<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2026:556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-14T13:14:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2026-06-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/01667</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2026:1264" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:1264</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:556">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-13T15:03:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2026:556 Parket bij de Hoge Raad , 02-06-2026 / 25/01667</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2026:556:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Recidive doodslag en voorhanden hebben vuurwapen. Middel 1 klaagt over categorisatie vuurwapen. Middelen 2 en 3 klagen over de aan de verdachte opgelegde tbs-maatregel en gevangenisstraf. Deze middelen falen. Vierde middel klaagt over toewijzing vordering tot vergoeding van affectieschade stiefvader slachtoffer. Dit middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing op dit punt, zodat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2026:556:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>25/01667 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	2 juni 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.M.W. Paridaens</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij arrest van 17 april 2025 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch<footnote-ref linkend="_5b686d47-1d40-473f-92ae-257a740854fa" /> het vonnis van de rechtbank Limburg van 23 december 2022 bevestigd met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vorderingen van twee van de benadeelde partijen alsmede de in beide gevallen opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft de verdachte wegens onder 1 “doodslag, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan” en onder 2 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” een gevangenisstraf van 18 jaren, met aftrek van voorarrest, opgelegd en gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft het hof aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z Sr opgelegd. Ook heeft het hof opnieuw beslist op de vorderingen van twee<footnote-ref linkend="_adc6ea18-06b8-492f-b167-7fd068811c3f" /> benadeelde partijen zoals vermeld in het arrest. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Namens de verdachte heeft T. Straten, advocaat in Maastricht, vier middelen van cassatie voorgesteld. Namens [benadeelde 1] heeft F.W. Oehlen, advocaat te Sittard, een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het eerste middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het eerste middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het vuurwapen dat de verdachte voorhanden heeft gehad onder categorie II van de Wet wapens en munitie (verder: WWM) kan worden geschaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“op 13 november 2021 in [plaats] een vuurwapen van categorie II voorhanden heeft gehad.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het partieel door het hof bevestigde vonnis bevat de volgende overwegingen omtrent het bij de verdachte aangetroffen vuurwapen (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Het vuurwapen </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aan de verdachte is onder 2. ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – op 13 november 2021 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring hiervan en de verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte verklaarde ter terechtzitting van 12 december 2022 dat hij met een klein handvuurwapen, kaliber 7.65mm op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Op de plaats delict zijn drie hulzen aangetroffen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] werden vier projectielen (kogels) aangetroffen en in beslag genomen. Het onderzoek aan de drie hulzen en aan de vier projectielen geeft aanleiding tot een sterk vermoeden dat deze projectielen (kogels) zijn verschoten met een semiautomatisch vuurwapen: een gas alarmpistool van het merk Zoraki dat geschikt is gemaakt voor het semiautomatisch verschieten van kogelpatronen van het kaliber 7.65mm Browning. De afvuursporen in de vier projectielen (kogels) passen namelijk eveneens bij een vuurwapen van dat soort. Op basis van het sterke vermoeden dat door de verdachte de aangetroffen projectielen (kogels) zijn afgeschoten uit een vuurwapen van dat soort, is de rechtbank overtuigd dat de verdachte een dergelijk vuurwapen voorhanden heeft gehad. Een dergelijk vuurwapen is in de Wet wapens en munitie ingedeeld in categorie II.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Art. 1 aanhef en onder 3 WWM luidt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">In deze wet wordt verstaan onder:</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3°</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vuurwapen: een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Art. 2 WWM luidt, voor zover hier van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">1.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Categorie II</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">2° vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3° vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">6° voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…] </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Categorie III</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">1°</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Uit de bewijsvoering blijkt dat het wapen dat de verdachte aanwezig heeft gehad volgens hemzelf een “klein handvuurwapen, kaliber 7.65mm” betrof en dat een NFI-deskundige wapens en munitie gelet op de plaats delict aangetroffen munitie een sterk vermoeden heeft dat (bij het onder feit 1 tenlastegelegde feit) gebruik is gemaakt van een semiautomatisch vuurwapen: een gas/alarmpistool van het merk Zoraki, dat geschikt is gemaakt voor het semiautomatisch verschieten van kogelpatronen van het kaliber 7.65mm Browning. Het betreffende wapen is nooit aangetroffen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Tenlastegelegd en bewezenverklaard is dat de verdachte een vuurwapen van categorie II voorhanden heeft gehad. Het oordeel dat het gaat om een wapen van categorie II is evenwel niet zonder meer begrijpelijk.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Op grond van voorgaande gegevens valt af te leiden dat het wapen in beginsel in categorie III onder 1 van de WWM valt (geweren, revolvers en pistolen). Dit is slechts anders als het vuurwapen zou kunnen worden geschaard onder categorie II onder 2 (automatische vuurwapens), onder 3 (vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd zijn dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd) of onder 6 (vuurwapens die een weerloosmakende of traanverwekkende stof afschieten). Uit de bewijsvoering valt echter niet af te leiden dat het wapen dat de verdachte voorhanden heeft gehad, kan worden geschaard onder de voornoemde subcategorieën van categorie II WWM.<footnote-ref linkend="_d94cd6d9-097f-4d1d-a3b4-4d35e6135dba" /> De steller van het middel heeft in zoverre een punt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Ik ga ervan uit dat sprake is van een kennelijke misslag in de tenlastelegging en bewezenverklaring.<footnote-ref linkend="_f690be4b-6e93-4247-8b08-806234e5ce8d" /> De Hoge Raad kan deze misslag verbeterd lezen. In dit verband wijs ik nog op het volgende. Er wordt door de steller bepleit “dat de LOVS oriëntatiepunten voor het voorhanden hebben van pistolen/revolvers/geweren van categorie III in de openbare ruimte uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, terwijl voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen van categorie II in de openbare ruimte een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden als uitgangspunt geldt” en dat het daarom niet kan “worden uitgesloten dat het hof een lagere gevangenisstraf zou hebben opgelegd als het was uitgegaan van een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III in plaats van het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie II”. Dit argument gaat niet op. Het hof heeft namelijk ondanks zijn kwalificatie van het wapen als een vuurwapen in de zin van categorie II WWM in de strafmotivering uitdrukkelijk gerefereerd aan het LOVS-oriëntatiepunt voor straftoemeting voor het voorhanden hebben van een pistool in de openbare ruimte dat als vertrekpunt uitgaat van een gevangenisstraf van 8 maanden. Nu, zoals de steller van het middel zelf aangeeft, 8 maanden de straf is die in het oriëntatiepunt wordt genoemd voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de zin van <emphasis role="italic">categorie III </emphasis>is het hof er bij de strafoplegging kennelijk vanuit gegaan dat het vuurwapen onder die categorie valt.