<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2025:655</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-12T08:00:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2025-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/01599</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:655">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:655</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-10T11:18:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2025:655 Parket bij de Hoge Raad , 06-06-2025 / 24/01599</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2025:655:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Unierecht. Procesrecht. Follow-on vordering kartelschade na liftenkartel; maatstaf voor verwijzing naar schadestaat; concept enkele en voortdurende inbreuk; doorberekeningsverweer; groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2025:655:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>24/01599</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>6 juni 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B.J. Drijber</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Kone B.V.</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.	Kone Oyj</emphasis>,</para>
      <para>eiseressen tot cassatie,</para>
      <para>advocaten: mrs. A. Knigge en A. Stortelder,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Elevator Cartel Claim</emphasis>,</para>
      <para>verweerster in cassatie,</para>
      <para>advocaten: mrs. P.A. Fruytier en mr. H. Boom</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als <emphasis role="bold">Kone</emphasis> (in het enkelvoud) respectievelijk <emphasis role="bold">SECC</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In 2007 heeft de Europese Commissie (hierna: de <emphasis role="bold">Commissie</emphasis>) aan lift- en roltrapfabrikanten boetes opgelegd wegens overtreding van het Europees kartelverbod (art. 101 lid 1 VWEU) in diverse lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland. SECC is een procedure gestart tegen de fabrikanten die volgens de Commissie in Nederland hebben deelgenomen aan het kartel, waaronder Kone. Aan SECC zijn vorderingen tot schadevergoeding gecedeerd door uiteenlopende partijen, die in de gedingstukken worden aangeduid als <emphasis role="bold">claimhouders</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Kone onrechtmatig heeft gehandeld jegens bepaalde claimhouders en aansprakelijk is voor de door deze claimhouders geleden schade, te begroten in een schadestaatprocedure. Ook is geoordeeld dat bepaalde vorderingen zijn verjaard. Tegen onder meer dit laatste oordeel kwam SECC op in hoger beroep bij het hof.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Het hof heeft het vonnis van de rechtbank op enkele onderschikte punten na bevestigd. Volgens het hof bestaat het onrechtmatig handelen van de liftfabrikanten uit hun deelname aan het kartel. Als is aangetoond dat een claimhouder met een liftfabrikant in de inbreukperiode ten minste één transactie heeft afgesloten die binnen de werkingssfeer van de Commissie-beschikking valt, staat de grondslag van de aansprakelijkheid van die fabrikant vast. Als daarnaast de mogelijkheid van schade aannemelijk is, wordt aan de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>In cassatie betoogt Kone dat het hof de zaak niet naar de schadestaatprocedure mocht verwijzen zonder dat vaststaat voor welke specifieke transacties Kone aansprakelijk is. Voor verwijzing naar de schadestaat zou per transactie moeten worden aangetoond dat aan de vereisten van een onrechtmatige daad is voldaan. In de schadestaatprocedure wordt uitsluitend de <emphasis role="italic">omvang </emphasis>van de schade wordt vastgesteld. SECC heeft geen incidenteel beroep ingesteld, maar is zelf in cassatie gegaan (zaak 24/01598) van het hier bestreden arrest. Daarin voert SECC met name klachten aan over de gehanteerde maatstaf voor de aanvang van de verjaringstermijn en over het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Daarnaast hebben Kone (zaak 24/01597) en Otis (zaak 24/01603) cassatie ingesteld tegen Stichting De Glazen Lift (hierna: <emphasis role="bold">DGL</emphasis>). Deze twee beroepen komen op tegen het arrest van het hof dat is gewezen in de door DGL aanhangig gemaakte gedingen. DGL heeft in die zaken incidenteel cassatieberoep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>De beide arresten van het hof zijn voor een belangrijk deel gelijkluidend. Vandaag neem ik mijn conclusie in alle vier de zaken. Naar mijn mening dienen alle beroepen te worden verworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_ce3ba467-de28-48b8-8e65-8c6b0eeb67aa" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>SECC is op 15 december 2010 opgericht. In de oprichtingsakte wordt vermeld dat deze stichting als doel heeft:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“het […] verwerven en te gelde maken van vorderingen, welke vorderingen verband houden met kartelvorming op het terrein van (rol)trappen, liften en/of rollende trottoirs, welke kartelvorming plaatsvond in of rond de periode van negentienhonderd vierennegentig tot twee duizendvier als gevolg waarvan natuurlijke personen of rechtspersonen […] waarmee de stichting dienovereenkomstig heeft gecontracteerd (deze rechtspersonen of natuurlijke personen hierna te noemen: de “Claimhouders”) direct of indirect schade hebben geleden […]”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>SECC tracht dit doel onder meer te verwezenlijken door vorderingen over te nemen van directe of indirecte afnemers<footnote-ref linkend="_4d76fa62-3902-4d66-abb5-034cdbab21b4" /> van de karteldeelnemers en deze in eigen naam tegen de karteldeelnemers in te stellen. SECC is dus een claimstichting.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Kone B.V. houdt zich bezig met het fabriceren, onderhouden en moderniseren van liften en roltrappen in Nederland. Kone Oyj is een houdstermaatschappij die indirect alle aandelen in Kone B.V. houdt. Deze vennootschappen maken deel uit van het internationaal opererende Kone-concern.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Er zijn vijf grote lift- en roltrapfabrikanten actief in Europa: Otis, Kone, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij beschikking van 21 februari 2007<footnote-ref linkend="_8bf2573f-cda4-41a1-9f79-83348e495f9b" /> (hierna: de <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis><footnote-ref linkend="_c8f12391-a859-4e10-a758-2f17c3bd2ad2" />) heeft de Europese Commissie (hierna: de <emphasis role="bold">Commissie</emphasis>) boetes opgelegd van in totaal € 992 miljoen aan (entiteiten behorende tot) deze vijf lift- en roltrapfabrikanten wegens overtreding van (thans<footnote-ref linkend="_9f386d42-1acb-4e0a-aef5-9b7374c91256" />) art. 101 VWEU in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland. Deze fabrikanten (hierna: de <emphasis role="bold">liftfabrikanten </emphasis>of de <emphasis role="bold">karteldeelnemers</emphasis>) hebben zich in één of meerdere van deze landen schuldig gemaakt aan kartelvorming op de markten voor de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen in één of meer van deze landen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Op 21 februari 2007 heeft de Commissie een persbericht uitgebracht waarin zij bekend maakte dat zij boetes heeft opgelegd aan de liftfabrikanten voor deelname aan het kartel. In het persbericht geeft de Commissie een beknopte beschrijving van de werking van het kartel en een uitsplitsing van de boetes voor de vijf liftfabrikanten. Op 4 maart 2008 is een openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie geplaatst.<footnote-ref linkend="_9fb60e96-5b5d-45cf-a03f-3c5c4a8a5227" /> Op 26 maart 2008 is een samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de EU gepubliceerd.<footnote-ref linkend="_08b03ba6-6037-4947-9d53-af228997f91a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>In de samenvatting van de Beschikking is de werking van het kartel als volgt beschreven:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“7. Met name werden de volgende inbreuken gepleegd in één, verscheidene of alle betrokken lidstaten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- afspraken over de verdeling van de afzet en installatie van liften en roltrappen;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- afspraken over de toewijzing van openbare en particuliere aanbestedingen, alsook van andere contracten, voor de verkoop en installatie van liften en roltrappen naar gelang van het overeengekomen aandeel van iedere onderneming in de afzet;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- afspraken over de toewijzing van projecten voor de verkoop en installatie van nieuwe liften en/of roltrappen overeenkomstig het beginsel dat bestaande klantenrelaties in acht moeten worden genomen;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor reeds bestaande liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor nieuwe liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten; en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- afspraken niet onderling te concurreren om moderniseringscontracten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Enkele van de voornaamste kenmerken van de inbreuken waren uitwisseling van commercieel belangrijke en vertrouwelijke markt- en ondernemingsinformatie, onder andere met betrekking tot biedgedrag en prijzen. De deelnemers kwamen regelmatig bijeen om afspraken over hogervermelde beperkingen te maken en zij hielden toezicht op de uitvoering ervan op de nationale markten. Er zijn bewijzen voorhanden dat de ondernemingen zich ervan bewust waren dat hun gedrag onwettig was en dat zij trachtten te voorkomen dat dit werd ontdekt; hun werknemers ontmoetten elkaar gewoonlijk in bars en restaurants, op het platteland of zelfs in het buitenland, en gebruikten prepaid-kaarten voor mobiele telefoons om te voorkomen dat zij werden opgespoord.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>In Nederland is het liftenkartel actief geweest van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft deelgenomen van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 en is dus later gaan meedoen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Kone is tegen de Beschikking in beroep gegaan bij het Gerecht van de Europese Unie. Het Gerecht heeft het beroep verworpen.<footnote-ref linkend="_26536fbd-6dda-4ae9-8481-3d51e9b3e584" /> Het daartegen door Kone ingestelde hoger beroep is door het Hof van Justitie verworpen.<footnote-ref linkend="_f5f19c69-5d4f-4aed-9ff4-432819bc21bd" /> Sindsdien is de Beschikking onherroepelijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Bij brief van 17 februari 2012<footnote-ref linkend="_53d8f002-df13-4968-b5f4-9cc631105615" /> heeft SECC aan onder meer Kone het volgende meegedeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“On behalf of Stichting Elevator Cartel Claims (SECC) - and to the extent necessary all the companies listed in Annex 1 attached (together being the entities defined below as Purchasers) - I inform you of the following.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[…]</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In the period 1995 to 2004 many entities purchased elevator and/or related goods and services from at least one of the entities that have engaged in unlawful behaviour as ruled by the EC in the Decision and/or have otherwise suffered damages as a result of the conduct specified in the Decision. These entities are listed in Annex 1. Furthermore, many entities that have suffered damages as a result of the conduct specified in the Decision not listed in Annex 1, have assigned their claims against the addressees of the Decision and the related rights to these claims to SECC or have granted SECC a power of attorney or other authority to pursue their claim against the addressees of the Decision (for the purposes of this letter, the parties mentioned in this paragraph will be referred to as the Purchasers).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In these circumstances it is apparent that Kone Oyj. has committed a tortuous act and is liable to the Purchasers (or any subsequent assignee of the Purchaser’s rights) for any and all damages suffered by the Purchasers as a result.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>SECC has initiated two proceedings before the Court of Rotterdam against several of the addressees of the Decision to claim damages from these addressees for the benefit of the Purchasers. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>The Purchasers unequivocally reserve the right to take legal action against Kone Oyj without further notice to recover the damages suffered. To avoid any misunderstanding, this letter constitutes a written notice to prescribe the limitation period.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Bij brief van 13 februari 2017<footnote-ref linkend="_146f98e1-8478-48c9-9f0d-062be50b7152" /> heeft SECC aan Kone onder meer meegedeeld dat zij inmiddels drie procedures bij de rechtbank Rotterdam is begonnen ter verkrijging van vergoeding van door afnemers van de liftfabrikanten geleden schade als gevolg van de in de Beschikking vastgestelde inbreuk op het Europese kartelverbod. De brief moet worden gezien als een schriftelijke mededeling tot stuiting van de verjaring.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Productie 18 van SECC<footnote-ref linkend="_6eb4dff6-153b-4c01-8608-7bb324522237" /> bevat een door haar opgestelde lijst met namen van benadeelde partijen (claimhouders) die met haar een overeenkomst van cessie hebben gesloten. Op die lijst staan 122 bedrijven en andere organisaties vermeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Procesverloop</emphasis>
