<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBALM:1999:AA3695</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3695</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3701</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Almelo" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Almelo</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/458 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3695">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3695</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBALM:1999:AA3695 Rechtbank Almelo , 29-10-1999 / 99/458 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3695:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3695:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>461 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO</para>
      <para>Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Registratienummer: 99/458 AW V1 A</para>
    <para />
    <para>UITSPRAAK </para>
    <para />
    <para>in het geschil tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van defensie, verweerder.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
      <para>Het besluit van verweerder van 20 april 1999, kenmerk JURA/99/14536.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De feiten en het verloop van de procedure</para>
      <para>Eiser is sinds 1 maart 1988 als burgerambtenaar in vaste dienst </para>
      <para>geweest van het Ministerie van Defensie als schilder/verfspuiter bij </para>
      <para>de NL-POMS-site in Vriezenveen. Vanaf mei 1990 heeft eiser zich </para>
      <para>herhaaldelijk ziekgemeld. vanaf 22 mei 1992 is zijn ziekte-verzuim </para>
      <para>vrijwel geheel aaneensluitend geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 3 september 1997 heeft eiser het Ministerie van </para>
      <para>Defensie aansprakelijk gesteld voor geleden en nog te lijden </para>
      <para>materiële en immateriële schade, waaronder buitengerechtelijke </para>
      <para>kosten. Eiser heeft gesteld dat hij lijdt aan de beroepsziekte </para>
      <para>Organisch Psycho Syndroom. Deze ziekte is naar zijn stelling het </para>
      <para>gevolg van de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens zijn werk op </para>
      <para>de NL-POMS-site. Eiser heeft gesteld dat het Ministerie van </para>
      <para>Defensie jegens hem is tekortgeschoten in haar zorgplicht als </para>
      <para>werkgever en onvoldoende veiligheidsmaatregelen in acht heeft </para>
      <para>genomen. Eiser heeft verder het Ministerie van Defensie verzocht </para>
      <para>en gesommeerd te berichten dat het ministerie de </para>
      <para>aansprakelijk-heid erkent en bereid is de schade te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 8 september 1998 heeft verweerder aan eiser laten </para>
      <para>weten dat hij geen aansprakelijkheid kan erkennen en het verzoek </para>
      <para>om schadevergoeding heeft afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 27 oktober 1998 heeft eiser verweerder laten weten </para>
      <para>dat hij zich tegen deze beslissing verzet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 23 november 1998 heeft eiser het Hoofd van het </para>
      <para>Bureau Bezwaarschriften gevraagd te laten weten of zijn brief van </para>
      <para>27 oktober 1998 als een bezwaarschrift in de zin van de Algemene </para>
      <para>wet bestuursrecht wordt beschouwd en zijn verzoek om </para>
      <para>schadever-goeding als een administratiefrechtelijke procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 1 december 1998 heeft verweerder hierop gereageerd </para>
      <para>en meegedeeld dat de brief van 27 oktober 1998 als een </para>
      <para>bezwaarschrift in de zin van de Algemene wet bestuursrecht wordt </para>
      <para>aangemerkt en dat sprake is van een administratiefrechtelijke </para>
      <para>procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Eiser is op 29 januari 1999 op zijn bezwaarschrift gehoord.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 april 1999 heeft verweerder het bezwaarschrift </para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 mei 1999 heeft eiser tegen dit besluit een </para>
      <para>beroepschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 30 juni 1999 heeft verweerder de op de zaak </para>
      <para>betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 22 juli 1999 heeft verweerder een verweerschrift </para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 7 oktober 1999 heeft eiser de rechtbank verzocht om </para>