<footnote-ref linkend="_48c07af6-4497-4ca7-85b3-dcb499194472" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het tweede en derde middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het tweede en derde middel klagen achtereenvolgens over de aan de verdachte opgelegde tbs-maatregel en over de motivering van de aan hem opgelegde gevangenisstraf. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik eerst de strafmotivering van het hof weer.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging in het bestreden arrest het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="underline italic">Vonnis waarvan beroep</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] alsmede de in beide gevallen opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Voorts zal het hof een beslissing nemen op het verzoek dat in hoger beroep door de vader van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 2] bij brief van 12 februari 2025 is gedaan om ten behoeve van zijn zoon aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen voor een bedrag van € 30.000,00 aan immateriële schade (shockschade).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Strafbaarheid van de verdachte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Na een periode van observatie en onderzoek van de verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) hebben [deskundige 1] (GZ-psycholoog) en [deskundige 2] (psychiater) over de geestvermogens van de verdachte een rapport uitgebracht, gedateerd 23 juli 2024. Het hof komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot de conclusie dat er geen omstandigheden zijn, de persoon van de verdachte betreffende, die tot de conclusie moeten leiden dat het handelen van de verdachte, niet aan hem kan worden toegerekend en waardoor zijn strafbaarheid zou zijn uitgesloten. Op de bevindingen van de deskundigen zal hierna nader worden ingegaan.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nu ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten, is de verdachte aldus strafbaar voor de bewezenverklaarde feiten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Op te leggen gevangenisstraf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen gevangenisstraf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ernst van de feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De verdachte, destijds 30 jaar oud, ging op de avond van 13 november 2021 naar de woning van de toen 51-jarige [slachtoffer 1] ; kennelijk niet om [slachtoffer 1] zelf te ontmoeten, maar voor andere personen die ook in die woning aanwezig waren. Daartoe betrad hij eerst korte tijd de woning om vervolgens tot drie keer toe met een ander buiten op de stoep voor de woning een gesprek te voeren. Omdat [slachtoffer 1] geen rumoer wilde op de stoep voor zijn woning, is de verdachte wederom naar binnen gegaan. Waar er eerder nog niets aan de hand leek te zijn, ontstond er in de volgende 51 seconden ruzie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] . Hoe die ruzie precies is ontstaan, is niet duidelijk geworden. De verdachte stelt dat [slachtoffer 1] vanuit het niets ‘ontplofte', mogelijk naar aanleiding van opmerkingen van de verdachte over druggebruik in de woning in het bijzijn van een kind of over uitbuiting van een meisje, waar de verdachte ‘een oogje op had'. Anderzijds zijn er ook aanwijzingen dat juist de verdachte de persoon was die schreeuwde tegen [slachtoffer 1] .</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ruzie leidde ertoe dat de verdachte met slaande (tussen)deur de woning verliet en op enig moment weer buiten bij de voordeur stond, circa gedurende 8 seconden. In dat tijdbestek is [slachtoffer 1] de verdachte achterna gekomen, tot in de hal bij de voordeur van de woning. Op dat moment schoot de verdachte, kennelijk direct tweemaal, gericht op [slachtoffer 1] . Een van de twee schoten zou al dodelijk zijn. Doch direct daarna boog de verdachte zich door de opening van de voordeur, deels in het halletje van de woning en schoot opnieuw twee keer op [slachtoffer 1] , om vervolgens te vluchten. [slachtoffer 1] is zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht, waar hij de dag erna overleed.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verdachte heeft dit feit gepleegd op een moment dat nog geen vijf jaren waren verlopen sinds een eerdere veroordeling van de verdachte en de daaruit gevolgde termijn van detentie en van tbs met dwangverpleging wegens een soortgelijk misdrijf op 27 juli 2017 eindigden.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verdachte heeft door zijn handelen op een verschrikkelijke en abrupte wijze het leven van het slachtoffer ontnomen. Doodslag behoort tot een van de zwaarste categorieën van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is. Het is zeer kwalijk dat het slachtoffer dat recht is ontnomen. De verdachte heeft niet alleen het leven van het slachtoffer ontnomen, hij heeft ook diens nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Dat dit leed nog altijd voortduurt blijkt alleen al uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaringen van de moeder en de (half)zussen van het slachtoffer.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorts brengt het ongeoorloofde bezit van wapens in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt het een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De afloop in deze zaak illustreert op trieste wijze tot welke gevolgen het dragen van een vuurwapen, zeker in conflictsituaties, kan leiden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Persoonlijke omstandigheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit volgt dat, zoals hiervoor al aangegeven, de verdachte eerder onherroepelijk voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit heeft tot een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege geleid, die uiteindelijk na verlengingen in 2018 is beëindigd. Ook blijkt uit dit uittreksel dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in de proeftijd liep voor een andersoortig strafbaar feit waarvoor hem een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden was opgelegd. Dit weerhield de verdachte er kennelijk niet van om opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorts heeft het hof met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in het bijzonder acht geslagen op de conclusies van de psychiater [deskundige 2] en de GZ-psycholoog [deskundige 1] , die mede naar aanleiding van een observatie van de verdachte in het PBC een onderzoek hebben ingesteld naar zijn geestvermogens. Zij hebben hun bevindingen neergelegd in een gezamenlijke Pro Justitia rapportage d.d. 23 juli 2024. In die rapportage zijn de voorgelegde vragen als volgt beantwoord (pagina 91 e.v.):</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">‘BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">1. Is onderzochte lijdend aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten tijde van het huidige onderzoek is er weinig meer te zien van het geleerde tijdens eerdere behandelingen. Betrokkene zelf geeft nu ook aan dat hij mogelijk wel veel heeft geleerd tijdens zijn behandelingen, maar dat dit enkel inzichten waren, en dat hij niet in staat was om het geleerde toe te passen in zijn eigen leven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Met betrekking tot de persoonlijkheid van betrokkene komt in zowel het onderzoek van de psychiater als dat van de psycholoog naar voren dat er sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beschreven, in aanleg aanwezige tekorten in het functioneren van betrokkene doen denken aan kenmerken van een ontwikkelingsstoornis zoals ADHD of autisme. Ook in de ontwikkelingsanamnese komen er enkele aanwijzingen naar voren voor dergelijke ontwikkelingsproblematiek.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorst wordt er een ernstige stoornis in misbruik van alcohol en cocaïne vastgesteld.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tenslotte wordt er tijdens de observatie in het Pieter Baan Centrum een posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Deze is ontstaan na het ten laste gelegde en werd ook al vastgesteld door een inrichtingspsycholoog en behandeld middels imaginaire exposure. Deze behandeling heeft niet (voldoende) geholpen en de klachten zijn nog altijd aanwezig (zoals nachtmerries, herbelevingen en schrikachtigheid: betrokkene beschrijft dat hij last heeft van beelden van het slachtoffer, waarbij hij zich erg angstig voelt).