<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2025:719</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-03T00:00:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2025-06-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/01520</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2025:1217" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1217</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:719">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:719</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-26T09:46:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2025:719 Parket bij de Hoge Raad , 24-06-2025 / 24/01520</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2025:719:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. M1 klaagt over onbegrijpelijkheid en innerlijke tegenstrijdigheid bewezenverklaring art. 9.7 WVW 1994. HR kan bewezenverklaring met herstel van kennelijke misslag lezen, waarmee feitelijke grondslag aan middel komt te ontvallen en middel faalt. M2 klaagt over toepasselijkheid taakstrafverbod 22b.2 Sr. Hof is van oordeel dat taakstrafverbod van toepassing is o.b.v. vonnis PR van 8 november 2019. Uit uittreksel justitiële documentatie volgt dat in die zaak opgelegde taakstraf nog niet (volledig) was verricht op het moment dat feiten in onderhavige zaak werden gepleegd. Daarmee getuigt oordeel hof dat taakstrafverbod van toepassing is van onjuiste rechtsopvatting. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2025:719:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>24/01520 </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	24 juni 2025</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CONCLUSIE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>D.J.C. Aben</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [verdachte] ,</para>
    <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,</para>
    <para>hierna: de verdachte</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 9 april 2024 (parketnummer 23-002335-22) het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2022 (parketnummer 96-107877-22), met uitzondering van de strafoplegging en met verbetering van gronden, bevestigd. </para>
  <para>2. Bij het genoemde vonnis heeft de rechtbank Amsterdam de verdachte veroordeeld wegens (1) <emphasis role="italic">“overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”</emphasis> en (2) <emphasis role="italic">“overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994”</emphasis>.</para>
  <para>3. Het gerechtshof Amsterdam heeft aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren opgelegd. Verder heeft het hof aan de verdachte opgelegd de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.</para>
  <para>4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.</para>
  <para>5. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. Het tweede middel heeft betrekking op de toepasselijkheid van het taakstrafverbod.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Het eerste middel en de bespreking ervan</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>6. Het eerste middel omvat de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de politierechter heeft bevestigd voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2 nu deze bewezenverklaring onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig is. Dit nu de bewezenverklaring vermeldt dat het delict betreft zowel <emphasis role="italic">“degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs” </emphasis>als <emphasis role="italic">“van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven”</emphasis>, zodat in het midden wordt gelaten welke ten laste gelegde variant bewezen is verklaard en door de gebezigde bewijsmiddelen zou moeten worden gedekt.</para>
  <para>7. Aan de verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat:</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“hij op of omstreeks 24 september 2020 te [plaats] als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, [a-straat] , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen.”</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>8. Zoals hiervoor reeds opgemerkt, heeft het hof het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging en met verbetering van gronden, bevestigd. Onder feit 2 is door de politierechter bewezen verklaard dat de verdachte:</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“op 24 september 2020 te [plaats] als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, [a-straat] , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.”</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>9. Voor de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde heeft de rechtbank de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd:</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“</emphasis>
      <emphasis role="bold italic">Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL27RP/20-002774 van 25 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] , [verbalisant 1] en [verbalisant 3] . </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven: </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Op donderdag 24 september 2020 zagen wij dat [verdachte] als bestuurder van een voertuig, een personenauto, reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [a-straat] [plaats] . Na bevraging zagen wij dat het voertuig gesignaleerd stond als mogelijk gestolen. Wij hebben het voertuig doen stilhouden. Bij het aanspreken van de inzittenden roken wij de voor ons ambtshalve bekende geur van marihuana. Wij hebben besloten de bestuurder een speekseltest te laten doen. Wij zagen dat de speekseltest positief testte op de stof THC. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">De verdachte gaf mij, [verbalisant 1] , op te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998. Ik heb de verdachte gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe toestemming. Ik zag in de opsporingssystemen dat de verdachte zijn rijbewijs ingevorderd is vanaf 28-07-2020 tot en met 25-11-2020.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Een geschrift van kennisgeving beslissing inhouding rijbewijs met kenmerk 96-201506-20/87139070-RB0101 van 10 augustus 2020 opgemaakt door de officier van justitie.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Dit geschrift houdt onder meer in dat het rijbewijs van [verdachte] op grond van de zaak met parketnummer 96-201506-20 is ingevorderd in afwachting van de terechtzitting voor de duur van 4 maanden. De inhouding vangt aan op 28 juli 2020 en zal uiterlijk 25 november 2020 eindigen.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_8b74afde-ad4a-437a-8cea-18277e87b6f0" /></para>
