<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBALM:1999:AA3697</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:17:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3697</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6731</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Almelo" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Almelo</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">29655</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002375&amp;artikel=49&amp;g=1999-10-20">Wet op de Ruimtelijke Ordening 49</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>BR 2000, p. 61</rdf:li>
          <rdf:li>Module Ruimtelijke ordening 1999/2402</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/292 met annotatie van R.J.N. Schlössels</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3697">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3697</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBALM:1999:AA3697 Rechtbank Almelo , 20-10-1999 / 29655</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3697:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3697:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>463 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO</para>
      <para>zaaknummer: 29655 ha za 6 van 1999</para>
      <para>datum uitspraak vonnis: 20 oktober 1999 (aez)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de arrondissementsrechtbank te Almelo, meervoudige </para>
      <para>kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de gemeente Borne,</para>
      <para>zetelend te Borne,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>hierna te noemen de gemeente,</para>
      <para>procureur: mr. J.C. van Nie,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A wonende te B, gemeente Borne</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>hierna te noemen A,</para>
      <para>procureur: voorheen mr. T.J. van Drooge, thans mr. I.C. Dunhof - </para>
      <para>Lampe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Gehoord partijen.</para>
    <para />
    <para>Gezien de stukken, </para>
    <para />
    <para />
    <para>Overweegt:</para>
    <para />
    <para>Over het procesverloop:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemeente heeft geconcludeerd voor eis overeenkomstig de </para>
      <para>inhoud van de dagvaarding en daarbij drie producties in het geding </para>
      <para>gebracht.</para>
      <para>A heeft geantwoord en daarbij zeven producties in het </para>
      <para>geding gebracht.</para>
      <para>Vervolgens hebben partijen ieder nog een conclusie genomen </para>
      <para>onder overlegging van producties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte hebben partijen de stukken aan de rechtbank overgelegd </para>
      <para>en vonnis gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Over het recht:</para>
    <para />
    <para>de feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De rechtbank gaat voor het onderhavige geschil uit de van </para>
      <para>de navolgende feiten. Deze kunnen tussen partijen als vaststaand </para>
      <para>worden aangenomen omdat zij zijn gesteld en niet of onvoldoende </para>
      <para>weersproken, dan wel blijken uit de inhoud van de overgelegde en </para>
      <para>niet of onvoldoende betwiste producties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2a. A heeft zich op 14 maart 1990 tot de gemeente </para>
      <para>gewend met een verzoek om medewerking te verlenen voor de </para>
      <para>bouw van een woning op het aan A in eigendom </para>
      <para>toebehorende perceel grond, gelegen aan de […]weg te B.</para>
      <para>De op dit perceel rustende bestemming voorzag niet in </para>
      <para>bebouwingsmogelijkheden.</para>
      <para>In reactie op dit verzoek heeft het college van burgemeester </para>
      <para>en wethouders van de gemeente A op 12 september </para>
      <para>1990 meegedeeld dat voor de bouw van een woning op bedoeld </para>
      <para>perceel een wijziging van het ter plaatse geldende </para>
      <para>bestemmingsplan noodzakelijk was en dat daaraan op dat moment </para>
      <para>vanwege dreigende overschrijding van het door de provincie </para>
      <para>Overijssel aan de gemeente toegekende woningbouwcontingent </para>
