aanpassing,</para>
      <para>dan wel vervanging van de scootmobiel in het kader van de WVG ongegrond</para>
      <para>heeft verklaard, in rechte in stand kan blijven.</para>
      <para>De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De toepasselijke wet- en regelgeving.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zijn aanvraag om verstrekking voor een scootmobiel gedaan op 13</para>
      <para>januari 1998. Ingevolge artikel 75 van de Wet op de (re)ïntegratie</para>
      <para>arbeidsgehandicapten (Wet Rea) blijft artikel 57 van de AAW met de daarop</para>
      <para>rustende bepalingen van toepassing op degene die vóór de inwerkingtreding</para>
      <para>van de Wet Rea in aanmerking is gebracht voor een voorziening of een daartoe</para>
      <para>strekkende aanvraag heeft gedaan. De Wet Rea is in werking getreden op 1 juli</para>
      <para>1998, zodat in dezen van het bepaalde bij en krachtens artikel 57 van de AAW</para>
      <para>moet worden uitgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2 van de WVG bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de</para>
      <para>verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten</para>
      <para>behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de</para>
      <para>gemeente woonachtige gehandicapten. Het gemeentebestuur stelt daartoe een</para>
      <para>gemeentelijke verordening vast.</para>
      <para>In artikel 1.2, tweede lid van de Verordening voorzieningen gehandicapten van</para>
      <para>de gemeente Enschede (hierna: de Verordening) is bepaald dat geen</para>
      <para>voorziening wordt toegekend voorzover op grond van enige andere wettelijke</para>
      <para>regeling aanspraak op de voorziening bestaat.</para>
      <para>In hoofdstuk 3 van de Verordening zijn de vervoersvoorzieningen geregeld,</para>
      <para>waarbij artikel 3.1 blijkens het bepaalde onder b. sub 2. een open electrische</para>
      <para>buitenwagen (zgn scoot(er)mobiel uitsluitend bedoeld voor vervoer buitenshuis)</para>
      <para>onder de vervoersvoorzieningen brengt. Hoofdstuk 4 van de Verordening</para>
      <para>handelt over de rolstoelvoorzieningen. Ingevolge artikel 4.1 kan, voorzover ten</para>
      <para>deze relevant, een rolstoelvoorziening bestaan uit een handbewogen of</para>
      <para>electrisch bewogen (duw)rolstoel voor verplaatsing binnen of binnen en buiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte is van belang artikel 57 van de AAW dat in het tweede lid bepaalt dat</para>
      <para>het Lisv een verzekerde als eiser in aanmerking kan brengen voor</para>
      <para>voorzieningen welke strekken tot verbetering van zijn levensomstandigheden</para>
      <para>voorzover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel uitmaken van, dan</para>
      <para>wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen waarvoor hij op grond van</para>
      <para>het bepaalde in artikel 57, eerste lid in aanmerking is of wordt gebracht, de</para>
      <para>zogeheten werkvervoersvoorzieningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De standpunten van partijen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag tot aanpassing danwel</para>
      <para>verstrekking van een scootmobiel, onder verwijzing naar hetgeen daarover in de</para>
      <para>Verordening voorzieningen gehandicapten is bepaald, ten grondslag gelegd dat</para>
      <para>eiser een beroep kan doen op een voorliggende voorziening.</para>
      <para>Eiser is immers door het Lisv in aanmerking gebracht voor een</para>
      <para>werkvervoersvoorziening en een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel</para>
      <para>57, eerste en tweede lid van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. In het</para>
      <para>kader van de één-loketgedachte die naar de mening van verweerder ten</para>
      <para>grondslag ligt aan het bepaalde in artikel 57, tweede lid van de AAW dient</para>
      <para>derhalve de beoordeling van de thans door eiser gevraagde</para>
      <para>vervoersvoorziening door het Lisv te geschieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser kan zich met dit standpunt niet verenigen. Hij stelt zich op het standpunt</para>
      <para>dat de gevraagde scootmobiel vooral is bedoeld om hem in staat te stellen</para>
      <para>maatschappelijk te functioneren en in zijn directe woonomgeving zijn sociale</para>
      <para>contacten te handhaven. Van een verband met de door het Lisv verstrekte</para>
      <para>vervoersvoorzieningen is naar zijn mening geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Lisv meent dat voor hem in casu geen rol is weggelegd. Primair niet omdat</para>
      <para>de gevraagde voorziening een rolstoel betreft en hem in de van toepassing</para>
      <para>zijnde wetgeving terzake van de verstrekking van rolstoelen geen bevoegdheid</para>
      <para>is toegekend; subsidiair niet omdat de door eiser gevraagde scootmobiel geen</para>