  </parablock>
  <para>10. In het kader van de strafmotivering heeft het hof onder meer het volgende overwogen:</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van verdovende middelen en het besturen van een voertuig terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_06b07fa0-2bf0-4794-80ae-48c8f1658456" /></para>
  </parablock>
  <para>11. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het rijbewijs van de verdachte op grond van de zaak met parketnummer 96-201506-20 was ingevorderd (en ingehouden) van 28 juli 2020 tot en met 25 november 2020. In de strafmotivering van het hof wordt eveneens overwogen dat de verdachte een voertuig heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Daarmee is het m.i. overduidelijk dat het hof – evenals de rechtbank – het oog heeft gehad op de variant dat de verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en hem dat bewijs niet was teruggegeven. Dat in de bewezenverklaring staat opgenomen dat het degene <emphasis role="italic">“van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs”</emphasis> betreft, berust m.i. dan ook op een kennelijke misslag. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring met herstel van deze misslag lezen. </para>
  <para>12. Daarmee komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen. Het middel faalt.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Het tweede middel en de bespreking ervan</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>13. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het in artikel 22b Sr neergelegde ‘taakstrafverbod’ van toepassing is. Daarmee is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd.</para>
  <para>14. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich op 24 september 2020 schuldig heeft gemaakt aan <emphasis role="italic">“overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”</emphasis> (feit 1) en <emphasis role="italic">“overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994”</emphasis> (feit 2). </para>
  <para>15. Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof het volgende overwogen en beslist:</para>
  <section>
    <title>“Oplegging van straf en maatregel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaar en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Daarbij heeft de advocaat-generaal onder meer betrokken dat het taakstrafverbod van toepassing is. Voor het geval dit niet van toepassing is, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als in eerste  aanleg aan hem zijn opgelegd. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het taakstrafverbod niet van toepassing is en dat een (voorwaardelijke) gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid in het onderhavige geval niet passend is. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van verdovende middelen en het besturen van een voertuig terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt. De verdachte heeft de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Het hof rekent dit de verdachte aan. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2024 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof constateert dat het taakstrafverbod van toepassing is als gevolg van de veroordeling van de verdachte door de politierechter in de rechtbank Limburg van 8 november 2019, en de in dat kader reeds uitgevoerde taakstraf van 30 uur. Het hof ziet in het voorgaande aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die tevens dient als stok achter de deur. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Veroordeelt de verdachte tot een </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">gevangenisstraf</emphasis>
        <emphasis role="italic"> voor de duur van </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">4 (vier) weken</emphasis>
        <emphasis role="italic">. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">2 (twee) jaren</emphasis>
        <emphasis role="italic"> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde de </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">bevoegdheid motorrijtuigen te besturen</emphasis>
        <emphasis role="italic"> voor de duur van </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">6 (zes) maanden</emphasis>
        <emphasis role="italic">. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat uit het uittreksel justitiële documentatie van 13 maart 2024 kan worden afgeleid dat de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 8 november 2019 opgelegde taakstraf – op basis waarvan het hof van oordeel is dat het taakstrafverbod van toepassing is – nog niet was afgerond ten tijde van de pleegdatum van de delicten in de onderhavige zaak (24 september 2020). Volgens de steller van het middel is het zogenoemde ‘taakstrafverbod’ van artikel 22b lid 2 Sr dan ook niet van toepassing.</para>
    <para />