          <footnote-ref linkend="_f3c681ca-25bd-438a-a685-1f79f8b945ad" />
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>SECC heeft Kone op 30 december 2010, 6 oktober 2011 en 20 februari 2012 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (hierna: de <emphasis role="bold">rechtbank</emphasis>). Na verschillende voegingen van procedures en eiswijzigingen heeft SECC – samengevat – een verklaring voor recht gevorderd dat (i) Kone B.V. en Kone Oyj in strijd met art. 101 VWEU, en onrechtmatig hebben gehandeld jegens de claimhouders en (ii) op grond van art. 101 VWEU, art. 6:162 BW en art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade geleden door de claimhouders, verminderd met hetgeen ThyssenKrupp Liften B.V. en ThyssenKrupp AG als hoofdelijk medeschuldenaar verplicht zijn bij te dragen, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Bij tussenvonnis van 23 oktober 2019<footnote-ref linkend="_6ca21269-c52d-4f52-b48f-42c49a9d2a07" /> (hierna: het <emphasis role="bold">tussenvonnis</emphasis>) heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld bij akte nader in te gaan op het volgende: (i) de stuiting van de verjaring van de vorderingen van een aantal claimhouders, (ii) per claimhouder, feiten en omstandigheden (met verwijzing naar stukken) waaruit blijkt dat de betreffende claimhouder tijdens de deelname van Kone aan het kartel ten minste één keer een overeenkomst heeft gesloten met en/of een product of dienst heeft afgenomen van één van de karteldeelnemers; (iii) en de betekenis van het dat jaar gewezen <emphasis role="italic">Skanska</emphasis>-arrest<footnote-ref linkend="_66daec2f-58fd-4a5d-b8c4-69ba090e5492" /> voor de aansprakelijkheid van Kone Oyj als moedervennootschap voor de gedragingen van Kone B.V.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <para>Bij vonnis van 23 juni 2021 (hierna: het <emphasis role="bold">eindvonnis</emphasis>)<footnote-ref linkend="_6ed172e9-93c3-4f79-bfcf-5f4f3d59ddc3" /> heeft de rechtbank geoordeeld dat de eisvermindering van SECC na de totstandkoming van een schikking met ThyssenKrupp voldoende concreet is, zodat er geen reden is de vorderingen van SECC af te wijzen wegens onvoldoende bepaaldheid. Ten aanzien van de verjaring heeft de rechtbank geoordeeld dat het Nederlandse verjaringsstelsel verenigbaar is met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingen van veertien van de 122 claimhouders zijn verjaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>De rechtbank heeft de uitbreiding van de vordering van SECC tot schade die is geleden bij de afname van producten of diensten van anderen dan de karteldeelnemers als gevolg van zogeheten <emphasis role="italic">umbrella pricing</emphasis><footnote-ref linkend="_6b33319c-0c7a-4a40-870c-3985e17f2342" />, buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot gestelde indirecte schade heeft de rechtbank overwogen dat SECC moet onderbouwen dat de schade uiteindelijk door de claimhouder is gedragen. SECC kan daarbij niet volstaan met de stelling dat die schade is geleden door een groep waarvan de claimhouder als vennootschap deel uitmaakt. Alleen de schadelijdende vennootschap zelf kan vergoeding van de schade vorderen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat een claimhouder aannemelijk maakt dat hij mogelijk schade heeft geleden. Als een claimhouder heeft betaald voor producten of diensten van een karteldeelnemer op grond van een overeenkomst die tot stand is gekomen tijdens de inbreukperiode, is aannemelijk dat de claimhouder mogelijk schade heeft geleden, aangezien het kartel een prijsopdrijvend effect heeft gehad. De rechtbank heeft het doorberekeningsverweer van Kone verworpen op de grond dat Kone onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat claimhouders steeds het gehele schadebedrag hebben doorberekend. Vervolgens is de rechtbank per claimhouder nagegaan of SECC de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval voor IKEA Beheer B.V. en voor achttien andere claimhouders. Uit het in 2.13 genoemde <emphasis role="italic">Skanska</emphasis>-arrest leidt de rechtbank tot slot af dat Kone Oyj (de holding) naast Kone B.V. (de feitelijk inbreukmaker) hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die deze claimhouders mogelijk hebben geleden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <para>De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Kone B.V. en Kone Oyj in strijd hebben gehandeld met art. 101 VWEU, en op grond daarvan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade geleden door IKEA Beheer B.V. en de andere achttien claimhouders die worden genoemd in rov. 4.30 van het eindvonnis,<footnote-ref linkend="_767ff9ee-b051-4830-9550-1f4b7426e49f" /> verminderd met hetgeen ThyssenKrupp als hoofdelijk medeschuldenaar verplicht is bij te dragen, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18</nr>
      <para>Kone én SECC hebben van het tussenvonnis en het eindvonnis in de verschillende door de rechtbank gevoegde zaken hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag (hierna: het <emphasis role="bold">hof</emphasis>).<footnote-ref linkend="_27f5a3fb-77b1-4305-84f9-01479f9e5d39" /> De zaken werden bij incidenteel arrest van 3 mei 2022 gevoegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19</nr>
      <para>Bij arrest van 23 januari 2024 (hierna: het <emphasis role="bold">bestreden arrest</emphasis>)<footnote-ref linkend="_ed8ff2c3-4258-41bd-a695-476d26499372" /> heeft het hof het tussenvonnis bekrachtigd, het eindvonnis gedeeltelijk vernietigd en de verklaring voor recht opnieuw uitgesproken (met de aangepaste juiste inbreukperiode en enkele wijzigingen in de lijst van claimhouders). Voor het overige werd het eindvonnis bekrachtigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20</nr>
      <para>Het hof heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) Het is niet in geschil dat voor de reikwijdte van de inbreuk moet worden uitgegaan van de Beschikking. Daaruit blijkt het volgende. Het is niet zo dat alleen een klein deel van de projecten werd geraakt door de inbreuk. Elk project aan een bepaalde karteldeelnemer toewijzen was niet nodig, omdat het uitgangspunt was dat elke deelnemer zijn bestaande klanten zou behouden. De effecten van de enkele en voortdurende inbreuk (<emphasis role="italic">single and continuous infringement</emphasis>) waren niet beperkt tot opdrachten waarbij toepassing werd gegeven aan het verdelingsmechanisme. Bovendien kon het marktgedrag van de karteldeelnemers worden beïnvloed door uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie ook buiten de context van de specifieke projecten waarover overleg plaatsvond. (rov. 6.5 - 6.7)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) Onderhoudscontracten voor nieuwe liftinstallaties vallen binnen de reikwijdte van de inbreuk. (rov. 6.8)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c) In het midden kan blijven of het kartel daadwerkelijk alle transacties op de markten voor de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften omvatte. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Uit de Beschikking volgt dat het kartel een veelomvattende, langdurige en systematische inbreuk betrof, die de mededinging op de desbetreffende markten in heel Nederland heeft beperkt. Die afbakening van de reikwijdte van het kartel is voldoende om te kunnen beoordelen of de mogelijkheid van schade ten aanzien van een claimhouder aannemelijk is. (rov. 6.9)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>d) Uit de Beschikking volgt dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder een opwaarts effect op de prijzen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging is afgesproken. Het onderling uitwisselen en afstemmen van prijzen vormde ook daadwerkelijk onderdeel van het kartel. Uit de Beschikking kan dus worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Ook de Kartelschaderichtlijn<footnote-ref linkend="_4a2cee1e-fb4f-4908-ba72-0ab30b877043" /> (hoewel van later datum en daarom temporeel niet van toepassing in deze zaak) gaat ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden, en voorziet op grond van dat uitgangspunt in een bewijsvermoeden van schade. (rov. 6.10 – 6.14)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>e) De economische rapporten die partijen hebben overgelegd zijn geen reden om hier anders over te oordelen. (rov. 6.15)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>f) De omzettingstermijn van de Kartelschaderichtlijn liep tot 27 december 2016. De relevante feiten voor beoordeling van de verjaring hebben zich vóór die datum afgespeeld. Verder is art. 6:193s BW (implementatie verjaringsregeling) niet van toepassing op zaken die vóór 26 december 2014 aanhangig zijn gemaakt. De dagvaardingen zijn alle vóór deze datum uitgebracht. Richtlijnconforme interpretatie is reeds daarom niet aan de orde. Verder bestaat voor verlenging van de verjaringstermijn (op grond van de Kartelschaderichtlijn) geen aanknopingspunt in het Nederlandse recht van vóór de implementatie. Verlenging van die termijn zou neerkomen op een uitleg <emphasis role="italic">contra legem</emphasis> van art. 3:310 BW. (rov. 6.25-6.27)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>g) De verjaringstermijn van art. 3:310 BW is niet pas gaan lopen na het arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2013 (in hoger beroep). Een richtlijnconforme uitleg is niet aan de orde. Het persbericht van de Commissie van 21 februari 2007 biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding. Daarin is niet de inbreukperiode per lidstaat en per deelnemer vermeld. Die informatie is wél opgenomen in de openbare versie van de Beschikking (op de website van de Commissie op 4 maart 2008) en in de samenvatting daarvan (in het Publicatieblad van 26 maart 2008). Het kan in het midden blijven op welk van deze twee momenten de verjaring een aanvang heeft genomen. Voor de beoordeling maakt dat geen verschil. (rov. 6.28-6.29)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>h) De vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan voor iedere claimhouder worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de (samenvatting van de) Beschikking, tenzij SECC aantoont dat een claimhouder toch niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De aanvang van de verjaring kan niet afhankelijk worden gemaakt van het tijdstip waarop de benadeelde een juiste beoordeling heeft gemaakt van de beschikbare informatie. (rov. 6.30)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>i) SECC heeft bovendien namens de eerste groep benadeelden gedagvaard op 30 december 2010. Tegen die achtergrond kan van SECC worden verlangd dat zij verklaart waarom andere benadeelden toen (nog) niet over deze kennis beschikten. Dat heeft SECC niet gedaan. (rov. 6.31)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>j) De verjaringstermijn is in maart 2008 aangevangen (zie onder g). De vorderingen van veertien claimhouders (rov. 4.14 eindvonnis) zijn daarom verjaard. (rov. 6.32)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>k) Een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep stuit niet de verjaring ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Een recht op schadevergoeding komt toe aan een (rechts)persoon. Die zal de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat wel namens hem doen, maar een enkele stuiting zonder dat wordt vermeld voor wie nog meer wordt opgetreden, kan niet. De redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel. (rov. 6.33)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>l) De grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel. De verdeling van opdrachten was volgens de Beschikking onderdeel van een “<emphasis role="italic">overall scheme to share and regulate the market</emphasis>”. Het is dus niet nodig om voor iedere afzonderlijke transactie tussen een claimhouder en een karteldeelnemer na te gaan of onrechtmatig is gehandeld. Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel zij binnen de reikwijdte van de inbreuk en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. (rov. 6.50)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>m) De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat een claimhouder ten minste in één geval direct of indirect (bijvoorbeeld via een aannemer) producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen tijdens de inbreukperiode. Het hof volgt niet het standpunt van SECC dat het voor de aannemelijkheid van mogelijke schade volstaat dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode een lift in eigendom of in gebruik had. (rov. 6.51, zie ook rov. 6.60)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>n) Het is juist dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat ook anderen dan directe of indirecte afnemers van een karteldeelnemer schade kunnen lijden als gevolg van een kartel. De mogelijkheid van schade geleden door die partij moet wel in de hoofdzaak aannemelijk worden gemaakt. Dat is SECC niet gelukt. (rov. 6.52)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>o) Een recht op vergoeding van kartelschade komt niet toe aan ‘ondernemingen’ in de zin van het mededingingsrecht en ook niet iedere entiteit behorende tot die onderneming kan dat recht voor de gehele onderneming geldend maken. Een recht op schadevergoeding komt toe aan een (rechts)persoon. Die persoon moet in de hoofdzaak aannemelijk maken dat hij mogelijk schade heeft geleden. Indien de vordering is overgedragen, dan moet de verkrijger dat doen. De rechtspraak van het Hof van Justitie of de Kartelschaderichtlijn leiden niet tot een ander oordeel. (rov. 6.53)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>p) Ook in het geval dat claimhouders producten of diensten van niet-karteldeelnemers hebben afgenomen, moet ten minste enige concrete aanwijzing van mogelijke schade door <emphasis role="italic">umbrella pricing</emphasis> worden gegeven. Het hof acht de algemene economisch-theoretische onderbouwing van SECC tegenover de gemotiveerde betwisting van Kone onvoldoende om aan te nemen dat ook claimhouders die direct noch indirect een of meer producten of diensten van een karteldeelnemer hebben afgenomen, schade hebben geleden als gevolg van het kartel. Het hof komt tot eenzelfde oordeel ten aanzien van de door SECC gestelde na-ijleffecten.<footnote-ref linkend="_6fbd2203-cdc4-4f5d-b269-6140b19e87a9" /> De vraag of claimhouders vorderingen wegens <emphasis role="italic">umbrella pricing</emphasis> of na-ijleffecten aan SECC hebben overgedragen, kan buiten beschouwing blijven. (rov. 6.54-6.58)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>q) De mogelijkheid van schade is (anders dan de rechtbank had geoordeeld) niet aannemelijk geworden ten aanzien van Magazijn De Bijenkorf B.V. en Golden Tulip Museum Quarter B.V. (rov. 6.93-6.94, 6.107 en 6.108)<footnote-ref linkend="_19509356-0d5b-41af-92a5-28e7c7f224f1" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>r) Het doorberekeningsverweer vormt slechts een beletsel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure als op voorhand zou moeten worden aangenomen dat mogelijke prijsverhogingen als gevolg van het kartel integraal zijn doorberekend. De stelplicht wat betreft de doorberekening rust op Kone. Aan die plicht heeft zij niet voldaan. Er is geen reden voor het opleggen van een verzwaarde motiveringsplicht aan SECC in dit stadium van de procedure. (rov. 6.112-6.114)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>s) De bestrijding door Kone van haar aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW berust op het onjuiste uitgangspunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten is gelegen in de concrete verdeling van opdrachten. De grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan het kartel. Er is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW en de liftfabrikanten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband. Die hoofdelijke aansprakelijkheid strekt zich ook uit tot de gedragingen van de liftfabrikanten waarmee SECC regelingen heeft getroffen. (rov. 6.120 - 6.121)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>t) Kone heeft er terecht op gewezen dat zij niet de gehele inbreukperiode in Nederland aan het kartel heeft deelgenomen. Het hof zal de verklaring voor recht aanpassen zodat duidelijk is dat Kone alleen aansprakelijk is voor de periode vanaf 1 juli 1999. Gelet op het <emphasis role="italic">Skanska</emphasis>-arrest verwerpt het hof het standpunt dat Kone Oyj niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de gedragingen van Kone B.V. (rov. 6.122 - 6.123)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>u) Voor de vaststelling van aansprakelijkheid van Kone in deze procedure is niet nodig dat de omvang van de interne draagplicht van de karteldeelnemers vast komt te staan. De eisvermindering van SECC is niet van belang voor de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, maar voor de hoogte van de schadevergoeding waarop SECC jegens Kone aanspraak kan maken. Dat kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen. (rov. 6.128-6.129)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>v) Het hof wijst de op grond van art. 843a Rv ingestelde inzagevordering van SECC af. Daarbij bestaat voor bepaalde claimhouders geen gerechtvaardigd belang en voor andere claimhouders is het bestaan van een rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk gemaakt. (rov. 6.131-6.132)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>w) Het oordeel van de rechtbank over de proceskosten blijft in stand. (rov. 6.136)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21</nr>
      <para>Kone heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. SECC voert verweer. Partijen hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten. Deze toelichtingen werden gevolgd door re- en dupliek.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De klachten zijn ondergebracht in vijf onderdelen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis>: klachten over het oordeel dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect had.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis>: klachten over de beoordeling van de verhouding tussen de hoofd- en de schadestaatprocedure.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="underline">Onderdeel 3</emphasis>: klachten over de beoordeling van het doorberekeningsverweer.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="underline">Onderdeel 4</emphasis>: rechtsklacht tegen oordeel dat voldaan is aan de vereisten van art. 6:166 BW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="underline">Onderdeel 5</emphasis>: een motiveringsklacht tegen het oordeel over de grief van Kone dat de vorderingen van DGL na eisvermindering onvoldoende concreet en bepaalbaar zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Ik zal bij de bespreking van deze onderdelen de in de procesinleiding gehanteerde volgorde aanhouden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 1: prijsopdrijvend effect</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Met de klachten in <emphasis role="underline">subonderdelen 1.1 t/m 1.6</emphasis> richt Kone klachten tegen rov. 6.10 t/m 6.15 van het bestreden arrest. Deze overwegingen luiden als volgt (<emphasis role="underline">mijn onderstrepingen, ook in de citaten hierna, A-G</emphasis>): <footnote-ref linkend="_6a98258b-3ca6-45df-8f32-d163dea0fe46" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">(i) De omvang en het effect van het kartel</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[…]</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[…]</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10</nr>
      <para>Met betrekking tot het effect van de inbreuk heeft de Commissie in de Beschikking onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">(660) </emphasis><emphasis role="underline italic">In this case, the Commission did not attempt to demonstrate the precise effects of the infringement since it is impossible to determine with sufficient certainty the relevant competitive parameters (price</emphasis><emphasis role="italic">, commercial terms, quality, innovation, and others) in the absence of the infringements. However it is obvious that the infringements did have an actual impact. The fact that the various anticompetitive arrangements were implemented by the cartel participants in itself suggests an impact on the market, even if the actual effect is difficult to measure, because it is, in particular, not known if and how many other projects were subject to bid-rigging, nor how many projects may have been subject to allocation between cartel members without there being a need for contacts between them. The high aggregate market shares of the cartel participants make anticompetitive effects appear likely and the relative stability of these market shares throughout the duration of the infringements would confirm these effects.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(668) The fact that the arrangements allegedly occurred on an ad hoc basis or that individual cartel members did not participate in certain projects […], does not affect the observation that the Dutch cartel was a complex, single and continuous infringement, nor that the overall infringement was very serious. In fact the circumstances of this case make it almost impossible to measure the extent of the obstacles to trade and, therefore, to take account of those obstacles in assessing the impact of the infringement on the market.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(669) In conclusion, </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">the parties’ arguments cannot serve to demonstrate that the cartels were ineffective in freezing market shares and fixing prices</emphasis>
          <emphasis role="italic"> in the elevators and escalators market. It remains undisputed that the unlawful arrangements had market effects […]</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11</nr>
      <para>Uit deze overwegingen volgt dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder een opwaarts effect op de prijzen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, <emphasis role="underline">ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken. De Commissie wijst daarop</emphasis> in randnummer 576 van de Beschikking:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">(576) […] </emphasis><emphasis role="underline italic">Price being the main instrument of competition, the various collusive arrangements and mechanisms adopted by the suppliers were all ultimately aimed at inflating prices, to the benefit of the undertakings involved, and to a higher level than that which would have been determined by conditions of free competition. </emphasis><emphasis role="italic">[…]</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.12</nr>
      <para>Het onderling uitwisselen en afstemmen van prijzen vormde ook <emphasis role="underline">daadwerkelijk</emphasis> onderdeel van het kartel. Zie onder meer randnummer 423 en 424 van de Beschikking:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">(423) […] The main allocation mechanism for new equipment as well as for service and modernization projects was to exchange bidding prices between the Big 5 with an understanding that the undertaking with the lowest bid price would secure the project and </emphasis><emphasis role="underline italic">that the other cartel members would not undercut such offers</emphasis><emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(424) It should be noted that the exchange of bid prices could take place at different moments during a tender procedure. The members of the Big 5 either organized a meeting before they had issued a formal bid or immediately thereafter. In the latter case, it was common understanding that </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">the undertaking that had issued the lowest formal bid was protected from subsequent lower bids</emphasis>