      <para>geen medewerking werd verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>b. Bij brief van 2 augustus 1993 heeft de gemeente A</para>
      <para>verzocht aan te geven of zijn verzoek om planwijziging nog actueel </para>
      <para>was, waarna op 3 april 1995 een aanvraag om bouwvergunning </para>
      <para>voor een woning door A is ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>c. De gemeente heeft de concept-bestemmingsplanwijziging </para>
      <para>voorgelegd aan de Provinciale Planologische Commissie (hierna: </para>
      <para>PPC). De PPC heeft laten weten in principe met de bouw van een </para>
      <para>woning op het perceel van A aan de […]weg te kunnen </para>
      <para>instemmen, maar heeft er daarbij op gewezen dat het bouwplan </para>
      <para>voor de familie C zou kunnen leiden tot planschade in de vorm </para>
      <para>van aantasting van hun woongenot welke op voet van artikel 49 </para>
      <para>van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: Wro) door de </para>
      <para>gemeente vergoed zou moeten worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>d. Bij schrijven van 20 februari 1996 heeft de gemeente A </para>
      <para>vervolgens verzocht zich schriftelijk bereid te verklaren de </para>
      <para>eventuele kosten van planschade, ontstaan door realisering van de </para>
      <para>woning, voor zijn rekening te nemen. Na ontvangst van deze </para>
      <para>verklaring zou de gemeente het ontwerpbestemmingsplan ter visie </para>
      <para>leggen.</para>
      <para>Bij schrijven van 22 februari 1996 heeft A de verzochte </para>
      <para>bereidverklaring afgegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>e. De gemeente heeft op 1 maart 1996 het ontwerpplan in </para>
      <para>procedure gebracht. Op 30 mei 1996 heeft de gemeenteraad het </para>
      <para>bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld, waarna op 19 november </para>
      <para>1996 aan A een bouwvergunning voor een woning is </para>
      <para>verleend.</para>
      <para>A heeft op 29 januari 1997 het perceel grond als </para>
      <para>bouwkavel bestemd voor woningbouw verkocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>f. Op 6 juni 1997 heeft de gemeente A schriftelijk </para>
      <para>meegedeeld dat zij twee verzoeken om planschadevergoeding had </para>
      <para>ontvangen. A heeft in een schriftelijke reactie op 1 </para>
      <para>oktober 1997 laten weten zich niet aan de eerdere bereidverklaring </para>
      <para>gebonden te achten.</para>
      <para>De gemeenteraad heeft op 27 november 1997 besloten beide </para>
      <para>verzoeken te honoreren. In totaal heeft de gemeente f. 27.500,00 </para>
      <para>aan planschadevergoeding betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>g. Daartoe aangesproken door de gemeente heeft A</para>
      <para>geweigerd het bedrag van f. 27.500,00 aan de gemeente te </para>
      <para>vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>de vordering en het verweer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. De gemeente vordert thans A te veroordelen aan </para>
      <para>haar te betalen f. 27.500,00, vermeerderd met f. 1.745,00 wegens </para>
      <para>buitengerechtelijke incassokosten en vermeerderd met de wettelijke </para>
      <para>rente vanaf 9 november 1998.</para>
      <para>De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met A een overeenkomst heeft gesloten waarbij A zich </para>
      <para>onvoorwaardelijk heeft verbonden om hetgeen de gemeente aan </para>
      <para>planschadevergoeding als gevolg van de bouw van de woning aan </para>
      <para>de […]weg aan derden zou uitkeren aan haar te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. A heeft erkend de overeenkomst te zijn aangegaan </para>
      <para>maar acht zich daardoor niet gebonden. A heeft daartoe, </para>
      <para>kort weergegeven, aangevoerd:</para>
      <para>dat de Wro verhaal van planschadevergoedingskosten als hier aan </para>
      <para>de orde krachtens privaatrechtelijke overeenkomst niet toelaat;</para>
      <para>dat de gemeente de haar ingevolge de Wro toegekende </para>
      <para>bevoegdheden in dit geval heeft gebruikt voor een ander doel dan </para>
      <para>waarvoor ze zijn toegekend;</para>