    <para>17. Artikel 22b lid 2 en 3 Sr luidt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1° 	aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2° 	de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 6:3:3 van het Wetboek van Strafvordering de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>18. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven volgt dat het vereiste dat de taakstraf reeds is verricht dan wel dat op grond van (thans) artikel 6:3:3 Sv de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen, ertoe dient een tweede (‘kale’) taakstraf uit te sluiten in de gevallen waarin het opleggen van de taakstraf kennelijk niet het effect heeft gehad dat daarmee werd beoogd. Het gaat dan om het geval dat de taakstraf wel is verricht, maar dat zulks de veroordeelde er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te begaan. Daaronder valt ook het geval waarin de veroordeelde de eerder opgelegde taakstraf niet heeft verricht en dit aanleiding is geweest om de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen. Indien het niet verrichten van de taakstraf er niet toe heeft geleid dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen, kan wel een nieuwe taakstraf worden opgelegd. De gedachte is dan dat de eerder opgelegde taakstraf niet is verricht buiten de schuld van de veroordeelde.<footnote-ref linkend="_d0fb9420-f430-4124-854d-9b4a3177d553" /></para>
    <para />
    <para>19. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3539, wijst uit dat, mede gelet op de in het vorige randnummer beschreven wetsgeschiedenis, het in artikel 22b lid 2 Sr neergelegde verbod zo moet worden uitgelegd dat een taakstraf, behoudens de in het eerste lid omschreven gevallen, in geval van veroordeling voor een misdrijf alleen dan niet kan worden opgelegd, indien (i) aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en (ii) de veroordeelde deze taakstraf daadwerkelijk heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g (oud) Sr (thans artikel 6:3:3 Sv) de tenuitvoerlegging is bevolen van de vervangende hechtenis.<footnote-ref linkend="_1f31f767-8d1b-4861-af50-efa3bf7e98ef" /></para>
    <para />
    <para>20. Uit HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2021, volgt dat de verdachte de desbetreffende taakstaf pas ‘daadwerkelijk heeft verricht’ als de opgelegde taakstraf volledig ten uitvoer is gelegd en daarmee is afgerond vóór de pleegdatum van het bewezen verklaarde feit in de zaak waarin moet worden bepaald of artikel 22b lid 2 Sr van toepassing is.<footnote-ref linkend="_be030a8e-f5b7-429f-9319-9b5a6c79ccaf" /></para>
    <para />
    <para>21. In de voorliggende zaak kan uit het uittreksel justitiële documentatie van 13 maart 2024 worden afgeleid dat de verdachte bij vonnis van 8 november 2019 door de politierechter in de rechtbank Limburg ter zake van overtreding van artikel 7 lid 1 en artikel 9 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (gepleegd op 10 mei 2019) is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Dit vonnis is op 23 november 2019 onherroepelijk geworden. Ten aanzien van de uitvoering van deze taakstraf blijkt uit het uittreksel dat deze heeft plaatsgevonden in de periode van 23 november 2019 tot en met 25 mei 2022. Dit betekent dat de taakstraf nog niet (volledig) was verricht (noch dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis was bevolen) op het moment dat de feiten in de onderhavige zaak werden gepleegd. Het oordeel van het hof dat aan de verdachte op grond van artikel 22b Sr geen taakstraf kan worden opgelegd, geeft m.i. dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op doorslaggevende invloed van de toepasselijkheid van het taakstrafverbod in de strafmaatoverwegingen van het hof is de strafoplegging m.i. niet toereikend gemotiveerd.</para>
    <para />
    <para>22. Het middel slaagt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>23. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.</para>
    <para />
    <para>24. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    <para />
    <para>25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8b74afde-ad4a-437a-8cea-18277e87b6f0" label="1">
    <para> Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 augustus 2022, p. 1-2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_06b07fa0-2bf0-4794-80ae-48c8f1658456" label="2">
    <para> Arrest hof, p. 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0fb9420-f430-4124-854d-9b4a3177d553" label="3">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2009/10, 32169, nr. 3, p. 10 bij <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2012, 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f31f767-8d1b-4861-af50-efa3bf7e98ef" label="4">
    <para> Zie r.o. 2.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be030a8e-f5b7-429f-9319-9b5a6c79ccaf" label="5">
    <para> Zie HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2021, r.o. 3.5: <emphasis role="italic">“Het in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 samengevat weergegeven uittreksel justitiële documentatie houdt in dat de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West Brabant van 4 maart 2014 voor een vermogensdelict is veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren. Dit uittreksel houdt ook in dat dit vonnis op 19 maart 2014 onherroepelijk is geworden, en dat de uitvoering van de taakstraf heeft plaatsgevonden in de periode van 24 maart 2014 tot 6 januari 2015. Het uittreksel vermeldt geen andere veroordelingen tot een taakstraf. Hieruit volgt dat ten tijde van het begin van de periode waarin de feiten 1 en 2 door verdachte zijn begaan (1 februari 2014) en de datum waarop feit 3 door hem is begaan (23 april 2014) de eerder opgelegde taakstraf nog niet geheel was verricht, terwijl de eerdere uitspraak op 1 februari 2014 ook nog geen kracht van gewijsde had. Gelet op hetgeen onder 3.4 is vooropgesteld, is het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod als bedoeld in artikel 22b Sr hier van toepassing is, niet begrijpelijk. Daarom is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd”</emphasis>.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>