      <para>onderdeel uitmaakt van of samenhangt met de door het Lisv aan eiser ver-</para>
      <para>strekte werkvervoers- en leefvervoersvoorzieningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling door de rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt allereerst vast dat zowel verweerder als het Lisv het</para>
      <para>erover eens zijn dat eiser medisch is aangewezen op een scootmobiel. Dat</para>
      <para>eiser in beginsel in aanmerking komt voor de door hem gevraagde</para>
      <para>voorziening is dan ook geen punt van geschil, de vraag is alleen wie de</para>
      <para>aangewezen instantie is om hem te verstrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarvoor zijn twee vragen van belang:</para>
      <para>a.      betreft de gevraagde voorziening een rolstoel - in dat geval</para>
      <para>   is het gemeentebestuur de enig aangewezen instantie;</para>
      <para>b.      zo nee, is het Lisv dan uit hoofde van artikel 57 van de AAW</para>
      <para>   bezien in samenhang met artikel 13 van het Besluit voor-</para>
      <para>   zieningen AAW gehouden eiser voor de voorziening in</para>
      <para>aanmerking te brengen?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ad a.</para>
      <para>De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in casu van een rolstoel</para>
      <para>geen sprake is. Naar zij uit de stukken en uit de toelichting van de</para>
      <para>gemachtigde van verweerder ter zitting heeft begrepen, heeft de door eiser</para>
      <para>aangevraagde scootmobiel een gemiddelde snelheid van 15 km per uur en</para>
      <para>een bereik van ongeveer 40 kilometer. De scootmobiel is ook niet bedoeld</para>
      <para>voor gebruik binnenshuis. Gezien deze snelheid en dit bereik staat bij de</para>
      <para>scootmobiel vooral de transportfunctie op de voorgrond terwijl een</para>
      <para>rolstoel - de naam zegt het al - een verrijdbare stoel is die voorziet in</para>
      <para>vervangende mobiliteit in en rond de woning. De rechtbank merkt in dit</para>
      <para>verband nog op dat de uitvoeringspraktijk zoals die door de</para>
      <para>bedrijfsverenigingen werd gehanteerd vóór de invoering van de WVG in</para>
      <para>deze niet maatgevend is nu ingevolge het destijds geldende</para>
      <para>Voorzieningenbesluit alleen voorzieningen door de bedrijfsvereniging</para>
      <para>konden worden verstrekt die konden worden gebracht onder één van de in</para>
      <para>artikel 7 van het Voorzieningenbesluit limitatief opgenomen categorieën</para>
      <para>en rolstoelen geen afzonderlijke categorie vormden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ad b.</para>
      <para>De rechtbank gaat niet met verweerder mee dat eiser krachtens een ander</para>
      <para>wettelijk voorschrift een aanspraak op verstrekking van de door hem</para>
      <para>gevraagde scootmobiel zou hebben jegens het Lisv.</para>
      <para>Uit de WVG vloeit voort dat de gemeente een algemene zorgplicht heeft,</para>
      <para>ook waar het gaat om het verstrekken van vervoersvoorzieningen, ten</para>
      <para>aanzien van haar gehandicapte inwoners teneinde hen in staat te stellen te</para>
      <para>kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Het gemeentebestuur</para>
      <para>heeft vanuit die zorgplicht de taak om alle aanvragen terzake</para>
      <para>voorzieningen als de onderhavige te beoordelen en, indien aan de</para>
      <para>voorwaarden in de gemeentelijke verordening wordt voldaan, deze toe te</para>
      <para>kennen.</para>
      <para>De taak van het Lisv op dit terrein is veel beperkter: alleen wanneer het</para>
      <para>Lisv een vervoersvoorziening in de werksfeer heeft verstrekt kan hij</para>
      <para>besluiten ook een leefvervoersvoorziening te verstrekken indien en</para>
      <para>voorzover deze onderdeel uitmaakt van danwel samenhangt met de reeds</para>
      <para>verstrekte voorziening. Aldus heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht</para>
      <para>dat het hier een bevoegdheid betreft van het Lisv. Deze omvat niet alleen</para>
      <para>de beoordeling of in een concreet geval voldoende samenhang tussen de</para>
      <para>werk- en leefvervoersvoorziening bestaat, maar ook de toekenning als</para>
      <para>zodanig. Het Lisv komt daarmee beleidsvrijheid toe om ook in het geval er</para>
      <para>wel samenhang bestaat toch de gevraagde leefvoorziening af te wijzen, zij</para>
      <para>het dat een dergelijk besluit moet worden genomen na afweging van alle</para>
      <para>betrokken belangen en met in achtneming van de beginselen van</para>
      <para>behoorlijk bestuur. Daarbij gaat het enerzijds om het belang van</para>
      <para>betrokkene om zich op voldoende wijze te kunnen verplaatsen en</para>
      <para>anderzijds om de belangen van het Lisv als uitvoerder van de sociale</para>