      <para>dat A zich gedwongen heeft gezien de bereidverklaring te </para>
      <para>tekenen omdat hij anders geen toestemming voor het bouwen van </para>
      <para>de woning zou krijgen en </para>
      <para>dat de gemeente A ten onrechte heeft meegedeeld dat er </para>
      <para>geen planschade te verwachten was waardoor bij A het </para>
      <para>vertrouwen is gewekt dat het slechts om een formaliteit zou gaan</para>
      <para>om welke redenen de overeenkomst nietig is wegens strijd met de </para>
      <para>openbare orde, dan wel A gerechtigd is de nietigheid in te </para>
      <para>roepen wegens misbruik van omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft A aangevoerd dat de overeenkomst niet </para>
      <para>rechtsgeldig is omdat deze namens de gemeente is getekend door </para>
      <para>een ambtenaar die daarvoor niet bevoegd was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte meent A dat de gemeente jegens hem </para>
      <para>onzorgvuldig handelt door nakoming te vorderen waar hij op geen </para>
      <para>enkele wijze door de gemeente is betrokken bij de besluitvorming </para>
      <para>rond het toekennen van de planschadevergoedingen en hij ook </para>
      <para>geen enkele invloed op de (hoogte van de) toegekende </para>
      <para>vergoedingen heeft gehad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de gemeente </para>
      <para>dat alleen op basis van een daartoe strekkende vordering in rechte </para>
      <para>van A de rechter de overeenkomst zou kunnen nietig </para>
      <para>verklaren of vernietigen. Ingevolge artikel 3:49 van het BW, bezien </para>
      <para>in samenhang met artikel 3:51, volstaat het indien bij wijze van </para>
      <para>verweer een beroep op de nietigheid of vernietiging wordt gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Voor het voorliggende geschil acht de rechtbank van belang </para>
      <para>dat de gemeente op verzoek en ten gunste van A de </para>
      <para>bestemming van het perceel aan de […]weg te B heeft </para>
      <para>gewijzigd. Hoewel partijen van mening verschillen over de preciese </para>
      <para>achtergronden is niet gesteld of gebleken dat met de wijziging van </para>
      <para>de agrarische bestemming van het perceel in een woonbestemming </para>
      <para>ook andere dan de individuele belangen van A waren </para>
      <para>gediend.</para>
      <para>Als gevolg van deze bestemmingsplanwijziging is de gemeente </para>
      <para>voor kosten komen te staan in de vorm van vergoeding van schade </para>
      <para>die derden als gevolg van de planwijziging hebben geleden. De </para>
      <para>vraag is of de gemeente gerechtigd is deze kosten op A </para>
      <para>te verhalen en zo ja, of  de (privaatrechtelijke) weg die zij daarvoor </para>
      <para>heeft gekozen daartoe geëigend is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>strijd met de openbare orde</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. De rechtbank is het met partijen eens dat noch de Wro, noch </para>
      <para>de gemeentewet de gemeente een directe grondslag biedt om de </para>
      <para>kosten van planschadevergoedingen op de belanghebbenden bij </para>
      <para>een planwijziging te verhalen. </para>
      <para>Daarmee heeft de rechtbank in de eerste plaats de vraag te </para>
      <para>beantwoorden of het verhaal van deze kosten middels het sluiten </para>
      <para>van een overeenkomst zoals de gemeente heeft gedaan een </para>
      <para>onaanvaardbare doorkruising oplevert van de publiekrechtelijke </para>
      <para>regeling zoals neergelegd in de Wro. Van belang daarbij zijn de </para>
      <para>aard van de publieke taak en de aard van de kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.1. De aard van de taak.</para>
      <para>De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat het in het algemeen </para>
      <para>niet ongeoorloofd is dat een gemeente de kosten die voor haar </para>
      <para>verbonden zijn aan de uitoefening van haar planologische taken en </para>
      <para>bevoegdheden bij de belanghebbende burger in rekening brengt. </para>
      <para>Zo is niet ongebruikelijk dat bij vrijstellingsverzoeken ex artikel 19 </para>
      <para>van de Wro voor de kosten van planontwikkeling en </para>