          <emphasis role="italic"> by the other members of the Big 5. This was relevant in cases where the customer tried to negotiate for lower prices after the first bidding round.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.13</nr>
      <para>Kone stelt dan ook ten onrechte dat uit de overwegingen in de Beschikking niet kan worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Met de oordelen in <emphasis role="underline">rov. 6.10 t/m 6.13</emphasis> miskent het hof dat art. 101 VWEU onderscheid maakt tussen gedragingen die (i) ertoe strekken de mededinging binnen de interne markt te verhinderen en die (ii) tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, aldus Kone in <emphasis role="underline">subonderdeel 1.1</emphasis>. De Commissie heeft in de Beschikking een inbreuk vastgesteld op basis van de mededingingsbeperkende strekking van de gedragingen van de liftfabrikanten. Dat betekent dat de Commissie niet heeft vastgesteld dat de inbreuk een effect op de markt heeft gehad. Uit de Beschikking (punt 660) blijkt dat de Commissie dit ook niet heeft willen vaststellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Ik roep eerst in herinnering dat bij het kartelverbod een onderscheid wordt gemaakt tussen afspraken die de strekking hebben de mededinging te beperken en afspraken die tot gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt.<footnote-ref linkend="_cc823f03-2c65-4542-b022-243e1b06151d" /> Beide vallen onder het kartelverbod, maar de bewijslast verschilt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De eerste categorie afspraken kan naar haar aard geacht worden schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, zonder dat hoeft te worden aangetoond welke concrete effecten daarvan uitgaan op de markt. De ervaring leert dat dergelijke afspraken leiden tot hogere prijzen en/of (kwantitatieve of kwalitatieve) productieverminderingen.<footnote-ref linkend="_f9543993-6b3e-422f-9201-e1ddc46d3de8" /> Doorgaans bevat een beschikking van de Commissie waarbij dergelijke gedragingen worden vastgesteld, slechts in algemene zin enige informatie over de gevolgen van het kartel. De Commissie brandt haar vingers liever niet aan het maken van een schatting van de hoogte van de prijsopslag, zeker nu dat voor de vaststelling (en beboeting) van de inbreuk op het kartelverbod niet nodig is. Voorbeelden van strekkingsbeperkingen zijn prijsafspraken tussen concurrenten, afspraken om de markt te verdelen en ook, wat in de liftenzaak onder meer aan de orde was, <emphasis role="italic">bid rigging </emphasis>bij aanbestedingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Om een gedrag te kunnen kwalificeren als een verboden ‘gevolgbeperking’ (de tweede categorie) moeten de effecten ervan op de markt wél worden onderzocht. Dat betekent dat de Commissie een zwaardere bewijslast heeft en dus meer werk moet verzetten dan wanneer zij een ‘strekkingsbeperking’ vaststelt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Voor de privaatrechtelijke handhaving van het kartelverbod bij de nationale rechter is het onderscheid tussen strekkingsbeperkingen en gevolgbeperkingen in beginsel zonder betekenis. In beide situaties zal het onrechtmatig handelen doorgaans bestaan uit de deelname aan een kartel. In beide situaties moet de eiser aantonen dat schade is geleden en dient de rechter de schade te begroten. Hooguit kan men verwachten dat het bewijs dat het kartel schade heeft veroorzaakt in zijn algemeenheid gemakkelijker is te leveren als de inbreuk bestaat uit een of meer strekkingsbeperkingen. Daarmee staat impliciet vast dat de mededinging kan worden beperkt of verstoord. Anders dan Kone ingang lijkt te willen doen vinden, hoeft eiser niet, als een of meer strekkingsbeperkingen in het geding zijn, de gevolgen daarvan <emphasis role="italic">op de markt</emphasis> aan te tonen. Eiser moet wel stellen en zo nodig bewijzen dat zij schade heeft geleden als gevolg van het kartel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Ik kom toe aan de klacht. Het hof heeft mijns inziens niet miskend dat de Commissie niet heeft vastgesteld dat de inbreuk een effect op de markt tot gevolg heeft gehad. Uit het aangevallen oordeel blijkt namelijk niet dat het hof ervan is uitgegaan dat de Commissie een effect <emphasis role="italic">heeft</emphasis> vastgesteld. In de bestreden overwegingen wordt gewezen op punten uit de Beschikking waaruit volgens het hof – desondanks – <emphasis role="italic">volgt</emphasis> dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder hogere prijzen dan in de hypothetische situatie zonder het kartel (rov. 6.16 en 6.18). De klacht faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>In <emphasis role="underline">subonderdeel 1.2</emphasis> betoogt Kone dat de civiele rechter (alleen) is gebonden aan het dispositief van de Beschikking (waarin formele vaststellingen worden gedaan) en overwegingen in de Beschikking die noodzakelijk zijn ter onderbouwing van die vaststellingen. Het hof zou dit hebben miskend in <emphasis role="underline">rov. 6.10 t/m 6.13</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>De klacht faalt. Uit art. 16 lid 1 Verordening 1/2003<footnote-ref linkend="_ff4beb25-f384-4b87-a15d-f51660162514" /> volgt dat een nationale rechter geen beslissing mag nemen die in strijd is met een beschikking van de Commissie waarin een inbreuk op art. 101 lid 1 VWEU wordt vastgesteld. Het dispositief van een beschikking is bindend; de overwegingen in het ‘lichaam’ van de beschikking zijn dat inderdaad niet, behoudens overwegingen (met feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties) waarop het dispositief is gebaseerd.<footnote-ref linkend="_76d99dd6-953f-4ebe-acbe-66f5afc7d9ea" /> Dat laatste ligt voor de hand: als de rechter van de door de Commissie gegeven kwalificatie van een bepaalde gedraging zou kunnen afwijken, kan de formele vaststelling in het dispositief van de beschikking op losse schroeven komen te staan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Het hof leidt uit het lichaam van de Beschikking (de ‘overwegingen’) af dat de inbreuk effect heeft gehad en baseert daar zijn beslissing op. Voor zover Kone betoogt dat het hof dit niet mocht doen, gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het doel van art. 16 lid 1 van Verordening 1/2003 is te voorkomen dat een nationale rechter een beslissing neemt die indruist tegen, althans afbreuk doet aan een besluit van de Commissie.<footnote-ref linkend="_f8c4e1f7-380f-4361-ac35-2a0e0a7d938b" /> Van een tegenstrijdige beslissing is hier geen sprake, ook niet als het hof oordeelt dat uit de overwegingen van de Beschikking, waarin een inbreuk wordt vastgesteld op grond van gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken, volgt kan worden afgeleid dat de vastgestelde inbreuk effect op de markt heeft gehad. De omstandigheid dat de nationale rechter niet is gebonden aan de overwegingen in het lichaam van de beschikking van de Commissie, betekent echter niet dat het de nationale rechter bij de beoordeling van de vraag of een (vaststaande) kartelinbreuk effecten heeft gehad op marktpartijen, niet zou zijn toegestaan zich op zulke overwegingen te baseren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.3</emphasis> klaagt dat het oordeel van het hof dat uit de Beschikking volgt dat de Inbreuk een effect op de markt heeft gehad in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof zou onvoldoende hebben gerespondeerd op het betoog van Kone (i) dat uit de Beschikking niet volgt dat de inbreuk ertoe heeft geleid dat de prijzen van liften en diensten gedurende de inbreukperiode hoger lagen dan daarna (of daarvoor) en dat (ii) uit de Beschikking wél volgt dat de Commissie de effecten van de inbreuk niet heeft onderzocht althans niet heeft vastgesteld. Bovendien valt uit de door het hof aangehaalde passages hooguit af te leiden dat de Commissie is uitgegaan van een effect, maar niet van een <emphasis role="italic">prijsopdrijvend</emphasis> effect. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>De klacht gaat niet op. Uit het citaat in rov. 6.11 volgt dat de gedragingen van de karteldeelnemers waren gericht op het opkrikken van prijzen boven het niveau dat bij vrije mededinging zou bestaan. In het deel van randnummer 576 van de Beschikking dat het hof citeert in rov. 6.11, staat niet dat de karteldeelnemers hun doel bereikten.<footnote-ref linkend="_5b1d183c-c912-4373-9016-8302294dded1" /> Dat een prijsopdrijvend effect op zijn minst aannemelijk is volgt ook uit (de samenhang met) de citaten in de daaropvolgende rov. 6.12. Daar staat dat in de praktijk biedingen zo werden afgestemd dat een lagere biedprijs niet tot stand zou kunnen komen: “<emphasis role="italic">[…] that the other cartel members would not undercut such offers.</emphasis>” En: “<emphasis role="italic">[…] that the undertaking that had issued the lowest formal bid was protected from subsequent lower bids […].</emphasis>” Deze citaten vormen een afdoende grondslag voor de verwerping van de standpunten van Kone. Het hof hoefde daartoe niet expliciet in te gaan op de stelling dat de Commissie de effecten van de vastgestelde gedragingen niet heeft onderzocht of vastgesteld. Het hof lijkt dit laatste ook te onderkennen (zie de eerste zin van het citaat in rov. 6.10), maar heeft gemeend dat – desondanks – uit de overwegingen van de Beschikking valt af te leiden dat een (prijsopdrijvend) effect aannemelijk kan worden geacht en heeft daaruit afgeleid dat de mogelijkheid van schade in de vorm van een meerprijs aannemelijk is. Deze precisering (‘mogelijkheid van schade’) is van belang omdat dit de maatstaf is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure<footnote-ref linkend="_839c8ea8-3183-44fd-82e4-e17a71cb99ec" /> (waarover hierna meer). Uit de slotzin van rov. 6.25 blijkt dat het hof dit ook bij de beoordeling van de grieven over het effect van de inbreuk heeft onderkend. Dat deze drempel (‘mogelijkheid van schade is aannemelijk’) wordt gehaald op basis van de door het hof geciteerde passages uit de Beschikking, wordt op zichzelf niet bestreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.4</emphasis> geeft een bepaalde lezing van <emphasis role="underline">rov. 6.10 t/m 6.13</emphasis>: voor zover het hof de geciteerde overwegingen uit de Beschikking zo heeft uitgelegd dat hieruit alleen zou kunnen worden afgeleid dat de Commissie de <emphasis role="italic">precieze</emphasis> effecten van de inbreuk op de markt niet heeft kunnen vaststellen, maar niet dat de Commissie in het geheel niet heeft vastgesteld of de inbreuk tot prijsverhogingen heeft geleid, is dit oordeel onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd om de redenen die zijn vermeld in de vorige subonderdelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <para>Deze klacht mist doel. Het hof legt de Beschikking namelijk niet zo uit als Kone (veronder)stelt. Het hof gaat er niet van uit dat de Commissie een effect heeft <emphasis role="italic">vastgesteld</emphasis>. Dit blijkt uit de combinatie van rov. 6.13 en 6.15 (laatste zin) die als volgt luiden:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“6.13 Kone stelt dan ook ten onrechte dat uit de overwegingen in de Beschikking niet <emphasis role="underline">kan worden afgeleid</emphasis> dat de inbreuk <emphasis role="underline">een</emphasis> prijsopdrijvend effect heeft gehad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[…]</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.15 […]</nr>