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beschreven diagnostisch beeld wijkt af van de uitkomsten van het PBC-onderzoek in 2022. Er werd toen een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld met, naast de antisociale kenmerken, ook borderline kenmerken en vermijdende trekken. Er werden in mindere mate neurobiologische beperkingen in het functioneren beschreven. Ook werd er toen geen diagnose PTSS gesteld. De tekorten in het sociaal functioneren en het zelfbeeld kwamen in het vorige onderzoek in mindere mate naar voren. Er was minder sprake van angst- en paniekklachten en zijn aandacht en informatieverwerking was beter. Voorts geeft betrokkene nu minder gunstige informatie over de effecten van de schematherapie die hij gedurende zijn jaren in de tbs-kliniek aangeboden kreeg. De vermijdende en borderline kenmerken in de persoonlijkheid worden door huidige onderzoekers niet herkend. Het gedrag dat eerder geduid werd als vermijding c.q. als het aantrekken en afstoten (borderline gedrag), wordt nu door onderzoekers geduid als passend bij trage informatieverwerking, sociale beperkingen en/of PTSS-klachten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Concluderend wordt er bij betrokkene een antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Betrokkene onderscheidt zich van anderen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis doordat betrokkene op basis van neurobiologische tekorten minder goed in staat is om zichzelf te handhaven binnen sociale situaties, en hierdoor nog eerder geneigd is tot het terugvallen in een antisociaal gedragspatroon, zoals hij dit vanaf jonge leeftijd heeft meegekregen. Hij is hierdoor niet voldoende in staat zijn eigen gedrag aan te sturen of zich aan gemaakte afspraken te houden. De stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Daarnaast wordt er een ernstige stoornis in gebruik van alcohol en cocaïne vastgesteld, thans in remissie als gevolg van detentie, maar ten tijde van het ten laste gelegde actueel. Tenslotte wordt er een posttraumatische stressstoornis vastgesteld die nog niet aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic"> 3. Beïnvloedde de eventuele psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Zo ja, kunt u dan gemotiveerd aangeven:</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">a. op welke manier dat gebeurde,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">b. of dit leidt tot het advies om het ten laste gelegde in een verminderde mate dan wel in het geheel niet toe te rekenen, en,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">c. indien geadviseerd wordt om in een verminderde mate toe te rekenen, preciseer dit gedragskundig.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van het eerste ten laste gelegde feit, moord dan wel doodslag (indien bewezen), zijn zowel de persoonlijkheidsstoornis (met in de basis daarvan beperkingen in de informatieverwerking en het sociaal functioneren) als de stoornis in middelen van invloed geweest. De persoonlijkheidsstoornis en de stoornis in middelengebruik werkten tezamen door in het gedrag, en kunnen niet los van elkaar gezien worden. De al aanwezige beperkingen in zijn oordeelsvermogen en coping werden uitvergroot doordat betrokkene op dat moment onder invloed was van middelen. Er is een duidelijke doorwerking in de handelingen van betrokkene in de aanloop naar het ten laste gelegde, waarbij er sprake is geweest van een inperking van zijn keuzevrijheid als gevolg van de vastgestelde stoornissen. Enkel de verslaving hield hem op dat moment op de been, maar beperkte zijn mogelijkheid om te beschikken tot zijn vrije keuzevrijheid nog verder. Het advies van de onderzoekers is om, indien het ten laste gelegde bewezen kan worden geacht, dit in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van het tweede feit, het vuurwapenbezit, komen onderzoekers tot een ander advies. In de periode dat betrokkene het wapen aanschafte was hij nog niet in zo een slechte toestand als hierboven beschreven. De eerder beschreven stoornissen waren wel aanwezig op dat moment, maar er was geen sprake van een inperking van de wilsvrijheid ten aanzien van dit feit. Indien dit feit bewezen wordt geacht, dan adviseren de onderzoekers om dit volledig aan betrokkene toe te rekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit advies is anders dan het advies van onderzoekers in 2022. Destijds werd het vuurwapenbezit meer beschouwd als samenhangend met vooral zijn achterdocht, terwijl ondergetekenden het vuurwapenbezit als uiting van zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis zien, zonder dat daardoor zijn wilsvrijheid werd ingeperkt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">5. a. Welke verwachting heeft u, gelet op de hiervoor beschreven stoornis, ten aanzien van het risico op recidive?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">b. Welke beschermende functies in de persoonlijkheid of functioneren dienen hierbij in overweging te worden genomen?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">c. Welke contextuele, situatieve of andere condities dienen hierbij in overweging te worden genomen?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">d. Is er iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wanneer betrokkene zonder zorg detentie zal verlaten komt de risicotaxatie uit op een hoog risico, en binnen detentie op een matig risico.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wanneer gekeken wordt naar de beschermende factoren dan zijn deze maar in zeer beperkte mate aanwezig in het leven van betrokkene. Ten aanzien van de externe beschermende factoren geldt dat deze buiten detentie niet aanwezig zijn. Binnen detentie is er sprake van hulpverlening, woonruimte en toezicht, wat beschermend is.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beschermende factoren zijn niet in die mate aanwezig dat zij het recidiverisico verlagen. Het risico op herhaling van geweld, indien betrokkene zonder zorg detentie zou verlaten, wordt nog altijd ingeschat als hoog. Binnen detentie zijn er meer beschermende factoren aanwezig, wat maakt dat het risico daar als laag tot matig kan worden ingeschat.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het klinische oordeel komt overeen met de inschatting op basis van de risicotaxatie instrumenten.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">6. a. Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">b. Binnen welk(e) juridisch(e) kader(s) zouden deze gerealiseerd kunnen worden?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het advies is om betrokkene op te nemen in een beveiligde klinische behandelsetting om het recidiverisico te beperken en hem te behandelen voor de stoornissen. De focus van de behandeling zal deze keer meer moeten uitgaan naar het zoeken naar een passend en effectief extern risicomanagement. Tevens is controle op middelengebruik met als doel een volledige abstinentie van alcohol en drugs het advies.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aangezien de tekorten op neurobiologisch vlak nu zo duidelijk naar voren komen tijdens het onderzoek, wordt geadviseerd middels procesdiagnostiek (het observeren over de tijd) vast te stellen of de kenmerken die doen denken aan een ontwikkelingsstoornis, voortdurend aanwezig zijn in het gedrag van betrokkene en doorspelen in alle aspecten van zijn functioneren. Mogelijk moeten de diagnostische conclusies daarop worden aangepast. Hoe dan ook is het van belang tijdens de behandeling rekening te houden met de genoemde beperkingen. Ook dient tijdens de behandeling het medicatiegebruik opnieuw geëvalueerd te worden. Het gebruik van een SSRl (medicatie tegen angst en depressie) of antipsychotisch medicijn kan opnieuw overwogen worden, waarbij geobserveerd kan worden of dit het functioneren van betrokkene positief kan beïnvloeden. Ook op dit aspect is echter controle en toezicht van groot belang, gezien het feit dat betrokkene zeer verslavingsgevoelig is en ook medicatie als verdovende middelen is gaan gebruiken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De kern van de behandeling zal echter zijn, en zo is dit ook aan betrokkene zelf teruggegeven, dat betrokkene zich moet bevinden in een omgeving die een sterke positieve invloed op hem heeft, aangezien hij door zijn gebrek aan identiteit en neiging tot antisociaal gedrag, anders weer de criminaliteit in zal gaan, waar hij door spanningen en angsten de controle over zijn gedrag verliest en het recidiverisico zal