      <para>planvoorbereiding een kostendekkende leges wordt geheven en dat </para>
      <para>ingevolge artikel 42 van de Wro respectievelijk artikel 222 van de </para>
      <para>Gemeentewet de aanleg van noodzakelijke voorzieningen hetzij via </para>
      <para>een exploitatieovereenkomst, hetzij via een baatbelasting worden </para>
      <para>bekostigd. Daarnaast worden in het geval de gemeente zelf het </para>
      <para>plan ontwikkelt doorgaans de kosten van planontwikkeling en </para>
      <para>exploitatie doorberekend in de grondprijs. </para>
      <para>Uit deze opsomming van mogelijkheden blijkt dat niet alleen </para>
      <para>publiekrechtelijke vormen van kostenverhaal mogelijk zijn, maar </para>
      <para>ook privaatrechtelijke.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.2. De aard van de kosten</para>
      <para>A heeft verwezen naar de jurisprudentie van de </para>
      <para>Afdeling rechtspraak van de Raad van State inzake de gemeenten </para>
      <para>Raamsdonk (AB 1984/540) en Tholen (BR 1986/141). Geen van </para>
      <para>beide uitspraken handelde over (het verhaal van) kosten van </para>
      <para>planschadevergoedingen zoals hier aan de orde zodat deze </para>
      <para>jurisprudentie in het onderhavige geval niet zondermeer toepasbaar </para>
      <para>is.</para>
      <para>Het recht op planschadevergoeding zoals vervat in artikel 49 Wro </para>
      <para>omvat vergoeding van onevenredige schade ten gevolge van een </para>
      <para>bestemmingsplan “(…) waarvan vergoeding niet voldoende door </para>
      <para>aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd”.  Naar ook uit de </para>
      <para>ontstaansgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid is </para>
      <para>daarmee voorzien dat ook  en zelfs bij voorkeur op andere wijze </para>
      <para>kan worden tegemoet gekomen aan de nadelige effecten die een </para>
      <para>wijziging van het planologische régime kan hebben op de in het </para>
      <para>betreffende gebied reeds gevestigde belangen. De rechtbank heeft </para>
      <para>geen aanknopingspunten gevonden waaruit valt af te leiden dat </para>
      <para>dergelijke schadevoorkomende of schadebeperkende maatregelen </para>
      <para>uitsluitend door en voor rekening van de overheid moeten of </para>
      <para>kunnen worden getroffen. Binnen het raam van artikel 49 Wro is het </para>
      <para>derhalve  mogelijk dat een gemeente ter voorkoming van </para>
      <para>planschade een privaatrechtelijke overeenkomst sluit over de </para>
      <para>noodzakelijk geachte schade-afwendende maatregelen en </para>
      <para>voorzieningen ten laste van een derde. </para>
      <para>In het verlengde daarvan concludeert de rechtbank dat deze </para>
      <para>regeling er evenmin aan in de weg staat dat een gemeente </para>
      <para>privaatrechtelijk overeenkomt de kosten van planschadevergoeding </para>
      <para>achteraf te zullen verhalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.3 Het voorgaande in ogenschouw genomen is de rechtbank </para>
      <para>van oordeel dat verhaal van planschadekosten langs </para>
      <para>privaatrechtelijke weg in beginsel geen onaanvaardbare </para>
      <para>doorkruising oplevert van de regeling zoals vervat in de Wro. Het </para>
      <para>feit dat de wetgever geen specifieke regeling voor verhaal van deze </para>
      <para>kosten in de Wro heeft voorzien houdt naar de mening van de </para>
      <para>rechtbank niet in dat de wetgever deze mogelijkheid ook heeft </para>
      <para>willen uitsluiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>détournement de pouvoir</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Vervolgens is aan de orde of de gemeente door haar </para>
      <para>medewerking aan een planwijziging afhankelijk te stellen van de </para>
      <para>bereidheid om de mogelijke daaruit voortvloeiende </para>
      <para>planschadekosten te vergoeden haar bevoegdheden in het kader </para>
      <para>van de ruimtelijke ordening heeft gebruikt voor een ander doel dan </para>
      <para>waarvoor zij zijn toegekend.</para>
      <para>Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank negatief. </para>
      <para>Het ontgaat de rechtbank waarom een gemeente bij de beoordeling </para>