      <para>In deze (hoofd)procedure volstaat <emphasis role="underline">dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk aannemelijk is</emphasis>.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.5</emphasis> is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.16 dat het een ‘feit van algemene bekendheid’ is dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken. Volgens Kone geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het niet begrijpelijk gemotiveerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <para>De klacht snijdt een terecht punt aan, maar kan niet tot cassatie leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <para>Op grond van art. 149 lid 2 Rv mag de rechter feiten of omstandigheden van algemene bekendheid of ervaringsregels uit eigen beweging aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Met ‘feiten of omstandigheden van algemene bekendheid’ wordt gedoeld op een feit dat of een toestand die ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens (‘het algemene publiek’) zonder nader onderzoek kan worden geacht te kennen of zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen te weten kan komen.<footnote-ref linkend="_3da869e5-7f83-470a-943a-4bd7da31c2a5" /> Specialistische kennis is van deze categorie feiten uitgesloten,<footnote-ref linkend="_f65626a7-9f46-4626-abf9-d878816a8d90" /> net als feiten die weliswaar kunnen worden gevonden in algemeen toegankelijke bronnen maar niet dan na onderzoek van enige diepgang.<footnote-ref linkend="_8b2564a5-e34f-4a81-92ce-886dc0d46970" /> De enkele omstandigheid dat informatie afkomstig is uit een algemeen kenbare bron (bijvoorbeeld via Google) is onvoldoende om aan te nemen dat het gaat om een feit van algemene bekendheid.<footnote-ref linkend="_3898307c-5940-44a8-b719-6dd4d4a2167c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20</nr>
      <para>De vaststelling van een feit van algemene bekendheid kan op begrijpelijkheid worden getoetst.<footnote-ref linkend="_631e9fbc-39b1-4365-a49f-f2eb63a8698b" /> De feitenrechter heeft als hij moet oordelen of een feit of omstandigheid ‘van algemene bekendheid is’ beoordelingsruimte. De vraag of de feitenrechter met zijn oordeel binnen de wettelijke grenzen van het begrip ‘feit van algemene bekendheid’ is gebleven, is daarentegen een rechtsvraag. In zoverre kan de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter dus volledig toetsen.<footnote-ref linkend="_2937efa1-73e2-4f0a-9678-8c88b3dbf576" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21</nr>
      <para>Het kennen of leren kennen van het ‘feit’ dat een beperking van de mededinging tot hogere prijzen leidt, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken, vergt specialistische (economische) kennis. In elk geval brengt de toevoeging ‘ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken’ niet mee dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat een beperking van de mededinging tot hogere prijzen leidt, ook al zal een deel van het grote publiek dat vermoedelijk wel intuïtief aannemen. Kone klaagt in zoverre dan ook terecht dat het oordeel van het hof op dit punt onjuist althans onbegrijpelijk is. De klacht faalt echter wegens gebrek aan belang. Immers, het hof overweegt tevens dat uit de Beschikking kan worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad (rov. 6.18). Deze overweging kan zelfstandig het oordeel van het hof dragen dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.6</emphasis> richt zich in de eerste plaats op <emphasis role="underline">rov. 6.11</emphasis>. Kone leest deze overweging aldus dat het hof, ter onderbouwing van het oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat een beperking van de mededinging een prijsopdrijvend effect heeft, verwijst naar punt 576 van de Beschikking. Het hof miskent daarmee dat de Commissie niet bepaalt of sprake is van een feit van algemene bekendheid en dat dit oordeel ook niet op overwegingen van de Commissie kan worden gebaseerd. Het valt ook niet in te zien hoe uit het citaat uit de Beschikking van de Commissie het oordeel over het feit van algemene bekendheid kan worden afgeleid. In de tweede plaats betoogt het middel dat ook uit <emphasis role="underline">rov. 6.12</emphasis> niet volgt dat het een feit van algemene bekendheid is dat gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken (steeds) tot hogere prijzen leiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23</nr>
      <para>De klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag in het bestreden arrest. Het hof oordeelt noch suggereert dat de Commissie bepaalt wat een feit van algemene bekendheid is. Verder citeert het hof de Beschikking niet ter adstructie van het oordeel dat sprake is van een feit van algemene bekendheid. Ik lees rov. 6.11 aldus dat het citaat uit de Beschikking het deel van de overweging ondersteunt waarin, na de komma, in de tweede zin van rov. 6.11 staat: ‘<emphasis role="italic">ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken</emphasis>’. Het bedoelde citaat gaat over de verschillende gedragingen en mechanismes van de liftfabrikanten (dus niet alleen over een uitdrukkelijke prijsafspraak).<footnote-ref linkend="_797c41e7-27a6-41a9-bfac-8bf4c4c299d6" /> Daarmee laat het hof zien dat de toevoeging achter de komma in deze zaak van belang is. Ook rov. 6.12 dient niet ter illustratie van het oordeel dat sprake is van een feit van algemene bekendheid. De geciteerde overwegingen tonen dat geen uitdrukkelijke afspraak over prijs<emphasis role="italic">verhogingen</emphasis> werd gemaakt, maar dat prijsinformatie werd uitgewisseld en prijzen werden afgestemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24</nr>
      <para>In <emphasis role="underline">subonderdeel 1.7</emphasis> maakt Kone bezwaar tegen <emphasis role="underline">rov. 6.14</emphasis>. Die overweging luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“6.14 Ook de Kartelschaderichtlijn gaat ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden, <emphasis role="underline">en introduceert op grond van dat uitgangspunt</emphasis> een bewijsvermoeden van schade (vgl. overwegingen 43 en 47 en artikel 17 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn). Dit bewijsvermoeden is niet (direct) van toepassing op de vorderingen van SECC, want artikel 6:193l BW, dat artikel 17 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn implementeert, is op 10 februari 2017 in werking getreden en heeft geen terugwerkende kracht. De economische principes die aan dit bewijsvermoeden ten grondslag liggen zijn echter algemeen aanvaard.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25</nr>
      <para>Volgens Kone is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting althans is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De Kartelschaderichtlijn en het bewijsvermoeden gaan niet ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden en van een algemeen principe dat inbreuken op het mededingingsrecht tot prijsverhoging leiden is geen sprake. Het is zonder nadere toelichting in ieder geval niet in te zien op welke grond het hof het bestaan van een dergelijk principe aanneemt. Het bewijsvermoeden is in het leven geroepen om het probleem van informatieasymmetrie tussen partijen en sommige moeilijkheden in verband met het begroten van schade in mededingingszaken op te lossen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26</nr>
      <para>De klachten falen reeds wegens gebrek aan belang omdat in rov. 6.14 slechts een <emphasis role="italic">aanvullend argument</emphasis> staat ter ondersteuning van de daarvoor getrokken conclusie dat het aannemelijk is dat het liftenkartel tot hogere prijzen heeft geleid. Ter informatie merk ik nog het volgende op.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27</nr>
      <para>In de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor de Kartelschaderichtlijn staat het volgende over het bewijsvermoeden (dat toen in art. 16 lid 1 stond):<footnote-ref linkend="_661890dd-94a9-4f85-841f-fdb9af2fa08b" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">4.5. Schadebegroting (hoofdstuk V, artikel 16)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor het aantonen en begroten van schade in mededingingszaken spelen feiten over het algemeen een belangrijke rol en kunnen de kosten hoog oplopen, omdat complexe economische modellen moeten worden toegepast. Om slachtoffers van een kartel bij te staan bij het begroten van de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade <emphasis role="underline">voorziet de voorgestelde richtlijn in een weerlegbaar vermoeden met betrekking tot het bestaan van schade die door een kartel wordt veroorzaakt. Op basis van de vaststelling dat meer dan negen op de tien kartels inderdaad een onrechtmatige prijsverhoging veroorzaken48, maakt dit het voor de benadeelde partij minder moeilijk en duur om te bewijzen dat door het kartel hogere prijzen werden aangerekend dan het geval was geweest indien het kartel niet had bestaan.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>48 <emphasis role="italic">Quantifying antitrust damages – Towards non-binding guidance for courts</emphasis>, beschikbaar op </para>
        <para>http://ec.europa.eu/competition/antitrust/actionsdamages/quantification_study.pdf, blz. 91.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28</nr>
      <para>De studie waarnaar in de geciteerde voetnoot wordt verwezen, is in opdracht van de Commissie verricht en staat bekend als ‘het Oxera-rapport’. Op de aangeduide vindplaats staat op basis van een dataset van 114 observaties van kartels de volgende bevinding:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">In 93% of the cases, the overcharge as a percentage of the cartel price is above zero […]. This supports the theory that in most cases the cartel overcharge may be expected to be positive, although it also indicates that there is a small but significant proportion of cartels where there is no overcharge […].</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29</nr>
      <para>In het licht van het voorstel van de Commissie is niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd de overweging van het hof dat de Kartelschaderichtlijn het bewijsvermoeden heeft geïntroduceerd op grond van de presumptie dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden. Gelet op de onderliggende studie en het op basis daarvan door de Uniewetgever vastgestelde bewijsvermoeden, is het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof aanneemt dat sprake is van een economisch principe dat – in de context van het mededingingsrecht – algemeen is aanvaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.30</nr>
      <para>Aan het slot van subonderdeel 1.7 klaagt Kone dat het bewijsvermoeden in ieder geval onvoldoende grond biedt om vast te stellen dat de onderhavige inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat het hof deze overweging alleen als een aanvullend argument gebruikt om de aannemelijk geachte verhoging van het prijsniveau in perspectief te plaatsen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.31</nr>
      <para>Met <emphasis role="underline">subonderdeel 1.8</emphasis> komt Kone op tegen het oordeel in <emphasis role="underline">rov. 6.11</emphasis> dat de inbreuk effect heeft gehad op de markt, waaronder een opwaarts effect op de prijzen, en tegen <emphasis role="underline">rov. 6.15</emphasis>. Deze overweging luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“6.15 De economische rapporten die partijen hebben overgelegd zijn geen reden om hier anders over te oordelen. In deze rapporten gaat het met name om de omvang van de mogelijke <emphasis role="italic">overcharge</emphasis> (de prijsverhoging die kan worden toegerekend aan het kartel). De economische deskundigen van partijen nemen daar tegengestelde standpunten over in. Het hof is zonder nader (deskundigen)onderzoek niet in staat de juistheid van deze analyses te beoordelen. Dat is in deze (hoofd)procedure ook niet nodig. De discussie over de omvang van de overcharge hoort thuis in de schadestaatprocedure. In deze (hoofd)procedure volstaat dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk aannemelijk is.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.32</nr>
      <para>Het oordeel in rov. 6.16 is volgens Kone onvoldoende gemotiveerd in het licht van de economische rapporten die in dit geding zijn overgelegd, aan de hand waarvan Kone het prijsopdrijvend effect van de gedragingen van de karteldeelnemers gemotiveerd heeft betwist. Het oordeel in rov. 6.15 vormt daarop een onvoldoende (begrijpelijke) reactie. Het hof kon immers niet vaststellen dat de inbreuk een effect heeft gehad, waaronder hogere prijzen, zonder de op deze rapporten gebaseerde stellingen in zijn oordeel te betrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.33</nr>
