<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBALM:1999:AA3690</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3690</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Almelo" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Almelo</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/999 BESLUI Z1 A</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008903&amp;artikel=40&amp;g=1999-09-20">Wet sociale werkvoorziening 40</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008903&amp;artikel=44&amp;g=1999-09-20">Wet sociale werkvoorziening 44</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3690">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBALM:1999:AA3690</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBALM:1999:AA3690 Rechtbank Almelo , 20-09-1999 / 98/999 BESLUI Z1 A</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3690:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBALM:1999:AA3690:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>454 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO</para>
      <para>Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer</para>
      <para>Registratienummer: 98/999 BESLU Z1 A</para>
      <para>UITSPRAAK</para>
      <para>in het geschil tussen:</para>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Enschede, eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G.C.M. van Ruijven, werkzaam bij</para>
      <para>het Nationaal Overlegorgaan Sociale</para>
      <para>Werkvoorziening te Rijswijk,</para>
      <para>en</para>
      <para>de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</para>
      <para>verweerder.</para>
      <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
      <para>Besluit van verweerder van 27 oktober 1998.</para>
      <para>2. De feiten en het verloop van de procedure</para>
      <para>Bij besluiten van 29 september 1993,</para>
      <para>7 oktober 1993, 23 juni 1994 en 13 december 1994</para>
      <para>heeft verweerder aan eiser als algemeen bestuurder van de</para>
      <para>Dienst Complementaire Werkgelegenheid in de gemeente</para>
      <para>Enschede voor 1994 budget toegekend ter tegemoetkoming in de</para>
      <para>kosten bij de uitvoering van de Wet sociale werkvoor-ziening.</para>
      <para>Bij besluit van 1 april 1998 heeft verweerder de eerder aan eiser</para>
      <para>toegekende rijksvergoeding over 1994 nader vastgesteld op een</para>
      <para>bedrag van ? 75.703.500,-- en daarbij een korting toegepast van</para>
      <para>? 40.000,--, omdat volgens hem sprake is van verwijtbare ondoel-</para>
      <para>treffendheid bij de uitvoering van de Wet sociale werkvoor-ziening.</para>
      <para>Eiser heeft op 8 mei 1998 tegen dit besluit een bezwaarschrift</para>
      <para>ingediend, voorzover bij vaststelling van de vergoeding met een</para>
      <para>bedrag van ? 40.000,-- op het eerder toegekende budget is</para>
      <para>gekort. Bij brief van 29 mei 1998 heeft eiser zijn bezwaarschrift</para>
      <para>aangevuld.</para>
      <para>Eiser is op 8 juni 1998 op zijn bezwaar gehoord.</para>
      <para>Bij besluit van 27 oktober 1998 heeft verweerder het bezwaar</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
      <para>Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 december 1998, op</para>
      <para>7 december 1998 bij de rechtbank ingekomen, een beroepschrift</para>
      <para>ingediend.</para>
      <para>Bij brief van 3 februari 1999 heeft verweerder, onder toezending</para>
      <para>van de op de zaak betrekking hebbende stukken, een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Bij brief van 16 maart 1999 heeft eiser zijn beroep aangevuld.</para>
      <para>Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank</para>
      <para>van 11 augustus 1999, waar eiser en verweerder zich hebben</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door respectievelijk H. Stoudt,</para>
      <para>ambtenaar bij de gemeente, bijgestaan door Van Ruijven,</para>
      <para>voornoemd, en mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, ambtenaren</para>
      <para>ten departemente.</para>
      <para>3. Overwegingen</para>
      <para>In geschil is de vraag of verweerder terecht bij vaststelling van het</para>
      <para>budget voor 1994 de hiervoor vermelde korting heeft toegepast.</para>
      <para>Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet sociale</para>