      <para>van een verzoek om medewerking aan een planherziening zich niet </para>
      <para>mede zou mogen laten leiden door de kosten die zij, bij inwilliging </para>
      <para>van het verzoek, verwacht te moeten maken. In het algemeen zal </para>
      <para>een overheid staande voor de vraag of een maatregel moet worden </para>
      <para>getroffen danwel een voorziening moet worden gerealiseerd </para>
      <para>afwegen of de voordelen die dat de gemeenschap oplevert </para>
      <para>opwegen tegen de kosten die daarvoor door diezelfde </para>
      <para>gemeenschap moeten worden opgebracht. In de sfeer van de </para>
      <para>ruimtelijke ordening geldt dat te sterker nu artikel 9, tweede lid van </para>
      <para>het Besluit ruimtelijke ordening eist dat de (economische en </para>
      <para>maatschappelijke) uitvoerbaarheid van het plan of de planwijziging </para>
      <para>van meet af aan in de besluitvorming wordt meegenomen. Valt die </para>
      <para>afweging negatief uit, dan ligt het in de rede dat medewerking wordt </para>
      <para>geweigerd. Van détournement de pouvoir is daarbij geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>misbruik van omstandigheden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst bestond er </para>
      <para>geen inzicht in de mogelijke omvang van het risico dat de gemeente </para>
      <para>voor rekening van A wilde laten komen. Beperkingen zijn </para>
      <para>daaraan dan ook niet gesteld. Wel ging de gemeente ervan uit dat </para>
      <para>de kans dat er planschade zou ontstaan verwaarloosbaar was en zij </para>
      <para>heeft de stelling van A dat dit in een gesprek tussen A en een wethouder aan A is meegedeeld niet </para>
      <para>weersproken. Een deugdelijke analyse van het schaderisico vooraf </para>
      <para>heeft dan ook niet plaatsgevonden en A heeft geen </para>
      <para>beperkingen gesteld aan (de omvang van) het risico dat hij voor zijn </para>
      <para>rekening nam. Dat dit voor A nadelig kon zijn, is evident. </para>
      <para>Ook is van belang dat A voor de realisering van zijn </para>
      <para>bouwplannen afhankelijk was van de medewerking van de </para>
      <para>gemeente en dat deze, mits A de verzochte </para>
      <para>bereidverklaring afgaf, zou worden verleend. </para>
      <para>Daar staat tegenover dat van enig bijzonder belang dat A </para>
      <para>destijds had bij de mogelijkheid om aan de […]weg te kunnen </para>
      <para>bouwen, anders dan dat hij dat graag wilde, niet is gebleken. </para>
      <para>Evenmin is er reden om aan te nemen dat de gemeente kosten die </para>
      <para>- gelet op de aan de orde zijnde belangen - voor haar rekening </para>
      <para>hadden behoren te blijven op deze wijze op A heeft willen </para>
      <para>afwentelen. Er  is dan ook geen reden om te oordelen dat A</para>
      <para>destijds in een zodanige positie verkeerde dat hem weinig </para>
      <para>anders restte dan de voor hem nadelige overeenkomst te </para>
      <para>accepteren en dat de gemeente, dat wetend, daarvan misbruik zou </para>
      <para>hebben gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>onbevoegd gesloten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. A heeft aangevoerd dat de overeenkomst niet </para>
      <para>rechtsgeldig tot stand is gekomen nu de brief van 20 februari 1996 </para>
      <para>waarin A namens burgemeester en wethouders is </para>
      <para>verzocht de eventuele kosten van planschade voor zijn rekening te </para>
      <para>nemen is ondertekend door een ambtenaar die daartoe geen </para>
      <para>mandaat had. In reactie daarop heeft de gemeente gesteld dat de </para>
      <para>gemeente de handeling van de betreffende ambtenaar bekrachtigt.</para>
      <para>A zelf heeft gesteld naar aanleiding van de brief van 20 </para>
      <para>februari 1996 een gesprek met onder andere een wethouder van de </para>
      <para>gemeente te zijn aangegaan. Bovendien is de gemeente de </para>
      <para>harerzijds gedane toezegging nagekomen en heeft zij, nadat </para>
      <para>A zich bereid had verklaard, het bestemmingsplan gewijzigd. </para>
      <para>In het aan de commissie ROV uit de gemeenteraad voorgelegde </para>
      <para>advies van 2 mei 1996  wordt daarenboven met zoveel woorden </para>