toenemen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorts is het advies van onderzoekers om betrokkene traumabehandeling te geven gericht op afname van de PTSS-klachten. Er wordt geen verband aangetoond tussen de PTSS klachten en het delict, omdat deze toen nog niet aanwezig waren, en behandeling wordt dan ook niet geadviseerd in het kader van de recidiveverlaging, echter voor het algeheel functioneren van betrokkene zou het gunstig zijn als deze klachten zouden afnemen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Anders dan het onderzoek in 2022 wordt er geen contra-indicatie gezien voor een langere duur van de klinische fase. Indien nodig voor een zorgvuldige diagnostiek ten aanzien van de diagnose en het risicomanagement en het uitzoeken van het effect van medicatie kan de klinische fase zeker enkele jaren in beslag nemen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De bovenbeschreven behandeling kan, naar oordeel van onderzoekers, enkel uitgevoerd worden binnen het kader van een tbs met bevel tot verpleging. Betrokkene heeft eerder laten zien dat hij in staat is een dubbelleven te leiden onder de ogen van de reclassering. Hij had met de reclassering ogenschijnlijk een goede band, maar uit angst voor de consequenties besprak hij vrijwel niets van alles wat er speelde in zijn leven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Al tijdens de transmurale fase van zijn vorige Tbs-behandeling gebruikte hij drugs en voerde hij criminele activiteiten uit. Hij is in staat te liegen en bedriegen, zonder dat dit van hem af te lezen is door getrainde professionals. Hij heeft een vlakke uitstraling waardoor het niet aan hem te zien is of hij angstig of gespannen is. Enkel een strakke controle en ingrijpen bij overtreding van de regels kan naar oordeel van onderzoekers het recidive risico beperken. Een kliniek met een hoog beveiligingsniveau (niveau 3), zoals in een EPK, lijkt hiervoor aangewezen.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven conclusies en adviezen van de deskundigen, maakt deze tot de zijne en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij bezig is met het behalen van zijn havo-diploma en dat hij sinds enkele jaren een nieuwe relatie heeft.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op te leggen gevangenisstraf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof is van oordeel dat, in verband met een juiste normhandhaving en met het oog op vergelding en generale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van de recidiveregeling van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de maximale gevangenisstraf voor de in deze zaak bewezenverklaarde doodslag, gelet op artikel 287 (oud) Wetboek van Strafrecht en de hiervoor genoemde eerdere veroordeling van de verdachte, 20 jaren.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In deze zaak is daarnaast ook nog verboden wapenbezit bewezenverklaard. De verdachte heeft een gas-/alarmpistool met bijbehorende munitie voorhanden gehad en heeft daarmee [slachtoffer 1] om het leven gebracht. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor het voorhanden hebben van een pistool in de openbare ruimte als vertrekpunt uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoewel het hof in het feit dat de verdachte, volgens de conclusies van de deskundigen, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht voor de bewezenverklaarde doodslag, aanleiding ziet om de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen, acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest niet passend. Deze strafafdoening doet onvoldoende recht aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de ernst van de gevolgen hiervan voor de slachtoffers.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Redelijke termijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg niet is overschreden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De aanvang van de termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, te weten 2 januari 2023. Het einde van de termijn stelt het hof op 17 april 2025, de datum waarop het hof arrest zal wijzen. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep, die voor deze fase, nu sprake is van een gedetineerde verdachte, op 16 maanden wordt gesteld, overschreden met 11 maanden en 15 dagen. Het hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof een kortere gevangenisstraf zal opleggen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest</emphasis>.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het tweede middel </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Het tweede middel bevat de klacht dat art. 37a lid 3 Sr is geschonden, omdat het hof de beslissing tot oplegging van de tbs-maatregel heeft gebaseerd op een advies dat eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, terwijl de verdediging heeft gesteld niet in te stemmen met het gebruik van dit advies.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>In eerste aanleg is aan de verdachte tbs met dwangverpleging opgelegd. Ingevolge art. 37a lid 3 Sr is de verdachte ten behoeve van dat oordeel in het Pieter Baan Centrum onderzocht door [deskundige 3] (GZ-psycholoog) en [deskundige 4] (psychiater). Het rapport dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgemaakt, dateert van 24 augustus 2022. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2024 is het verdere gebruik van dit rapport een punt van discussie geweest:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">De voorzitter deelt als volgt mede: </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het dossier bevat een NIFP-rapport d.d. 24 augustus 2022, een psychiatrisch onderzoek pro Justitia d.d. 10 februari 2022 en een psychologisch onderzoek pro Justitia d.d. 8 februari 2022. Alle rapporten zijn gedateerd. Raadsman [betrokkene 4] heeft niet de vraag beantwoord of gebruik kan worden gemaakt van het psychologische en psychiatrische rapport. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De raadsman verklaart als volgt: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verdediging stemt niet in met de gebruikmaking van zowel het NIFP-rapport als het psychologische en psychiatrische rapport. U, voorzitter, vraagt mij of dat de rapporten opnieuw opgemaakt moeten worden of dat er kan worden volstaan met een actualisatie van de rapporten. De verdediging wil graag dat er nieuwe rapporten worden opgesteld. Daarnaast wil de verdediging graag dat er nieuwe deskundigen worden aangewezen. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De advocaat-generaal deelt als volgt mede: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Mijn inziens kunnen alle rapporten gebruikt worden. Er moet wel een noodzaak zijn om alle rapporten opnieuw op te laten maken. Naast dat het veel tijd en geld kost om de rapporten opnieuw te laten opmaken, zorgt het ook voor veel ellende voor de nabestaanden. Waarom kan er niet worden volstaan met een actualisatie van de rapporten? Ik heb daar nog geen antwoord op gekregen. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De raadsman verklaart als volgt: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Cliënt wil liever niet dat de rapporten geactualiseerd worden. Dit heeft ermee te maken dat cliënt in de penitentiaire inrichting gesprekken met deskundigen heeft gehad waardoor hij heeft gemerkt dat hij in een ander vaarwater in zijn leven zit. Hij wenst dit graag in een nieuw rapport naar voren te kunnen brengen. Hij is van mening dat hij nu een veel beter en accurater beeld van zichzelf kan neerzetten dan in de andere rapporten naar voren kwam. Zijn belang is hierbij groot. Er hangt hem een forse straf boven zijn hoofd. Zojuist heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat het laten opmaken van nieuwe rapporten veel tijd en geld kost, maar daarmee vind ik dat de advocaat-generaal te kort door de bocht is en niet het belang van cliënt in ogenschouw neemt. Ter terechtzitting in eerste aanleg is er een discussie geweest over de hoogte van de gevangenisstraf omdat bij een lange gevangenisstraf, de behandeling in een laat stadium pas opgestart kan worden. De verdediging hoopt dat een nieuw rapport over deze kwestie een ander licht kan laten schijnen. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">U, voorzitter, vraagt mij welke deskundigen cliënt in de penitentiaire inrichting heeft gesproken. Cliënt heeft met een psycholoog gesproken. Dit doet hem goed. Hij geeft aan dat hij in de gesprekken met de psycholoog een heel ander persoon is dan de persoon die hij bij de totstandkoming van de rapporten was. Cliënt heeft mij verteld dat hij soms dichtklapt als hij merkt dat er grote belangen spelen. Dit is bijvoorbeeld ook het geval als er drie raadsheren tegenover hem zitten. Hij heeft echter aangegeven dat hij door de gesprekken met de psycholoog hier minder last van heeft. Hij denkt dat dit hem zal helpen bij de totstandkoming van de rapporten. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof trekt zich terug voor beraad. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Na hervatting van het onderzoek deelt de advocaat-generaal als volgt mede: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">U, voorzitter, vraagt mij waarom ik naast een actualisatie van het NIFP-rapport ook een actualisatie van het psychologische en psychiatrische rapport wens. Het psychiatrische en psychologische rapport hoeven van mij niet geactualiseerd te worden. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De voorzitter deelt als volgt mede: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof hecht er bijzonder veel waarde aan dat er een nieuw NIFP-rapport wordt opgemaakt. Het hof is van oordeel dat dit essentieel en noodzakelijk is. Er hoeft geen nieuw psychologisch of psychiatrisch rapport opgemaakt te worden omdat dit dubbelop zou zijn. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof zal de zaak aanhouden tot de pro forma zitting van 25 maart 2024 te 15:30 uur. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De raadsman geeft aan dat hij zal laten weten of dat hij en/of de verdachte ter terechtzitting van 25 maart 2024 zullen verschijnen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof, gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">- </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">beveelt </emphasis>
          <emphasis role="italic">dat de raadsheer-commissaris een </emphasis>
          <emphasis role="bold underline italic">NIFP-onderzoek</emphasis>
          <emphasis role="italic"> aangaande de geestvermogens van de verdachte zal laten plaatsvinden, zulks ter beantwoording van de volgende vragen: </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven? </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2 Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde? </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3 Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens de gedragskeuzen van onderzochte dan wel zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden)? </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">4 Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven: </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a. op welke manier dat geschiedde en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b. in welke mate het geschiedde? </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">c. welke conclusie met betrekking tot de toerekenbaarheid op grond hiervan te adviseren is.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">5 Kan de deskundige gemotiveerd aangeven in welke mate en op welke wijze de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling bij voortbestaan ervan opnieuw aanleiding kan geven tot soortgelijke of andere strafbare feiten als waarvan verdachte nu verdacht wordt? </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">6 Kan de deskundige zo concreet mogelijk aangeven welke maatregelen zijn te adviseren om de kans op herhaling in de toekomst te voorkomen of te beperken en binnen welk juridisch kader dat gerealiseerd zou kunnen worden? </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">7 Nu tegen verdachte voorlopige hechtenis is bevolen en het onderzoek niet op andere wijze kan plaatsvinden, zal het hof bevelen dat verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar het </emphasis>
          <emphasis role="bold underline italic">Pieter Baan Centrum</emphasis>.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De steller van het middel miskent dat op de terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2024 naar aanleiding van de weigering door de verdediging om in te stemmen met het gebruik van de oude rapportages opdracht heeft gegeven tot het opmaken van een nieuw PBC-rapport en dat naar aanleiding daarvan door GZ-psycholoog [deskundige 1] en psychiater [deskundige 2] een nieuw rapport is opgemaakt. Dit rapport is gedateerd 23 juli 2024. Uit het arrest volgt dat het hof de in dit rapport vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen overneemt, tot de zijne maakt en ten grondslag legt aan de nieuw op te leggen gevangenisstraf. Het is evident dat het hof de beslissing tot bevestiging van het oordeel van de rechtbank om tbs met dwangverpleging op te leggen ook op het rapport van 23 juli 2024 heeft gebaseerd en niet op de in het vonnis van de rechtbank genoemde en inmiddels gedateerde advies van 24 augustus 2022. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het derde middel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Het derde middel bevat de klacht dat de strafoplegging verbazing wekt en daarmee ontoereikend is gemotiveerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>In principe heeft de feitenrechter binnen de grenzen die de wet een grote mate van vrijheid als het gaat om het bepalen van de modaliteit en zwaarte van de op te leggen straf.<footnote-ref linkend="_0242346b-aa68-4019-a9dc-01b5b8a84e30" /> Dat neemt niet weg dat ingeval de straf zonder nadere motivering verbazing oplevert, zoals in het geval dat de hoger beroepsrechter een aanzienlijk hogere straf oplegt dan de advocaat-generaal had gevorderd<footnote-ref linkend="_40fe2a53-ba29-44c0-9e55-20211d66b70a" /> of een aanzienlijk hogere straf dan in eerste aanleg<footnote-ref linkend="_cd2b9b45-b225-47a9-8a46-fce3b61f506c" />, in cassatie wordt ingegrepen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Terwijl de rechtbank de verdachte in de onderhavige zaak had veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, acht het hof – gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de ernst van de gevolgen hiervan voor de slachtoffers – een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren in principe passend en geboden. Enkel de overschrijding van de redelijke termijn heeft ervoor gezorgd dat de deze straf is teruggebracht tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren. Verbazing wekt de opgelegde straf naar mijn mening niet. Het gaat om een verdachte die voor de tweede maal is veroordeeld voor een levensdelict. De eerdere veroordeling die tot een terbeschikking met verpleging van overheidswege heeft geleid, heeft hem er niet van weerhouden te recidiveren. Bovendien heeft de verdachte zich ook nog eens schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. Ik wijs er verder op dat de aan de verdachte opgelegde straf lager is dan de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Het middel faalt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het vierde middel</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het vierde middel klaagt over de bevestiging door het hof van de beslissing om aan [benadeelde 1] een schadevergoeding van 17.500 euro toe te kennen ter vergoeding van affectieschade en voor ditzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr op te leggen, omdat de rechtbank in dat verband heeft overwogen dat tussen het overleden slachtoffer en de benadeelde partij een relatie in gezinsverband bestond dat een duurzaam karakter had, terwijl dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Het verzoek tot schadevergoeding is als volgt onderbouwd (met weglating van verwijzingen):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">Affectieschade </emphasis></para>