      <para>werkvoorziening (Stb. 1967, 687, zoals daarna gewijzigd; WSW)</para>
      <para>kent het Rijk jaarlijks aan de gemeente een vooraf door de</para>
      <para>minister vastgestelde vergoeding toe voor door de gemeente te</para>
      <para>maken kosten bij de uitvoering van de WSW.</para>
      <para>Ingevolge artikel 44, aanhef en onder e, WSW kan de minister na</para>
      <para>afloop van het jaar waarop de vergoeding betrekking heeft een</para>
      <para>vergoeding als bedoeld in artikel 40, eerste lid, WSW geheel of</para>
      <para>gedeeltelijk terugvorderen dan wel verrekenen als naar zijn</para>
      <para>oordeel sprake is van een ondoeltreffende uitvoering van de</para>
      <para>WSW.</para>
      <para>Op grond van de beoordelingsvrijheid die deze bepaling verschaft</para>
      <para>heeft verweerder beleid geformuleerd. Volgens dit beleid moeten</para>
      <para>kandidaat-werknemers in het kader van de WSW op een</para>
      <para>zorgvuldige en evenwichtige manier worden geplaatst. Deze</para>
      <para>doelstelling en dit beleid, die bekend staan onder de term</para>
      <para>Z.E.E.P., zijn opgenomen in de beleidsnota 'De toetsing van de</para>
      <para>uitvoering door gemeenten van de WSW', die bij circulaire van</para>
      <para>16 augustus 1993 aan de gemeentebesturen en de bestuurlijke</para>
      <para>eenheden van de sociale werkvoorziening is bekendgemaakt. Er</para>
      <para>is volgens het beleid sprake van een zorgvuldige en evenwichtige</para>
      <para>plaatsing als de kandidaat-werknemers in beginsel in volgorde</para>
      <para>van hun positie op de wachtlijst een arbeidsplaats krijgen</para>
      <para>aangeboden.</para>
      <para>Volgens de beleidsnota is de achtergrond van Z.E.E.P. het</para>
      <para>realiseren van gelijke kansen voor tot de doelgroep van de WSW</para>
      <para>behorende personen. De bedoeling is dat de plaatsing van</para>
      <para>kandidaat-werknemers zo gebeurt dat het principe van gelijke</para>
      <para>kansen wordt verwezenlijkt, ongeacht de aard van de handicap of</para>
      <para>de te verwachten mate van productiviteit. Volgens het beleid ligt</para>
      <para>afwijking van Z.E.E.P. slechts in een beperkt aantal gevallen in de</para>
      <para>rede: bijvoorbeeld om bepaalde personen eerder te laten</para>
      <para>instromen in verband met een dreigend verlies aan vaardigheden</para>
      <para>of om een sleutelfunctie binnen een werkverband te vervullen.</para>
      <para>Ook kan het gaan om personen waarvan plaatsing onmiddellijk</para>
      <para>wordt gevorderd met het oog op het behoud van de</para>
      <para>arbeidsbekwaamheid om afglijden beneden de ondergrens te</para>
      <para>voorkomen. Bij afwijking van Z.E.E.P. eist verweerder dat een</para>
      <para>individuele toetsing wordt uitgevoerd. Verder gaat het beleid ervan</para>
      <para>uit dat een marge van vijfentwintig procent voldoende is om</para>
      <para>plaatsingen bij wijze van voorkeursbeleid op te vangen. In</para>
      <para>voorkomende gevallen is een grotere afwijking aanvaardbaar,</para>
      <para>bijvoorbeeld bij een voorkeursbeleid voor de zwakste groep(en)</para>
      <para>op de wachtlijst.</para>
      <para>Of de bestuurlijke eenheden kandidaat-werknemers zorgvuldig en</para>
      <para>evenwichtig hebben geplaatst, wordt getoetst aan de hand van</para>
      <para>een indeling van de wachtlijst in jaarcohorten van kandidaten die</para>
      <para>nog niet zijn uitgestroomd: een wachttijd aan het begin van het</para>
      <para>begrotingsjaar van drie jaar of meer, een wachttijd van twee tot</para>
      <para>drie jaar, een wachttijd van één tot twee jaar en een wachttijd van</para>
      <para>minder dan een jaar. Van het totaal aantal plaatsingen wordt</para>
      <para>nagegaan of de werknemers uit de cohorten met de langste</para>
      <para>wachttijd afkomstig zijn. Is dat niet het geval dan is volgens</para>
      <para>Z.E.E.P. sprake van een ondoeltreffende uitvoering van de WSW</para>
      <para>en wordt een nader onderzoek ingesteld naar de verwijtbaarheid.</para>
      <para>Er is volgens het beleid sprake van verwijtbaarheid als in meer</para>
      <para>dan vijfentwintig procent van de gevallen wordt afgeweken van</para>
      <para>plaatsing in volgorde van de jaarcohorten op de wachtlijst. De</para>