      <para>De klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof oordeelt in rov. 6.15 in essentie dat de economische rapporten van partijen elkaar in evenwicht houden en dat Kone – ook met de door haar overgelegde rapporten in ogenschouw genomen – niet is geslaagd in het voldoende betwisten van de stelling van DGL over de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk. De rapporten gaan met name over de <emphasis role="italic">omvang</emphasis> van de meerprijs of prijsopslag (<emphasis role="italic">'overcharge’</emphasis>). De weerspreking van Kone wordt gelet hierop onvoldoende bevonden in het licht van het ingeroepen rechtsgevolg (verwijzing naar de schadestaatprocedure) en het partijdebat.<footnote-ref linkend="_718ea31d-05b9-48a5-a149-4acea9103191" /> De maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, wordt gehaald ondanks de betwisting aan de hand van economische rapporten. Dit oordeel is naar mijn mening niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.34</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 1.9</emphasis> bevat een voortbouwklacht. Nu geen van de voorafgaande klachten tot cassatie kan leiden, faalt ook deze voortbouwklacht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 2: maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.35</nr>
      <para>De klachten in dit onderdeel zijn (primair) gericht tegen <emphasis role="underline">rov. 6.50 en 6.51</emphasis> van het bestreden arrest. Deze overwegingen luiden als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“6.50 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat <emphasis role="underline">de grondslag voor de aansprakelijkheid van Otis en Kone is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel</emphasis>. Met betrekking tot de reikwijdte van het kartel heeft het hof reeds vastgesteld dat de effecten van de “<emphasis role="italic">single and continuous infringement</emphasis>” omschreven in de Beschikking niet beperkt bleven tot opdrachten ten aanzien waarvan het verdelingsmechanisme concreet werd toegepast, maar dat de verdeling van deze opdrachten onderdeel was van een “<emphasis role="italic">overall scheme to share and regulate the market</emphasis>” (randnummer 561 van de Beschikking). <emphasis role="underline">Anders dan door Kone wordt gesteld, is het dus niet nodig om voor iedere afzonderlijke transactie tussen een woningcorporatie en een karteldeelnemer na te gaan of onrechtmatig is gehandeld.</emphasis> Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel zij binnen de reikwijdte van de inbreuk en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. De deelname aan het kartel kan dus tot schade hebben geleid zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat het gaat om een transactie waarbij het verdelingsmechanisme daadwerkelijk is toegepast.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.51</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Als tweede vereiste geldt dat aannemelijk moet zijn dat een claimhouder mogelijk schade heeft geleden als gevolg van het kartel. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat aan dit vereiste is voldaan als een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tol de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers</emphasis>. Dat kan een overeenkomst zijn met een karteldeelnemer of een overeenkomst met een derde, waarbij een claimhouder indirect een product of dienst van een karteldeelnemer heeft afgenomen. In dat geval is de mogelijkheid dat die claimhouder schade heeft geleden als gevolg van hel kartel immers aannemelijk, wat voldoende is voorde vestiging van aansprakelijkheid. In de schadestaatprocedure kan dan de omvang van de schade worden vastgesteld, waarbij ook andere schadeposten in aanmerking kunnen worden genomen. […].”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.36</nr>
      <para>Onderdeel 2 bevat verschillende klachten met de strekking dat het hof aldus een onjuist en onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven over de verhouding tussen de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure. Het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat de enkele deelname aan het kartel de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis is en dat het causaal verband tussen die deelname voor aansprakelijkheid en schade aanwezig moet worden geacht als de partij die stelt te zijn benadeeld in de relevante periode ten minste één transactie is aangegaan. Volgens Kone kan een verbintenis tot schadevergoeding alleen per transactie ontstaan.<footnote-ref linkend="_65f4343e-93b8-4b51-b4f4-e6d017404037" /> Slechts indien aan die voorwaarde is voldaan is er een grondslag voor aansprakelijkheid. Verwijzing naar de schadestaatprocedure kan pas plaatsvinden indien daarnaast de mogelijkheid van schade aannemelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.37</nr>
      <para>Dit onderdeel ziet primair op een procedurele kwestie (kan naar de schadestaat worden verwezen?), maar de vereisten waaraan voor een dergelijke verwijzing moet zijn voldaan zijn verweven met materieelrechtelijke vragen. Die vragen worden bovendien deels door het Unierecht en deels door het nationale recht beheerst. Gelet op deze problematiek meen ik er goed aan te doen eerst het juridisch kader te schetsen. Daarin bespreek ik (1) de drie criteria voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, (2) in verband met het eerste criterium, de voorwaarden voor het vaststellen van de aansprakelijkheidsgrondslag in kartelschadezaken en, in het verlengde daarvan, (3) enkele buitenlandse uitspraken in kartelschadezaken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(1) Criteria voor verwijzing naar de schadestaatprocedure</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.38</nr>
      <para>De schadestaatprocedure is geregeld in art. 612 e.v. Rv (de zesde titel van het tweede boek van Rv met als opschrift: van het vereffenen van schadevergoeding).<footnote-ref linkend="_51ff7310-d171-4b2d-bd18-23eeadf08dcb" /> De regeling heeft vooral een proceseconomisch doel.<footnote-ref linkend="_86daf96a-c515-4455-a989-d1af15789d42" /> Zij sluit aan bij afdeling 6.1.10 BW betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. Art. 612 Rv is in beginsel dan ook van toepassing op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, zoals die uit wanprestatie en onrechtmatige daad.<footnote-ref linkend="_d1c3a55e-48d1-452d-842d-04a79c825b43" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.39</nr>
      <para>Art. 612 Rv luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, begroot, voor zover hem dit mogelijk is, de schade in het vonnis. Indien begroting in het vonnis hem niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding op te maken bij staat.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de schadestaatprocedure kan worden vastgesteld wat de precieze inhoud en de omvang is van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding.<footnote-ref linkend="_5e809920-59d8-45ae-aeed-2cc739d4e52d" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.40</nr>
      <parablock>
        <para>De maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure omvat drie cumulatieve vereisten:<footnote-ref linkend="_5abba468-f2e2-4a74-b0ab-89059a4d42b5" /></para>
        <para>1. 	de grondslag voor de aansprakelijkheid van de schuldenaar moet vaststaan;</para>
        <para>2. 	de mogelijkheid van schade moet aannemelijk zijn; en </para>
        <para>3. 	de begroting van de schade is in de hoofdprocedure niet mogelijk.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.41</nr>
      <para>Het <emphasis role="underline">eerste vereiste</emphasis> houdt in dat de rechter in de hoofdprocedure moet vaststellen dat en waarom (en dus op grond waarvan) gedaagde aansprakelijk is.<footnote-ref linkend="_de65f69e-e472-455a-ab75-df4c5a06cc45" /> De rechter in de schadestaatprocedure is aan dat oordeel gebonden.<footnote-ref linkend="_b0b7b5fe-86bd-47f2-ac6b-017862e2808b" /> Voor verweren die de grondslag van de vergoedingsverplichting ter discussie stellen is in de schadestaatprocedure dan ook geen plaats.<footnote-ref linkend="_974aacb1-7e0e-4e93-a374-0c834305e1fa" /> In die procedure kunnen slechts schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde normschending.<footnote-ref linkend="_fc88b724-a0b3-47d4-95d3-c05e4534e9e6" /> Wel kunnen nieuwe <emphasis role="italic">schadeposten</emphasis> in de schadestaat worden opgenomen, mits die het gevolg zijn van die zelfde normschending. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.42</nr>
      <para>Het <emphasis role="underline">tweede vereiste</emphasis> voor verwijzing naar de schadestaat is dat de <emphasis role="italic">mogelijkheid</emphasis> van geleden of nog te lijden schade <emphasis role="italic">aannemelijk </emphasis>is, welke schade is of wordt veroorzaakt door een aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis. Dit houdt niet in dat aannemelijk moet zijn dat (enige) schade <emphasis role="italic">is</emphasis> geleden.<footnote-ref linkend="_8df33189-49e4-4cb4-94ae-58778e14c463" /> De eiser moet in de hoofdprocedure een toereikende onderbouwing geven waaruit naar ervaringsregels volgt dat waarschijnlijk (enige) schade zal zijn of worden geleden.<footnote-ref linkend="_70798cc0-b87a-4681-b579-ab024285aa39" /> Daarmee geldt voor de stelplicht dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is een relatief lage lat.<footnote-ref linkend="_589f0b61-b11e-4afe-9fe9-63652c319399" /> Een vordering tot verwijzing naar de schadestaat moet worden afgewezen als de rechter in de hoofdprocedure oordeelt dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.43</nr>
      <para>Het <emphasis role="underline">derde vereiste</emphasis> voor verwijzing naar de schadestaat houdt in dat de rechter, op basis van de vaststaande feiten en het partijdebat, de schade niet kan begroten. Dit is dus een vereiste om te <emphasis role="italic">kunnen </emphasis>verwijzen, maar als aan die voorwaarde is voldaan wil dat niet zeggen dat de rechter ook <emphasis role="italic">moet </emphasis>verwijzen. De rechter kan er voor kiezen om in de hoofdprocedure verder te gaan en, conform het wettelijk uitgangspunt, in die procedure de schade te begroten. De rechter kan daarbij eiser opdragen om informatie over te leggen ten aanzien van de gestelde schade en eiser daarmee in de gelegenheid stellen aan zijn stelplicht te voldoen.<footnote-ref linkend="_5abbf2fc-7600-4b6d-bd13-c8889de250bf" /> Indien de rechter daar niet voor kiest en ook niet in staat is de schade direct te begroten, is hij <emphasis role="italic">verplicht </emphasis>het geding naar de schadestaatprocedure te verwijzen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.44</nr>
      <parablock>
        <para>Indien eiser verwijzing naar de schadestaat heeft gevorderd, dient de rechter de afwijzing van die vordering te motiveren. Indien eiser geen verwijzing naar de schadestaat heeft gevorderd, <emphasis role="italic">kan </emphasis>de rechter toch het geding naar die procedure verwijzen als dat hem doelmatig voorkomt en aan de drie genoemde vereisten is voldaan.</para>
        <para>(2) <emphasis role="underline">Vaststelling van de grondslag voor aansprakelijkheid in kartelschadezaken </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.45</nr>
      <para>De vraag is nu hoe het hiervoor genoemde eerste vereiste moet worden ingevuld in kartelschadeprocedures. Net als in de zaken <emphasis role="italic">Air Cargo </emphasis>en <emphasis role="italic">Trucks</emphasis>, waarin de Hoge Raad recent een tussenarrest heeft gewezen<footnote-ref linkend="_0e17cb3a-d729-4239-92d4-b54882d7e60d" />, gaat het in de onderhavige zaak om zogenoemde <emphasis role="italic">follow-on </emphasis>vorderingen. Dat is een vordering tot vergoeding van de schade die eisende partijen stellen te hebben geleden als gevolg van een inbreuk op het Europese kartelverbod die door de Commissie<footnote-ref linkend="_fa3ec725-2a89-46eb-9e2f-e4ea221c5226" /> bij besluit formeel is vastgesteld. Partijen die menen schade te lijden of te zullen lijden als gevolg van een kartel (hierna: <emphasis role="bold">benadeelden</emphasis><footnote-ref linkend="_f1aed1fe-81f1-4523-96ae-00c359a4b4e4" />) kunnen naar de feitelijke vaststellingen in dat besluit verwijzen en hoeven dus niet zelf het bewijs bij te brengen dat de gedaagden verboden kartelafspraken hebben gemaakt. Een vordering tot vergoeding van schade die het gevolg is van een inbreuk op het mededingingsrecht kan ook worden ingesteld zonder dat er al een besluit van de Commissie ligt. Zo’n vordering wordt aangeduid als een <emphasis role="italic">stand-alone </emphasis>actie. Anders dan bij een <emphasis role="italic">follow-on</emphasis> vordering moet de eiser dan bewijzen dat de door hem aangesproken ondernemingen inbreuk op het mededingingsrecht hebben gemaakt. Dat bewijs is doorgaans moeilijk te leveren. Veruit de meeste kartelschadezaken bij de nationale rechter zijn dan ook <emphasis role="italic">follow-on </emphasis>vorderingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.46</nr>