        <para>In 1983 is moeder een relatie aangegaan met [benadeelde 1] . De kinderen waren pubers. [slachtoffer 1] was 13 jaar oud. [benadeelde 1] is na enkele maanden ingetrokken bij het gezin en heeft de vaderrol op zich genomen. [slachtoffer 1] had al jaren geen contact meer met zijn biologische vader. Hij bouwde een goede band op met [benadeelde 1] . Voor [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [slachtoffer 1] was [benadeelde 1] de vader die ze zo lang gemist hadden. Op 28 juni 1985 zijn [betrokkene 3] en [benadeelde 1] met elkaar in het huwelijksbootje gestapt <emphasis role="italic">(bijlage </emphasis>1A). Tot zijn 20e levensjaar heeft [slachtoffer 1] bij zijn moeder en [benadeelde 1] in huis gewoond. Al die tijd was sprake van een duurzame relatie in gezinsverband. [benadeelde 1] fungeerde als feitelijk vader voor [slachtoffer 1] . Het verlies van [slachtoffer 1] raakt [benadeelde 1] enorm. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voordat de Wet Affectieschade werd aangenomen, dienden kamerleden Groothuizen en Van Nispen een motie in. Zij verzochten de regering om stiefouders en/of stiefkinderen van een slachtoffer dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade toe te kennen als bij biologische verwanten. Dit indien sprake was van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 9 mei 2017 nam de Tweede Kamer deze motie met algemene stemmen aan. Dit houdt in dat ook stiefouders en/of stiefkinderen dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade krijgen als de biologische ouders en kinderen. Deze motie stelt stiefouders immers gelijk aan biologische ouders, mits sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter. Nu stiefvader gelijkgesteld dient te worden aan de biologische ouder, wordt een bedrag van <emphasis role="bold">€ 17.500,00</emphasis> ter vergoeding van affectieschade gevorderd.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] vermeldt het partieel door het hof bevestigde vonnis het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold italic">7.2 De vordering van [benadeelde 1] </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic"> (de stiefvader van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van 17.500 euro, bestaande uit affectieschade. als gevolg van de dood van zijn stiefzoon, te vermeerderen met de wettelijke rente. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>7.2.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">Het standpunt van de officier van justitie </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, met vermeerdering met de wettelijke rente en gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>7.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">Het standpunt van de verdediging </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">De verdediging heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring, nu een stiefvader volgens de wet geen aanspraak heeft op vergoeding van affectieschade. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>7.2.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. zoals bedoeld in het derde lid van dat artikel. Naar de letter van de wet vallen stiefouders daar niet onder. Echter, bij goedkeuring van het wetsvoorstel dat vergoeding van affectieschade mogelijk maakt, is eveneens een motie (Kamerstukken II 2016/17. 34257. nr. 10) aangenomen om "stiefouders en of stiefkinderen van een slachtoffer dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade toe te kennen als bij biologische verwanten, indien sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter" (Handelingen TK 2016/2017, nr. 72, item 13). </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De benadeelde is stiefvader van [slachtoffer 1] . Uit de toelichting op de vordering blijkt onder meer dat het slachtoffer jarenlang, namelijk tot zijn 20e, bij zijn moeder en [benadeelde 1] inwoonde en dat [benadeelde 1] feitelijk als vader van [slachtoffer 1] fungeerde, terwijl de biologische vader buiten beeld was. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat tussen het overleden slachtoffer en [benadeelde 1] een relatie in gezinsverband bestond, dat een duurzaam karakter had. Dat [slachtoffer 1] op het moment van overlijden niet meer thuiswonend was bij [benadeelde 1] en zijn moeder doet daaraan niet af. Dat maakt dus dat [benadeelde 1] terecht aanspraak maakt op een vergoeding wegens affectieschade, overeenkomstig hetgeen geldt voor biologische ouders. Uit het Besluit vergoeding affectieschade volgt dat hij recht heeft op 17.500 euro, zoals hij ook gevorderd heeft. De vordering is dus toewijsbaar. </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De rechtbank wijst de vordering aldus volledig toe tot een bedrag van </emphasis>
            <emphasis role="bold italic">17.500 euro, </emphasis>
            <emphasis role="italic">te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 (datum overlijden slachtoffer). De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde en zal aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f WvSr opleggen</emphasis>.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Art. 6:108 lid 3 en lid 4 BW luiden als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">3.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">4.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt</emphasis>.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Art. 6:108 lid 3 BW verplicht de aansprakelijke tot vergoeding van een bij of krachtens AMvB vast te stellen bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (zogenoemde affectieschade) dat naasten van de overledene als gevolg van het overlijden ondervinden. Deze plicht strekt zich uit tot de in art. 6:108 lid 4 BW genoemde naasten, dat wil zeggen de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene (onder a), de levensgezel van de overledene voor zover deze ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert (onder b), degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder of kind van de overledene is (onder c en d), degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft (onder e), degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft (onder f) of, tot slot, een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste wordt aangemerkt (onder g).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Tijdens het wetgevingsproces dat heeft geleid tot toevoeging van de leden 3 en 4 aan art. 6:108 BW,<footnote-ref linkend="_89db6018-771d-4043-b2c2-f9c2cf9ce1f9" /> is door de Kamerleden Groothuizen en Van Nispen een motie voorgesteld die op 9 mei 2017 door de Tweede Kamer is aangenomen.<footnote-ref linkend="_b4f934ec-1174-4ab3-98f8-dcdb98e93f60" /> Deze motie luidt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">De Kamer,</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gehoord de beraadslaging,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overwegende dat bij de vaststelling van de bedragen ter vergoeding van affectieschade betekenis wordt toegekend aan de aard van de relatie tussen slachtoffer en de naasten;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overwegende dat discussie in de rechtszaal over de intensiteit van het leed en de hoogte van bedragen zo veel mogelijk dient te worden voorkomen;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">constaterende dat stiefouders en/of stiefkinderen onder een categorie lijken te vallen waarmee zij op een lagere vergoeding aanspraak maken dan biologische verwanten;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">overwegende dat het aantal samengestelde gezinnen in Nederland toeneemt en in sommige gevallen stiefouders en/of stiefkinderen jarenlang in nauw gezinsverband samenleven;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verzoekt de regering om, bij het vaststellen van de bedragen per algemene maatregel van bestuur stiefouders en/of stiefkinderen van een slachtoffer dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade toe te kennen als bij biologische verwanten, indien sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">en gaat over tot de orde van de dag</emphasis>.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>De bedragen voor vergoeding van affectieschade, bedoeld in art. 6:108 lid 3 BW, zijn in het Besluit vergoeding affectieschade<footnote-ref linkend="_4ac61646-567c-4ed6-8cc7-b8426cfe6c3a" /> per 1 januari 2019 vervolgens vastgesteld op:<footnote-ref linkend="_31399ff4-e34b-41ed-a8f8-142b2b15dae4" /></para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>overlijden door een misdrijf</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>echtgenoten en geregistreerde partners (a)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 20.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>levensgezellen (b)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 20.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>minderjarige kinderen en ouders (c en d)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 20.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>meerderjarige thuiswonende kinderen en ouders (c)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 20.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>pleegkinderen en ouders (e en f)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 20.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>meerderjarige niet-thuiswonende kinderen en ouders (c en d)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 17.500</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>zorg in gezinsverband (e en f)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 20.