      <para>marge van vijfentwintig procent biedt voldoende ruimte om</para>
      <para>sleutelfuncties te bezetten of om een eigen voorkeursbeleid te</para>
      <para>voeren. Volgens het maatregelenbeleid past verweerder een</para>
      <para>korting toe van in beginsel ? 10.000,-- voor iedere verwijtbare niet</para>
      <para>binnen de gestelde norm geplaatste werknemer. Voor het</para>
      <para>vergoedingsjaar 1994 heeft hij deze korting bijgesteld tot een</para>
      <para>bedrag van ? 2.500,-- per werknemer die buiten de marge van</para>
      <para>vijfentwintig procent niet overeenkomstig de volgorde van de</para>
      <para>wachtlijst is geplaatst.</para>
      <para>De taakstelling voor de gemeente Enschede bedroeg voor 1994</para>
      <para>1717,5 fte's. De taakstelling voor 1993 bedroeg 1640 fte's. In</para>
      <para>1994 heeft eiser 168 plaatsingen gerealiseerd. In 74 van die</para>
      <para>gevallen is daarbij afgeweken van Z.E.E.P., in zestien gevallen</para>
      <para>buiten de eerder aangeduide marge van vijfentwintig procent.</para>
      <para>Verweerder heeft naar aanleiding hiervan een korting toegepast</para>
      <para>op het budget voor 1994 van fl. 40.000,--.</para>
      <para>Verweerder is van mening dat de door eiser in 1994 gerealiseerde</para>
      <para>plaatsingen ondoeltreffend zijn en dat eiser dat moet worden</para>
      <para>verweten.</para>
      <para>Eiser heeft zich hiertegen verzet en zich op het standpunt gesteld</para>
      <para>dat de door verweerder toegepaste financiële sanctie niet op de</para>
      <para>desbetreffende beleidsregels kan worden gebaseerd en dat het</para>
      <para>bepaalde bij artikel 44, aanhef en onder e, WSW daarvoor</para>
      <para>evenmin een basis vormt. Wat onder een ondoeltreffende</para>
      <para>uitvoering moet worden verstaan blijft vaag, zelfs zodanig dat</para>
      <para>geconcludeerd moet worden dat er geen (wettelijke) basis voor</para>
      <para>terugvordering bestaat. De financiële sanctie is als gevolg</para>
      <para>daarvan in strijd met de rechtszekerheid en het evenredigheids-</para>
      <para>en legaliteitsbeginsel, aldus eiser.</para>
      <para>Eiser heeft verder betoogd dat hij niet verwijtbaar heeft</para>
      <para>gehandeld. De Z.E.E.P.-doelstelling is volgens hem ondergeschikt</para>
      <para>aan de taakstelling arbeidsplaatsen. Er zijn</para>
      <para>samenwerkingsprojecten met diverse instellingen opgezet om</para>
      <para>bepaalde groepen moeilijk plaatsbare personen een eerlijke kans</para>
      <para>op plaatsing te bieden. Het plaatsen van deze groepen, waarbij</para>
      <para>economische overwegingen geen rol hebben gespeeld, heeft de</para>
      <para>overschrijding veroorzaakt.</para>
      <para>De financiële sanctie is te meer onterecht, aldus eiser, daar</para>
      <para>verweerder haar heeft gebaseerd op de veronderstelling dat</para>
      <para>afwijking van het Z.E.E.P.-beleid is ingegeven door</para>
      <para>bedrijfseconomische overwegingen en er financieel voordeel mee</para>
      <para>wordt behaald, wat in dit geval niet zo is.</para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder, mede gelet op</para>
      <para>de doelstelling van Z.E.E.P. en de WSW, in redelijkheid het</para>
      <para>voor toepassing van artikel 44, aanhef en onder e, WSW</para>
      <para>vastgestelde beleid heeft kunnen formuleren en daarbij is</para>
      <para>gebleven binnen de hem daarvoor toekomende</para>
      <para>beoordelingsvrijheid. Verder is, anders dan eiser meent, in de</para>
      <para>hiervoor vermelde beleidsnota voldoende helder onder</para>
      <para>woorden gebracht in welk geval sprake is van een</para>
      <para>ondoeltreffende uitvoering van de WSW wat de plaatsing van</para>
      <para>werknemers betreft en is het beleid tijdig aangekondigd zodat</para>
      <para>geen sprake kan zijn van strijd met het</para>
      <para>rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog van eiser dat voor het</para>
      <para>Z.E.E.P.- en het daarmee verband houdende</para>
      <para>maatregelenbeleid geen basis bestaat, treft geen doel. Het</para>
      <para>beleid is gebaseerd op de beoordelingsvrijheid die in</para>
      <para>artikel 44, aanhef en onder e, WSW aan verweerder is</para>
      <para>verleend en heeft daarmee een wettelijke basis.</para>