      <para>Het recht om volledige schadevergoeding te vorderen die het gevolg is van inbreuk op het Europese kartelverbod volgt rechtstreeks uit het Unierecht. Het is afgeleid uit (de nuttige werking van) art. 101 lid 1 VWEU, dus uit de materiële verbodsnorm. De voorwaarden die het recht op schadevergoeding doen ontstaan worden rechtstreeks beheerst door het Unierecht. Die voorwaarden zijn: (1) schending van het Europees mededingingsrecht, (2) schade en (3) causaal verband tussen schade en schending.<footnote-ref linkend="_542e55e7-c26d-4714-b528-0483aa940212" /> De <emphasis role="italic">uitoefening</emphasis> van het recht op schadevergoeding wordt daarentegen geregeld in het toepasselijke nationale (proces)recht. Het nationale procesrecht moet verenigbaar zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Strijd met het doeltreffendheidsbeginsel doet zich voor als een nationale rechtsregel het uitoefenen van een door het Unierecht toegekend recht (praktisch) onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. De lat ligt dus hoog, maar deze inkadering geldt voor een groot scala aan nationale rechtsregels, met inbegrip van de feitenvaststellingen om te onderzoeken of aan de voorwaarde van causaliteit is voldaan.<footnote-ref linkend="_08f79c10-72fc-47ff-8c76-c4fb1c6990bf" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.47</nr>
      <para>Ter illustratie van dit laatste citeer ik een overweging uit het arrest <emphasis role="italic">Schienenkartell II </emphasis>van het Duitse Bundesgerichtshof (2020):<footnote-ref linkend="_b1e36b15-ecca-4584-8878-48df8d988218" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Zwar ist nach dem Inhalt des Unionsrechts jeder Schaden, der in einem ursächlichen Zusammenhang mit einer Zuwiderhandlung gegen Art. 101 AEUV steht, nach dieser Vorschrift ersatzfähig. […]. </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Der Begriff der haftungsausfüllenden Kausalität ist damit im Ausgangspunkt unionrechtlich determiniert</emphasis>
          <emphasis role="italic">. Da es an einer näheren Ausgestaltung dieses Begriffs im Unionsrecht fehlt, obliegt es aber dem nationalen Recht der Mitgliedstaaten, die Modalitäten der Ausübung und Durchsetzung des unionsrechtlich begründeten Schadensersatzanspruchs unter Einschluss des Kausalitätsbegriffs zu regeln […], wobei die Mitgliedstaaten nach den Grundsätzen der Effektivität und der Äquivalenz verpflichtet sind, die wirksame Anwendung der Wettbewerbsregeln und des sich aus ihnen ergebenden Schadensersatzanspruchs sicherzustellen […] </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Zu diesen Modalitäten zählen jedenfalls die Vorschriften über die zivilprozessrechtlichen Anforderungen an die richterliche Tatsachenfeststellung</emphasis>
          <emphasis role="italic"> (vgl. Generalanwältin Kokott, Schlussanträge vom 29. Juli 2019 - C-435/18 Rn. 44 - Otis u.a./Land Oberösterreich).“</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.48</nr>
      <para>De rechtspraak van het Hof van Justitie kent verschillende voorbeelden van zaken die illustreren dat een nationale rechtsregel wegens strijd met het doeltreffendheidsbeginsel niet (onverkort) kan worden toegepast. Meestal gaat het dan om een nogal categorische nationale rechtsregel die de mogelijkheid om vergoeding van geleden kartelschade in een bepaald opzicht inperkt. Voorbeelden daarvan zijn: een Finse rechtsregel op grond waarvan een partij die een onderneming heeft voortgezet niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade als gevolg van een door haar rechtsvoorganger begane inbreuk op het kartelverbod (<emphasis role="italic">Skanska</emphasis>)<footnote-ref linkend="_05608ca7-f9a6-4285-a644-5a90856c8a54" />; een Oostenrijkse rechtsregel op grond waarvan ‘parapluschade’<footnote-ref linkend="_b2d96978-2c6b-4c33-8288-e03eb4c5072e" />wegens ontbreken van causaliteit categorisch van vergoeding is uitgesloten (<emphasis role="italic">Kone</emphasis>)<footnote-ref linkend="_01665cc0-aaca-489d-b4df-71fe4de32990" />; een andere Oostenrijkse zaak waarin werd uitgemaakt dat een partij die niet zelf afnemer is van de onder het kartel vallende goederen of diensten maar indirect daardoor toch schade heeft geleden, vergoeding van die schade moet kunnen vorderen (<emphasis role="italic">Otis</emphasis>)<footnote-ref linkend="_479a7687-4654-4103-b589-9ef30ebecc11" />; en strikte verjaringsregels voor vorderingen tot schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht (<emphasis role="italic">Cogeco </emphasis>en <emphasis role="italic">Heureka</emphasis>).<footnote-ref linkend="_efd270d2-4c1a-46d5-be78-306691ec6927" /> Ik noem in dit verband ook een recente uitspraak waarin een Duitse rechtsregel, die aan bundeling van vorderingen tot schadevergoeding in de weg staat want de overdracht van schuldvorderingen aan rechtsbijstandverleners verbiedt, in strijd werd verklaard met art. 101 VWEU en enkele bepalingen van de Kartelschaderichtlijn (<emphasis role="italic">ASG 2</emphasis>).<footnote-ref linkend="_7b860de1-e6f5-4497-8acb-d8038479c957" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.49</nr>
      <para>De Kartelschaderichtlijn, die op 27 december 2016 diende te zijn omgezet in nationale regelgeving, bevestigt dat een benadeelde op grond van het Unierecht aanspraak heeft op volledige schadevergoeding (geleden verlies, gederfde winst en rente). Tegelijkertijd legt deze richtlijn vast dat niet meer schade mag worden vergoed dan er is of nog wordt geleden. De richtlijn schrijft dus een compensatoire benadering voor, waarin geen ruimte is voor punitieve schadevergoeding. Volledige schadevergoeding is, althans in theorie, zowel het vereiste minimum als het toegestane maximum.<footnote-ref linkend="_17c2a37d-1e5c-4837-a589-e1a1efa9cd56" /> Waar nationale regels op grond van de Kartelschaderichtlijn zijn geharmoniseerd, bestaat in beginsel geen behoefte meer aan een begrenzing van die regels door het doeltreffendheidsbeginsel. Voor rechtsregels die van toepassing zijn op de uitoefening van het recht op kartelschadevergoeding maar niet zijn geharmoniseerd, is het doeltreffendheidsbeginsel onverkort relevant. Dit beginsel is daarom ook neergelegd in de Kartelschaderichtlijn (art. 4). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.50</nr>
      <para>In de Beschikking heeft de Commissie, zoals zij vaker doet, bepaald dat de liftenfabrikanten hebben deelgenomen aan een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ (<emphasis role="italic">a single and continuous infringement</emphasis>)<emphasis role="italic">. </emphasis>Dit begrip maakt het mogelijk dat een onderneming voor de gehele duur van haar deelname aan de inbreuk eveneens verantwoordelijk wordt gehouden voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen afzonderlijke gedragingen, en zonder dat behoeft vast te staan dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd als inbreuk op art. 101 VWEU kan worden aangemerkt.<footnote-ref linkend="_45496f26-16d1-4cef-8b8d-a9927bf36ee9" /> Het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ is ingegeven door het doeltreffendheidsbeginsel vanuit de rechtspolitieke keuze dat het wenselijk en noodzakelijk is de mededingingsregels strikt te handhaven. De vraag is nu of de vaststelling van een enkele en voortdurende inbreuk door de Commissie de rechter de aansprakelijkheidsgrondslag aanreikt die nodig is om naar de schadestaatprocedure te kunnen verwijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.51</nr>
      <para>De schending van art. 101 lid 1 VWEU is te kwalificeren als onrechtmatig handelen wegens strijd met een wettelijke plicht (art. 6:162 lid 2 BW). Ik meen dat de nationale rechter gehouden is het door de Commissie gebruikte begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ toe te passen in een <emphasis role="italic">follow-on </emphasis>schadevergoedingsvordering, gelet op de voorrang van het Unierecht en de noodzaak dit recht uniform uit te leggen. Concreet betekent dit dat de rechter de aansprakelijkheidsvestigende voorwaarden naar nationaal recht moet uitleggen in overeenstemming met het Commissie-besluit waarin de kartelinbreuk is vastgesteld en gekwalificeerd (hier: in de Beschikking). De nationale rechter is gebonden aan de vaststellingen in het besluit van de Commissie waarop de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd, met inbegrip van de gebezigde kwalificatie ‘enkele en voortdurende inbreuk’. Ik baseer dit standpunt dus op de algemene institutionele kenmerken van het supranationale Unierecht. Aan het doeltreffendheidsbeginsel wordt dan niet toegekomen. Op dat punt is er een verschil met zaken waarin bijvoorbeeld in geschil is wat het toepasselijk recht is op <emphasis role="italic">follow-on </emphasis>vorderingen, zoals de zaken <emphasis role="italic">Air Cargo </emphasis>en <emphasis role="italic">Trucks</emphasis>. In een Commissie-besluit waarin een kartel wordt vastgesteld, wordt namelijk niets bepaald aangaande het toepasselijke recht op eventuele latere <emphasis role="italic">follow-on</emphasis> vorderingen, ook niet als in dat besluit het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ is toegepast. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.52</nr>
      <para>De nationale rechter dient tevens te beoordelen of er een <emphasis role="italic">causaal verband</emphasis> is tussen de aldus gemunte onrechtmatigheid en de schade die eiser stelt als gevolg daarvan te lijden.<footnote-ref linkend="_8bf146ae-8b3c-4297-b1a3-5a2aa41cf4f5" /> Indien het causaal verband wordt ingevuld op basis van het concept dat er tijdens de kartelperiode bij ieder schadeveroorzakend handelen een nieuwe verbintenis en daarmee een afzonderlijke vordering ontstaat, wordt mogelijk afbreuk gedaan aan de uniforme uitleg van het Unierecht. De noodzaak het Unierecht uniform uit te leggen laat zich juist bij kartelschadevorderingen goed verstaan, omdat het regelmatig voorkomt dat een zelfde Commissiebesluit waarbij een kartel is vastgesteld en beboet in verschillende lidstaten tot <emphasis role="italic">follow-on </emphasis>acties leidt.<footnote-ref linkend="_2e6ae481-8dd2-424f-96f6-18789f0639f9" /> Om die reden moet de voorwaarde van causaal verband tussen schade en inbreuk mijns inziens eveneens worden ingevuld aan de hand van het in het Commissie-besluit toegepaste concept van de enkele en voortdurende inbreuk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.53</nr>
      <para>Een recent artikel in <emphasis role="italic">Common Market Law Review </emphasis>behandelt de betekenis van de <emphasis role="italic">single infringement </emphasis>(afgekort SI) in kartelschadevorderingen bij de nationale rechter. In het inleidende gedeelte van dat artikel wordt deze problematiek als volgt samengevat:<footnote-ref linkend="_f8544237-4d8a-4537-b948-57d42e8f54bc" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">The EU has not provided comprehensive rules on causal relationships or on harmful events that are relevant to them, but substantive EU competition law can affect the manner in which Member States may interpret their domestic causality rules in damages litigation. Accordingly, the notion of SI may be at least as relevant as national law. This proposition accords with the recent damages liability case law of the ECJ, in which the Court has underlined the need to guarantee the full effectiveness of the EU provisions and applied EU competition […] law concepts to private enforcement, regulating national tort law rules to a complementary role.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_56fa4fff-0ea8-4038-bd75-13ba75a57543" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De auteurs erkennen dat er vanuit privaatrechtelijk oogpunt bezwaren kunnen kleven aan het streven naar zo veel mogelijk consistentie tussen de publieke en de private handhaving van het mededingingsrecht:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">From the standpoint of Member State courts, this approach can be disruptive because competition law-based civil claims become a unique type of damages action whose exact rules are revealed by the ECJ one ruling at the time. The ECJ is clearly aware that the choice between EU competition law and national tort law is a balancing act. Accordingly, the Court has also limited the impact of substantive EU competition law on private enforcement. The ECJ has, for example, mostly left causal links to national law. […].</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En ook dat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“[…] substantive EU competition law and its objectives significantly impact the application of national liability rules</emphasis>.”<footnote-ref linkend="_51a25e3a-7d46-466a-8134-ffe778e56606" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De auteurs concluderen niettemin dat de uitleg dat bij <emphasis role="italic">follow-on</emphasis> vorderingen de gehele enkele (en voortdurende) inbreuk moet worden aangemerkt als de schadeveroorzakende gebeurtenis voor juist (en wenselijk) moet worden gehouden:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…] It is contended here that in SI cases, </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">the entire SI should be treated as the relevant harmful event for the purpose of establishing a causal link between harm and infringement</emphasis>