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>overige nauwe persoonlijke relaties (g)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 17.500</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De toelichting op het Besluit vergoeding affectieschade houdt – voor zover hier van belang – in: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Voorts wordt onderscheid gemaakt in de aard van de relatie. Het is te rechtvaardigen hogere bedragen toe te kennen indien de gekwetste en de naaste echtgenoten, partners, levensgezellen, ouders en minderjarige of meerderjarige thuiswonende kinderen zijn. In deze gezinsgevallen mag een zodanig hechte band worden aangenomen dat voor deze naasten een hoger bedrag op zijn plaats is in vergelijking met de andere tot de kring van gerechtigden behorende naasten. Een dergelijke hogere vergoeding ligt eveneens in de rede indien een naaste een pleeg- of stiefkind is, of een persoon die de verzorging en opvoeding van een dergelijk pleeg- of stiefkind op zich heeft genomen (de gerechtigden genoemd onder (e) en (f)). De feitelijke zorgrelatie is bepalend, niet de juridische duiding hiervan. Het bedrag is voor deze categorie veranderd ten opzichte van het bedrag in de tabel in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (idem, p. 16). Hiermee wordt de motie van de leden Groothuizen en Van Nispen gestand gedaan (Kamerstukken II 2014/2015 34 257, nr. 10).”</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_adfbfc88-6000-44d8-a9e8-a5be55d825af" />
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>De onder 4.6 weergegeven motie beoogde aldus niet een verruiming ten opzichte van het bepaalde in lid 4 van art. 6:108 BW te bewerkstelligen<footnote-ref linkend="_5c4b7424-895a-48cb-a8b5-32c0da0f0f3b" /> (een dergelijke verruiming ten opzichte van de wet via een motie zou ook niet mogelijk zijn<footnote-ref linkend="_5d26afe9-7dcd-440c-8512-4d1ade5b5812" />). Wél beoogde deze motie, ten gunste van stiefouders en/of stiefkinderen, als sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter, een gelijkschakeling met biologische verwanten te bewerkstelligen <emphasis role="italic">wat betreft de hoogte van de vergoeding van affectieschade</emphasis>. Naar aanleiding van de motie is uiteindelijk de vergoeding voor zorg in gezinsverband, zoals bedoeld in art. 6:108 lid 4 onder e en f BW, vastgesteld op € 20.000 in plaats van € 17.500.<footnote-ref linkend="_45e0ce91-873f-4073-9a6b-73d89b212161" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Terug naar de onderhavige zaak. Uit het door het hof partieel bevestigde vonnis van de rechtbank valt niet direct op te maken op welke grond de toewijzing van de vordering van de stiefvader is gestoeld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Namens de benadeelde partij wordt in cassatie het standpunt ingenomen dat de rechtbank de benadeelde partij (terecht) heeft geschaard onder de categorie naasten genoemd in art. 6:108 lid 4 onder c BW (degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is), omdat – gelet op de op 9 mei 2017 aangenomen motie van de Kamerleden Groothuizen en Van Nispen – stiefouders die in gezinsverband met het slachtoffer leefden, zouden moeten worden gelijkgesteld met ‘ouder’ in de zin van de affectieschaderegeling. Een beroep op de hardheidsclausule zou dan niet nodig zijn. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Het lijkt er inderdaad op dat het hof met de rechtbank heeft gemeend dat de voornoemde motie ertoe heeft geleid dat indien een relatie in gezinsverband heeft bestaan, dat een duurzaam karakter had, een stiefouder net als een ouder van een meerderjarig niet-thuiswonend kind in aanmerking komt voor vergoeding van affectieschade ter hoogte van € 17.500. Dit oordeel getuigt evenwel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat – zoals reeds betoogd – een motie geen uitbreiding ten opzichte van lid 4 van art. 6:108 BW kan bewerkstelligen. Op deze grond slaagt het middel – dat onder meer klaagt dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting – reeds.<footnote-ref linkend="_03e4faee-4948-42cc-baad-40d8efacd6d9" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>De steller van het middel voert in de toelichting  aan dat de benadeelde enkel op grond van de hardheidsclausule van subonderdeel g van art. 6:108 lid 4 BW in aanmerking kon komen voor vergoeding van affectieschade, maar dat dan op basis van de intensiteit, de aard en de duur van de relatie tussen de overledene en de nabestaande dient te worden bezien of sprake was van een zodanig nauwe persoonlijke relatie tussen de overledene en de nabestaande, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de nabestaande voor de toepassing van art. 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. In dit opzicht is de toewijzing van de vordering volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd, omdat de rechtbank niets heeft vastgesteld over de intensiteit, de aard en de duur van de relatie tussen de overledene en [benadeelde 1] . Voor het geval de Hoge Raad het oordeel van het hof zo leest dat daarin besloten ligt dat de toewijzing van de affectieschade is gestoeld op toepassing van de hardheidsclausule bespreek ik ook deze klacht.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <para>De hardheidsclausule in art. 6:108 lid 4 onder g BW houdt in dat een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat hij ook als naaste moet worden aangemerkt. De strafkamer van de Hoge Raad heeft over die hardheidsclausule begin dit jaar overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Om op grond van deze […] bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.</para>
        <para>(Vgl. HR 31 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33.)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.5.3</para>
        <para>De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing (vgl., over een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 BW, HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, rechtsoverweging 3.3.3). In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het […] in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”<footnote-ref linkend="_f9ade311-bd1a-43b3-8216-d1723b1377e6" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15</nr>
      <para>In het hiervoor weergegeven arrest oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de grootmoeder van het slachtoffer, ondanks dat zij tijdens de jeugd van het slachtoffer was benoemd tot haar voogd, tijdens haar jeugd een nauwe en affectieve relatie had met het slachtoffer en veel verdriet had ondervonden en ondervindt door de dood van het slachtoffer, niet kan worden aangemerkt als naaste op grond van de hardheidsclausule niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting noch ontoereikend is gemotiveerd. Hierbij wees de Hoge Raad erop dat dit oordeel is verweven met waarderingen van feitelijke aard en dat voor verdere toetsing in cassatie geen plaats is.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <para>In een andere zaak ging het om een LAT-relatie. Het hof had vastgesteld dat de benadeelde partij in een ‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij op basis van de hardheidsclausule als naaste kon worden aangemerkt. Dit oordeel was volgens de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd, waarbij de Hoge Raad van belang achtte dat de stellingen op basis waarvan in het verzoek tot schadevergoeding was geconcludeerd dat sprake was van een hechte en duurzame LAT-relatie door de verdediging zijn betwist onder verwijzing van het ontbreken van stukken waaruit dit blijkt en het hof had verzuimd “aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer […] [te] beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden – in het bijzonder de onderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en hechtheid van de relatie – in voldoende mate zijn komen vast te staan”.<footnote-ref linkend="_4a296c6a-bdc8-4256-947c-d7371cb61272" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>Wel bleef in stand het oordeel van het hof om de zus van het slachtoffer (haar broer) als naaste aan te merken. Het hof had vastgesteld dat de benadeelde samen met haar broer woonde en ten aanzien van hem een deel van de taken die bij hun ouders hoorden, had overgenomen. Ook had het hof vastgesteld dat na het overlijden van haar broer de benadeelde in verband met zijn overlijden en ook rondom de strafzaak een rol vervulde die past bij de bijzondere hechte en affectieve relatie die zij hadden. Het hof had op basis van deze vaststellingen geoordeeld dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen. Dit oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was voorts niet onbegrijpelijk.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>Uit het voorgaande blijkt dat de vraag of sprake is van voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule vereiste hechte affectieve relatie nauw samenhangt met waardering van feitelijke aard die binnen het domein van de feitenrechter ligt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>Aan de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade ligt volgens de rechtbank (en daarmee het hof) ten grondslag dat het slachtoffer jarenlang, namelijk tot zijn 20e, bij zijn moeder en [benadeelde 1] inwoonde en dat [benadeelde 1] feitelijk als vader van het slachtoffer fungeerde, terwijl de biologische vader buiten beeld was. De rechtbank heeft de vordering van € 17.500 toegewezen, omdat volgens de rechtbank tussen het overleden slachtoffer en de benadeelde partij een relatie in gezinsverband bestond, dat een duurzaam karakter had. De omstandigheid dat het slachtoffer op het moment van overlijden niet meer thuiswonend was bij zijn moeder en de benadeelde partij doet daaraan volgens de rechtbank niet af. De verdediging heeft in hoger beroep de vordering niet betwist, maar zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20</nr>