      <para>uitstel van de behandeling ter zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 8 oktober 1999 heeft de griffier partijen laten weten </para>
      <para>dat er is geconstateerd dat het bezwaarschrift van 27 okto-ber 1998 </para>
      <para>na het verstrijken van de in artikel 6:7 van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht voorgeschreven termijn van zes weken is inge-diend </para>
      <para>en dat tijdens het onderzoek ter zitting in de eerste plaatst aan </para>
      <para>deze omstandigheid aandacht zal worden besteed. Daarnaast zal </para>
      <para>het verzoek om uitstel kunnen worden toegelicht, zo heeft de griffier </para>
      <para>bericht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van </para>
      <para>12 oktober 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan </para>
      <para>door J.E. Eshuis, gemachtigde. Verweerder heeft zich, na bericht </para>
      <para>van afwezigheid, niet doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Overwegingen</para>
      <para>De rechtbank stelt vast, mede gelet op het verhandelde ter zit-ting, </para>
      <para>waar gesteld noch is gebleken dat eiser de beslissing van </para>
      <para>8 september 1998 niet tijdig zou hebben ontvangen, dat de als </para>
      <para>bezwaarschrift aangemerkte brief van 27 oktober 1988 na afloop </para>
      <para>van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde </para>
      <para>termijn van zes weken is ingediend.</para>
      <para>De rechtbank is op grond van het verhandelde ter zitting echter van </para>
      <para>oordeel dat er onvoldoende duidelijkheid bestaat of bij de beslissing </para>
      <para>van 8 september 1998, op een aparte bladzijde, is gemeld dat </para>
      <para>bezwaar zou kunnen worden gemaakt. Daarom is het niet </para>
      <para>uitgesloten dat redelijkerwijs niet zou kunnen worden geoordeeld </para>
      <para>dat eiser door het te laat indienen van het bezwaarschrift in verzuim </para>
      <para>is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat hiervan echter ook zij, verweerder heeft de beslissing van </para>
      <para>8 september 1998 ten onrechte als een besluit in de zin van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht opgevat en in ieder geval om die </para>
      <para>reden eiser ten onrechte in zijn bezwaar ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een </para>
      <para>verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn </para>
      <para>binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een </para>
      <para>aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, is een besluit. </para>
      <para>De schriftelijke beslissing op een verzoek om vergoeding van </para>
      <para>schade, die in het kader van een ambtelijk dienstverband zou </para>
      <para>zijn toegebracht, betreft zo'n besluit. Ter zake van de </para>
      <para>rechtsverhouding tussen de werkgever en de ambtenaar, in </para>
      <para>het kader waarvan de schade zou zijn toegebracht, geldt </para>
      <para>verder dat de rechtbank als algemene bestuursrechter </para>
      <para>bevoegd is, zodat de algemene bestuursrechter ook bevoegd </para>
      <para>is voorzover het gaat om een beroep tegen een zelfstandig </para>
      <para>schadebesluit op een verzoek om de vergoeding van schade </para>
      <para>die bij de uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid </para>
      <para>aan de ambtenaar zou zijn toegebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt in navolging van de Afdeling </para>
      <para>bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak </para>
      <para>van 31 mei 1999 (AB 1999, 281) dat een bestuursorgaan een </para>
      <para>aansprakelijkstelling redelijkerwijs heeft moeten kunnen </para>
      <para>lezen als een verzoek om het nemen van een, als een besluit in </para>
      <para>de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet </para>
      <para>bestuursrecht te beschouwen, zelfstandig schadebesluit op </para>
      <para>buitenwettelijke grondslag en dat de intentie van degene die </para>
      <para>de aansprakelijkstelling heeft uitgebracht daarbij van belang </para>
      <para>is. Uit de aansprakelijkstelling met het verzoek om </para>
      <para>schadevergoeding moet voldoende duidelijk blijken dat om </para>
      <para>een zuiver schadebesluit wordt gevraagd; het verzoek moet </para>
      <para>redelijkerwijs, mede gelet op de bedoeling van degene die de </para>
      <para>aansprakelijkstelling heeft uitgebracht, niet als een </para>