      <para>aangegeven dat er met A afspraken over de eventuele </para>
      <para>planschade zijn gemaakt. </para>
      <para>Uit dit geheel van omstandigheden leidt de rechtbank af dat de </para>
      <para>gemeente het optreden van haar ambtenaar heeft bekrachtigd als </para>
      <para>bedoeld in artikel 3:69 van het BW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>zorgvuldigheid</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Tenslotte is de vraag aan de orde of de gemeente  in het </para>
      <para>kader van de uitvoering van de overeenkomst A niet had </para>
      <para>moeten betrekken bij de besluitvorming over de toe te kennen </para>
      <para>planschadevergoedingen.</para>
      <para>Ingevolge artikel 49 Wro beslist de gemeenteraad op verzoeken om </para>
      <para>toekenning van planschadevergoeding. De wet kent aan derden, </para>
      <para>zoals A , geen recht op inspraak, laat staan </para>
      <para>(mede)zeggenschap toe. De gemeente heeft echter bij de </para>
      <para>uitvoering van de overeenkomst met A de beginselen van </para>
      <para>behoorlijk bestuur in acht te nemen. Dat geldt zeker in dit geval </para>
      <para>waar de overeenkomst de uitoefening door de gemeente van haar </para>
      <para>taken en bevoegdheden op het gebied van de ruimtelijke ordening </para>
      <para>betreft, waarmee de overeenkomst een uitgesproken </para>
      <para>publiekrechtelijk karakter draagt.</para>
      <para>In dat kader had de gemeente uit het oogpunt van de jegens A</para>
      <para>in acht te nemen zorgvuldigheid en mede gelet op het </para>
      <para>specifieke beoordelingskader van artikel 49 Wro A de </para>
      <para>gelegenheid moeten bieden ook zijnerzijds alles naar voren te </para>
      <para>brengen wat voor de beoordeling van de (omvang van) de schade </para>
      <para>relevant zou kunnen zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag is wat het gevolg moet zijn van deze omissie. Uit de </para>
      <para>stellingen van A blijkt dat hem achteraf wel inzage is </para>
      <para>verstrekt in de beslissing van de gemeenteraad en de daaraan ten </para>
      <para>grondslag liggende adviezen van de schadebeoordelingscomissie. </para>
      <para>(conclusie van antwoord, 19). Nu niet nader heeft </para>
      <para>aangegeven dat en waarom de door de gemeente toegekende </para>
      <para>vergoedingen niet juist of te hoog zouden zijn en ook anderszins </para>
      <para>niet is gebleken dat de onzorgvuldige handelwijze van de gemeente </para>
      <para>A voor onnodig hoge kosten plaatst ziet de rechtbank </para>
      <para>geen reden om de vordering van de gemeente te beperken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. De conclusie moet zijn dat het verweer van A moet </para>
      <para>worden verworpen. Tegen de gevorderde buitengerechtelijke </para>
      <para>incassokosten en de wettelijke rente is geen zelfstandig verweer </para>
      <para>gevoerd. De rechtbank zal de vordering van de gemeente </para>
      <para>toewijzen.</para>
      <para>A moet als de in het ongelijk gestelde partij worden </para>
      <para>veroordeeld in de kosten van deze procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>RECHTDOENDE</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>I. Veroordeelt A om aan de gemeente tegen </para>
      <para>behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van f. 29.245,00 </para>
      <para>(zegge: negenentwintig duizend tweehonderd vijfenveertig gulden), </para>
      <para>te vermeerderen met de wettelijke rente over f. 27.500,00 vanaf 9 </para>
      <para>november 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II.Verklaart dit vonnis inzoverre uitvoerbaar bij voorraad</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>II. Veroordeelt A in de kosten van de procedure, tot </para>
      <para>aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op </para>
      <para>f. 655,47 wegens verschotten en f. 1.720,00 wegens salaris van de </para>
      <para>procureur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mrs. Effting, Jue en Keuzenkamp en in het </para>
      <para>openbaar uitgesproken ter civiele terechtzitting van woensdag 20 </para>
      <para>oktober 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>