      <para>De vaststelling dat het slachtoffer tot zijn 20e bij de benadeelde partij inwoonde, rechtvaardigt de conclusie van de rechtbank dat <emphasis role="italic">destijds</emphasis> een relatie in gezinsverband bestond met een duurzaam karakter, maar dit zegt niets over de intensiteit en de aard van de relatie met het slachtoffer ten tijde van de gebeurtenis. Indien het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank door de Hoge Raad zo wordt gelezen dat hierin besloten ligt dat de vordering kan worden toegewezen, omdat de benadeelde partij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van art. 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk en daarmee ontoereikend gemotiveerd. Ook bij deze lezing slaagt het middel.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel voor wat betreft de beslissing op de vordering van [benadeelde 1] en de in dat verband opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De procureur-generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>AG</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_5b686d47-1d40-473f-92ae-257a740854fa" label="1">
    <para> 	Parketnummer 20-000018-23. Dit arrest is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2025:1095.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_adc6ea18-06b8-492f-b167-7fd068811c3f" label="2">
    <para> 	Ten aanzien van een derde vordering, die pas in hoger beroep is ingediend, is de benadeelde partij door het hof niet-ontvankelijk verklaard.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d94cd6d9-097f-4d1d-a3b4-4d35e6135dba" label="3">
    <para> 	Daarmee valt het wapen niet onder art. 2 categorie II sub 1 WWM. Deze categorie omvat namelijk enkel vuurwapens die niet onder een van de andere categorieën vallen Zie in dit verband ook H.J.B. Sackers, <emphasis role="italic">Wet wapens en munitie</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 221.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f690be4b-6e93-4247-8b08-806234e5ce8d" label="4">
    <para> 	Steun daarvoor vind ik onder meer in de zaak die ten grondslag lag aan een arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2020/251 m.nt. H.J.B. Sackers, r.o. 2.2.2 (bewijsmiddel 6), waarin voor de bewijsvoering een proces-verbaal is gebruikt, waarin wordt gerelateerd dat een vuurwapen van het merk ATAK-Arms Zoraki, kaliber 7.65 mm br een vuurwapen is van categorie III onder 1e WWM<emphasis role="italic">. </emphasis>Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Van Wees van 10 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:165 onder 2.3 en 2.7-2.8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_48c07af6-4497-4ca7-85b3-dcb499194472" label="5">
    <para> 	De 15 maanden die de steller van het middel noemt geldt voor automatische vuurwapens in de zin van cat. II onder 2 WWM.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0242346b-aa68-4019-a9dc-01b5b8a84e30" label="6">
    <para> 	HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, r.o. 3.4-3.5.3 en HR 19 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1472, r.o. 2.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_40fe2a53-ba29-44c0-9e55-20211d66b70a" label="7">
    <para> 	HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479; HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313 en HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6965.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd2b9b45-b225-47a9-8a46-fce3b61f506c" label="8">
    <para> 	Vgl. HR 8 juni 1982, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1983/237 (zelfde straf in hoger beroep opgelegd voor een aanzienlijk minder zwaar feit, namelijk poging tot moord in plaats van medeplegen van moord, hetgeen de facto een veel zwaardere strafoplegging inhoudt).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89db6018-771d-4043-b2c2-f9c2cf9ce1f9" label="9">
    <para> 	Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (<emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2018, 132, inwerkingtredingsbesluit <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2018, 339).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4f934ec-1174-4ab3-98f8-dcdb98e93f60" label="10">
    <para> 	Zie <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2016/17, 34257, nr. 10 en <emphasis role="italic">Handelingen II </emphasis>2016/17, nr. 72, item 13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ac61646-567c-4ed6-8cc7-b8426cfe6c3a" label="11">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2018, 133. Inwerkingtredingsbesluit <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2018, 339.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31399ff4-e34b-41ed-a8f8-142b2b15dae4" label="12">
    <para> 	Achter de in de eerste kolom omschreven relaties staan tussen haakjes de letters van de daarmee corresponderende in de artikelen 6:107 lid 2, en 6:108 lid 4 BW omschreven categorieën naasten. Zie <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2014/15, 34257, nr. 3, p. 16.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_adfbfc88-6000-44d8-a9e8-a5be55d825af" label="13">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2018, 133, p. 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c4b7424-895a-48cb-a8b5-32c0da0f0f3b" label="14">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Handelingen II </emphasis>2016/17, nr. 72, item 19, p. 18.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d26afe9-7dcd-440c-8512-4d1ade5b5812" label="15">
    <para> 	Vgl. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:178, r.o. 2.5.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45e0ce91-873f-4073-9a6b-73d89b212161" label="16">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2014/15, 34 257, nr. 3, p. 16.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_03e4faee-4948-42cc-baad-40d8efacd6d9" label="17">
    <para> 	De steller van het middel lijkt er in de schriftuur in de eerste plaats van uit te gaan dat het hof de toewijzing heeft gestoeld op art. 6:108 lid 4 onder e BW. Indien het oordeel van het hof zo moet worden gelezen slaagt het, nu uit de vaststellingen van het hof immers niet kan worden afgeleid dat ten tijde van overlijden sprake was van een duurzaam gezinsverband waarin de benadeelde zorg droeg voor de overledene. Deze lezing lijkt mij, zoals betoogd, gezien de inhoud van de vordering van de benadeelde partij en de bewoordingen van het oordeel die erop duiden dat het hof de benadeelde als naaste in de zin van art. 6:108 lid 4 onder c BW heeft aangemerkt, minder voor de hand liggend. Nu het hof echter niet heeft aangegeven op welke grond hij de toewijzing van de vergoeding van de affectieschade heeft gestoeld, lijkt het me onredelijk om dit aan de steller van het middel tegen te werpen. Daarom kies ik ervoor om het middel welwillend te lezen, zodat het in brede zin klaagt dat hetgeen het hof heeft overwogen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel niet toereikend is om de benadeelde aan te merken als een van de in art. 6:108 lid 4 BW genoemde naasten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9ade311-bd1a-43b3-8216-d1723b1377e6" label="18">
    <para> 	HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a296c6a-bdc8-4256-947c-d7371cb61272" label="19">
    <para> 	HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1619.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>