      <para>verzekeringen. Voor het gemeentebestuur en (de belangen van) het</para>
      <para>gemeentebestuur is naar het oordeel van de rechtbank noch in de besluit-</para>
      <para>vorming van het Lisv, noch in de beoordeling van de uitkomst ervan, een</para>
      <para>rol weggelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Komt het Lisv in een concreet geval tot een afwijzing van een verzoek om</para>
      <para>toekenning van een leefvervoersvoorziening dan dient het</para>
      <para>gemeentebestuur zich daar in beginsel bij neer te leggen en is van een</para>
      <para>aanspraak op een voorziening krachtens een ander wettelijk voorschrift</para>
      <para>geen sprake meer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft zich voor zijn standpunt beroepen op de één-</para>
      <para>loketgedachte die naar zijn mening aan de regeling zoals vervat in artikel</para>
      <para>57, tweede lid van de AAW ten grondslag ligt. De gemachtigde van</para>
      <para>verweerder heeft daarbij onder meer gewezen op, enerzijds, het belang</para>
      <para>van betrokkene om slechts met één toekennende instantie te worden</para>
      <para>geconfronteerd en, anderzijds, op het belang van de toekennende</para>
      <para>instanties dat wanneer de beoordeling van de totale vervoersbehoefte in</para>
      <para>één hand ligt de meest optimale vervoersvoorziening kan worden</para>
      <para>verstrekt.</para>
      <para>Geen van beide argumenten overtuigen. Het belang van de betrokken</para>
      <para>gehandicapte om de voor hem noodzakelijke voorzieningen zoveel</para>
      <para>mogelijk bij één instantie te regelen is evident. Naar de huidige stand van</para>
      <para>zaken is dit ideaal niet gerealiseerd nu een betrokkene voor zijn andere</para>
      <para>voorzieningen in de leefsfeer, de rolstoelvoorzieningen en de</para>
      <para>woningaanpassingen, sowieso niet bij het Lisv terecht kan.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder ook nu al in beginsel de mogelijkheid om bij de</para>
      <para>toekenning van een leefvervoersvoorziening rekening te houden met</para>
      <para>overige vervoersvoorzieningen die door derden - het Lisv - zijn verstrekt.</para>
      <para>De rechtbank wijst in deze op de uitspraak van de Centrale Raad van</para>
      <para>Beroep van 4 december 1998, gepubliceerd in Jurisprudentie Sociale</para>
      <para>Voorzieningen 1999 nr. 63 waarin de Centrale Raad van Beroep deze</para>
      <para>mogelijkheid uitdrukkelijk open laat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geval van eiser heeft het Lisv bij besluit van 21 januari 1998</para>
      <para>geweigerd de gevraagde leefvoorziening te verstrekken, subsidiair omdat</para>
      <para>van een samenhang tussen de gevraagde leefvoorziening en de door hem</para>
      <para>verstrekte werkvoorziening geen, dan wel onvoldoende sprake is.</para>
      <para>Dit besluit is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. Verweerder heeft</para>
      <para>niet gesteld, en ook anderszins is niet gebleken, dat dit besluit apert</para>
      <para>onjuist zou zijn of dat er sprake is van feiten die, waren zij ten tijde van dat</para>
      <para>besluit bekend geweest, tot een andere beslissing hadden moeten leiden.</para>
      <para>Verweerder heeft dan ook ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser</para>
      <para>krachtens een ander wettelijk voorschrift aanspraak had op de door hem</para>
      <para>gevraagde scootmobiel. Het bestreden besluit berust daarmee op een</para>
      <para>onjuiste wetstoepassing en moet worden vernietigd. Verweerder zal</para>
      <para>opnieuw op eisers bezwaarschrift moeten beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt:</para>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Almelo,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-       verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-       vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder opnieuw een</para>
      <para>beslissing neemt op eisers bezwaarschrift met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>-       bepaalt dat de gemeente Enschede aan eiser het door hem betaalde</para>
      <para>griffierecht ad f 55,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep</para>
      <para>open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gewezen door mr. A.E.M. Effting-Zeguers als voorzitter en</para>
      <para>mrs. J.H. Keuzenkamp en E.P. Maten als rechters, in tegenwoordigheid van A.</para>
      <para>Jansen als griffier en in het openbaar uitgesproken</para>
      <para>op (…) door mr. A.E.M. Effting-Zeguers als voorzitter en mrs. J.H.</para>
      <para>Keuzenkamp en E.P. Maten als rechters, in tegenwoordigheid van J. Wenniger</para>
      <para>als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op</para>
      <para>Mtb</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>