      <para>Vast staat dat eiser in 1994 in meer dan vijfentwintig procent</para>
      <para>van de gevallen niet heeft geplaatst volgens de volgorde van</para>
      <para>de wachtlijst en daarbij niet aan Z.E.E.P. heeft voldaan.</para>
      <para>Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser de</para>
      <para>WSW in 1994 in beginsel ondoeltreffend heeft uitgevoerd.</para>
      <para>De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich in</para>
      <para>redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er</para>
      <para>geen sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat een</para>
      <para>afwijken van het meer aangeduide beleid zou zijn</para>
      <para>gerechtvaardigd. Weliswaar heeft eiser 26 gevallen nader</para>
      <para>toegelicht waarin om sociale redenen van Z.E.E.P. is</para>
      <para>afgeweken - het betrof onder meer de instroom van jongeren</para>
      <para>die op een school voor (zeer) moeilijk lerende kinderen</para>
      <para>hebben gezeten (veertien plaatsingen in 1994) en de</para>
      <para>instroom, op basis van een samenwerkingsverband met een</para>
      <para>trainingswerkplaats van het Twents Psychiatrisch ziekenhuis,</para>
      <para>van personen met een psychiatrische achtergrond (drie</para>
      <para>plaatsingen) -, maar deze plaatsingen kunnen niet tot het</para>
      <para>oordeel leiden dat niet van een ondoeltreffende uitvoering</para>
      <para>zou kunnen worden gesproken. Het aantal in dit verband door</para>
      <para>eiser toegelichte gevallen blijft ruim binnen de marge</para>
      <para>waarbinnen volgens Z.E.E.P. van het plaatsingsprincipe</para>
      <para>afgeweken kan worden. Ook in combinatie met de</para>
      <para>omstandigheid dat de taakstelling voor 1994 ten opzichte van</para>
      <para>1993 een duidelijke toename van het aantal te realiseren</para>
      <para>werkplaatsen inhield en een aantal plaatsingen was</para>
      <para>ingegeven door het opvullen van sleutelfuncties en het</para>
      <para>behoud van werkprocessen, kunnen de sociaal geïndiceerde</para>
      <para>plaatsingen niet tot een ander oordeel leiden. Hierbij is van</para>
      <para>betekenis dat eiser al geruime tijd vóór 1994 op de hoogte</para>
      <para>was van de volumetaakstelling voor dat jaar. Voor de, door</para>
      <para>eiser overigens niet onderbouwde, stelling dat Z.E.E.P.</para>
      <para>ondergeschikt is aan de volumetaakstelling zijn in de WSW</para>
      <para>geen aanknopingspunten te vinden. In tegendeel: het streven</para>
      <para>om kandidaat-werknemers gelijke kansen te bieden ongeacht</para>
      <para>de aard van de handicap of de te verwachten mate van</para>
      <para>productiviteit strookt met de doelstelling van de WSW.</para>
      <para>Daarnaast geldt dat de marge van vijfentwintig procent</para>
      <para>geacht moet worden voldoende ruimte te bieden om bepaalde</para>
      <para>werkprocessen door plaatsing buiten Z.E.E.P. te behouden.</para>
      <para>Verweerder was dan ook bevoegd om een korting toe te</para>
      <para>passen. Mede gelet op wat hiervoor over afwijking van</para>
      <para>Z.E.E.P. is overwogen, heeft verweerder terecht geoordeeld</para>
      <para>dat sprake is van verwijtbare ondoeltreffendheid.</para>
      <para>De maatregel die verweerder heeft opgelegd verhoudt zich</para>
      <para>verder goed tot het door hem ter zake geformuleerde</para>
      <para>maatregelenbeleid.</para>
      <para>Nu ook verder niet is gebleken dat het bestreden besluit in strijd is</para>
      <para>met de van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften</para>
      <para>of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan dit</para>
      <para>besluit in rechte in stand worden gelaten.</para>
      <para>Beslist wordt daarom op na te melden wijze.</para>
      <para>4. Beslissing</para>
      <para>De Arrondissementsrechtbank Almelo,</para>
      <para>recht doende:</para>
      <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending</para>
      <para>hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
      <para>Gewezen en in het openbaar uitgesproken op</para>
      <para>door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. I. van Gemert als griffier.</para>
      <para>Afschrift verzonden op</para>
      <para>ha</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>