      <para>civielrechtelijke aansprakelijkstelling kunnen worden gezien. </para>
      <para>De beoordeling van het karakter van de aansprakelijkstelling of </para>
      <para>het verzoek om schadevergoeding staat verder los van de </para>
      <para>vraag of de algemene of bijzondere bestuursrechter bevoegd </para>
      <para>is terzake van het schadeveroorzakende besluit of de daarmee </para>
      <para>gelijk te stellen schadeveroorzakende omstandigheid.</para>
      <para>Uit het voorgaande volgt, mede gelet op de Memorie van </para>
      <para>Toelichting bij de Algemene wet bestuursrecht, waarin tot </para>
      <para>uitdrukking wordt gebracht dat het gelet op de bijzondere </para>
      <para>expertise van de burgerlijke rechter op het terrein van het </para>
      <para>schadevergoedingsrecht niet wenselijk is de mogelijkheid van </para>
      <para>een schadevergoedingsactie bij de burgerlijk rechter uit te </para>
      <para>sluiten, dat het de vrager van schadevergoeding vrijstaat via </para>
      <para>een civielrechtelijke aansprakelijkstelling om vergoeding van </para>
      <para>schade te vragen ook al is de bestuursrechter terzake van het </para>
      <para>schadeveroorzakende besluit of de daarmee gelijk te stellen </para>
      <para>schade veroorzakende omstandigheid bevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de brief van 3 september 1997 </para>
      <para>ertoe strekt het Ministerie van Defensie en daarmee de Staat </para>
      <para>der Nederlanden langs civielrechtelijke weg aansprakelijk te </para>
      <para>stellen voor geleden en te lijden schade en redelijkerwijs niet </para>
      <para>is te begrijpen als een verzoek om een bestuursrechtelijk </para>
      <para>zelfstandig schadebesluit in de hiervoor bedoelde zin. </para>
      <para>Niet alleen wijzen de bewoordingen van de brief niet in de </para>
      <para>richting van een verzoek om schadevergoeding op </para>
      <para>buitenwettelijke, administratiefrechtelijke, grondslag, maar ook </para>
      <para>heeft eiser ter zitting verklaard dat de brief ook bedoeld is als </para>
      <para>een civielrechtelijke aansprakelijkstelling. Dat eiser en </para>
      <para>verweerder na de beslissing van 8 september 1998 tot de </para>
      <para>verstandhouding zijn gekomen dat de na de brief van </para>
      <para>3 september 1997 gevolgde procedure als een </para>
      <para>administratiefrechtelijke moet wordt gezien, maakt dit niet </para>
      <para>anders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de beslissing van 8 september 1998 kon daarom geen </para>
      <para>bezwaar worden gemaakt. Het beroep is dan ook gegrond en </para>
      <para>het bestreden besluit zal worden vernietigd.</para>
      <para>De rechtbank zal, nu rechtens nog slechts één juiste </para>
      <para>beslissing op het bezwaarschrift van 27 oktober 1998 mogelijk </para>
      <para>is, toepassing geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht en zelf voorziend eiser alsnog in </para>
      <para>zijn bezwaar nietontvankelijk verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht het billijk verweerder te veroordelen in de kosten </para>
      <para>die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de </para>
      <para>behandeling van dit beroep, zijnde zijn reiskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt daarom op na te melden wijze.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De Arrondissementsrechtbank Almelo,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van </para>
      <para>verweerder van 20 april 1999, kenmerk JURA/99/14536;</para>
      <para>- verklaart eiser alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift </para>
      <para>van 27 oktober 1998 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats </para>
      <para>treedt van het vernietigde besluit;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte </para>
      <para>proces-kosten, die worden bepaald op f 3,-- door de Staat der </para>
      <para>Nederlanden te betalen aan eiser; en</para>
      <para>- verstaat dat de Staat der Nederlanden aan eiser het </para>
      <para>griffierecht van f 225,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger </para>
      <para>beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gewezen en in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>door mr. R.J. Jue, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. N.C. van Lookeren Campagne als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op</para>
      <para>kr</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>