          <emphasis role="italic">. This interpretation of European competition law would, among other things, be simpler, in terms of substantive law, than any of its alternatives. It would also strengthen the alignment of the public and the private enforcement of the EU competition rules, enhance legal certainty, and reduce litigation costs</emphasis>.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.54</nr>
      <para>Aan de voorwaarde van een causaal verband tussen een enkele en voortdurende inbreuk en de mogelijke schade is in beginsel voldaan als voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten minste één transactie heeft plaatsgevonden die door de kartelgedragingen kan zijn ‘besmet’. Indien daarnaast de mogelijkheid van schade aannemelijk is (en daar mag bij een inbreuk op het kartelverbod ten aanzien van daaraan deelnemende ondernemingen in beginsel van uit worden gegaan), kan de rechter het geding naar de schadestaat verwijzen. Voor het vaststellen van de grondslag voor de aansprakelijkheid is daarom niet noodzakelijk dat alle specifieke transacties ter uitvoering van het kartel al in kaart zijn gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.55</nr>
      <para>Mij lijkt dat bij andere vormen van voortdurend onrechtmatig handelen, zoals hinder of oneerlijke mededinging, een zelfde benadering kan worden gevolgd, en wel op grond van het nationale recht. Bij hinder door opeenvolgende lozingen van giftige stoffen bijvoorbeeld kan aansprakelijkheid worden vastgesteld zonder dat vaststaat hoe vaak stoffen zijn geloosd en hoeveel daarvan precies is geloosd gedurende de periode dat er werd geloosd. Als vaststaat dat de lozingen hebben plaatsgevonden en aannemelijk is dat die tot schade hebben geleid, bijvoorbeeld aan landbouwgewassen, dan kan naar de schadestaatprocedure worden verwezen om de schade vast te stellen en de omvang daarvan te begroten of, als dat niet mogelijk is, die te schatten. Met dit (fictieve) voorbeeld wil ik illustreren dat reeds wegens het voortdurende karakter van een kartelinbreuk ook naar nationaal aansprakelijkheidsrecht betoogd kan worden dat het voor het vaststellen van de grondslag voor aansprakelijkheid kan volstaan dat ten minste één schadeveroorzakende gebeurtenis vaststaat, dus zonder dat het concept van enkele en voortdurende inbreuk hoeft te worden toegepast. Het voortdurende karakter van inbreuk heeft ook gevolgen voor het aanvangstijdstip van de verjaring. Dat tijdstip kan samenvallen met opeenvolgende gebeurtenissen (zodat de verjaringstermijn in de tijd opschuift), maar als daar onzekerheid over bestaat kan ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn is gaan lopen op het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgehouden te bestaan.<footnote-ref linkend="_c03a8246-df5d-49f4-b748-e3492c4d9e6e" /> In die benadering wordt dus ook geabstraheerd van individuele gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden gedurende de periode dat het onrechtmatig handelen heeft geduurd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.56</nr>
      <para>Ik wijs er verder op dat voor een gedaagde de benadering waarbij het vaststaan van één transactie (die mogelijk een schadepost heeft veroorzaakt) volstaat als grondslag voor aansprakelijkheid, uiteindelijk qua financiële uitkomst niet ongunstiger hoeft uit te pakken dan de benadering waarin pas naar de schadestaat kan worden verwezen als de grondslag voor aansprakelijkheid voor alle afzonderlijke transacties is vastgesteld. In beide situaties (schadebegroting in de hoofdzaak en schadebegroting in de schadestaatprocedure) is voor het toewijzen van een bepaald bedrag aan schadevergoeding vereist dat de schadepost per transactie wordt vastgesteld. Uitgangspunt daarbij is dat een transactie een of meer schadeposten kan doen ontstaan. Bij elkaar opgeteld leiden alle bewezen schadeposten tot het bedrag aan schade dat moet worden vergoed. De uitsplitsing per afzonderlijke transactie vindt dus wel degelijk plaats, maar <emphasis role="italic">in een latere fase</emphasis>: niet vooraf bij de vaststelling van de grondslag voor aansprakelijkheid in de hoofdprocedure (zo lang er voldoende bewijs is van ten minste één transactie), maar achteraf bij het onderzoek naar de omvang van de schade in het kader van de schadestaatprocedure.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(3)  Enkele buitenlandse uitspraken in kartelschadezaken</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.57</nr>
      <para>Ter afronding van dit juridisch kader wijs ik op enkele buitenlandse uitspraken.<footnote-ref linkend="_506ae5d8-6b2f-4188-bec4-aca674312dfc" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.58</nr>
      <para>Ik begin met een recente uitspraak van het <emphasis role="underline">Hof van Beroep Brussel</emphasis> in een andere liftenzaak.<footnote-ref linkend="_defe424e-5f34-4737-93f6-acc6da4af798" /> Daarin trad de Commissie op in een privaatrechtelijke hoedanigheid namens de Europese Unie.<footnote-ref linkend="_16c748b0-3242-4714-b7e9-39664498af04" /> Zij vorderde vergoeding van schade als gevolg van het liftenkartel in België en Luxemburg, namelijk schade die zou zijn geleden bij het sluiten van overeenkomsten van onderhoud en modernisering van liften in kantoorgebouwen van de Europese Unie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.59</nr>
      <para>Het Hof van Beroep oordeelt dat de Europese Unie moet bewijzen dat zij schade heeft geleden als gevolg van het liftenkartel. Het overweegt dat de Europese Unie niet wordt gehinderd door een informatie-asymmetrie, dat het Europese doeltreffendheidsbeginsel haar niet ontslaat van de op haar rustende bewijslast, en dat “<emphasis role="italic">voor het bewijs in mededingingsrecht niet een andere standaard geldt dan voor het gewone aansprakelijkheidsrecht</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_9b152512-9f35-4538-8522-3003b749c20e" /> Voor elk van de (twintig) door de Europese Unie in de inbreukperiode gesloten overeenkomsten met liftfabrikanten moet zij aantonen dat de kartelinbreuk schade heeft veroorzaakt. Verder overweegt het Hof van Beroep dat met het bestaan van de kartelgedragingen wel een verstoring van de mededinging is bewezen, maar niet een concreet nadeel van een welbepaalde marktdeelnemer. Voor een raming naar billijkheid is geen ruimte, want daaraan vooraf “<emphasis role="italic">gaat het bewijs dat er schade is, en dit is er niet</emphasis>”.<footnote-ref linkend="_32084a65-ae62-459a-89fb-ccfbe0bc3504" /> De conclusie luidt dat de Europese Unie niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij door concrete ‘fouten’ van de liftfabrikanten schade heeft geleden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.60</nr>
      <para>Verder wijs ik op Duitse rechtspraak over het vermoeden dat een kartel leidt tot hogere prijzen. Het <emphasis role="underline">Bundesgerichtshof</emphasis> (hierna: <emphasis role="bold">BGH</emphasis>) heeft meermaals geoordeeld dat wanneer een kartel is vastgesteld er een feitelijk vermoeden (<emphasis role="italic">tatsächliche Vermutung</emphasis>) geldt dat het kartel een opwaarts effect op de prijsvorming heeft gehad. Dat vermoeden wordt gebaseerd op een economisch ervaringsfeit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.61</nr>
      <para>Ik citeer als voorbeeld uit de uitspraak van 23 september 2020 in de zaak <emphasis role="italic">LKW Kartell I</emphasis>:<footnote-ref linkend="_9c2585a4-0829-4822-93b5-5aa99fe7d5d5" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“40 […] Der Bundesgerichtshof geht in ständiger Rechtsprechung davon aus, dass zugunsten des Abnehmers eines an einer Kartellabsprache beteiligten Unternehmens eine auf der hohen Wahrscheinlichkeit eines solchen Geschehens beruhende </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">tatsächliche Vermutung</emphasis>
          <emphasis role="italic"> - im Sinne eines Erfahrungssatzes - dafür streitet, </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">dass die im Rahmen des Kartells erzielten Preise im Schnitt über denjenigen liegen, die sich ohne die wettbewerbsbeschränkende Absprache gebildet hätten</emphasis>
          <emphasis role="italic"> […]. Grundlage dieses Erfahrungssatzes ist die wirtschaftliche Erfahrung, dass die Gründung und Durchführung eines Kartells regelmäßig zu einem Mehrerlös der daran beteiligten Unternehmen führt. Durch Kartellabsprachen sind die beteiligten Unternehmen jedenfalls in einem gewissen Umfang der Notwendigkeit enthoben, sich im Wettbewerb zur Erlangung von Aufträgen gegen konkurrierende Unternehmen durchzusetzen, und Unternehmen, die sich aufgrund solcher Absprachen nicht dem Wettbewerb, insbesondere dem Preiswettbewerb, stellen müssen, werden im Regelfall keinen Anlass sehen, bestehende Preissenkungsspielräume zu nutzen […].</emphasis>“</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit feitelijk vermoeden laat onverlet dat het bewijs van schade moet worden geleverd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.62</nr>
      <para>Verder wijs ik erop dat BGH meermaals heeft uitgemaakt dat in het Duitse recht naar aanleiding van iedere individuele transactie een zelfstandige vordering ontstaat. Ik verwijs naar de zaak <emphasis role="italic">Schienenkartell V</emphasis> (2020), waar het BGH overweegt:<footnote-ref linkend="_658088b8-3bea-4ba2-9f91-99ef87935402" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">"73 […] Das Berufungsgericht ist in Übereinstimmung mit der Rechtsprechung des Bundesgerichtshofs davon ausgegangen, dass die aus den einzelnen Erwerbsvorgängen abgeleiteten Schaden, welche die Klägerin geltend macht, materiell-rechtlich jeweils selbständige Ansprüche bilden […].”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In lijn daarmee overweegt het BGH in de zaak <emphasis role="italic">Stahl-Strahlmittel</emphasis> (2022):<footnote-ref linkend="_0c20fef6-9ac9-43c1-92f5-b0b7f2c1e635" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">70. “1. Die hinreichende Wahrscheinlichkeit eines Schadens muss für jeden einzelnen Schadenersatzanspruch vorliegen, dessen Bestehen festgestellt werden soll. […] Nach der Rechtsprechung des Bundesgerichtshofs bilden </emphasis><emphasis role="underline italic">die aus den einzelnen Beschaffungsvorgängen abgeleiteten Schäden, die die Klägerin geltend macht, materiell-rechtlich jeweils selbständige Ansprüche </emphasis><emphasis role="italic">[…]</emphasis>.“ </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uit de afzonderlijke aankooptransacties voortvloeiende schade levert materieelrechtelijk dus zelfstandige vorderingen op. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.63</nr>
      <para>Het BGH maakt voor de vraag of aansprakelijkheid is gevestigd een onderscheid tussen <emphasis role="italic">Kartellbetroffenheit </emphasis>en <emphasis role="italic">Kartellbefangenheit</emphasis>. <emphasis role="italic">Kartellbetroffenheit</emphasis> ziet op de vraag of het verboden kartel een grond <emphasis role="italic">kan</emphasis> vormen voor schade. De door het BGH gehanteerde maatstaf is namelijk of het vastgestelde mededingingsbeperkende gedrag de eiser direct of indirect schade <emphasis role="italic">kan</emphasis> berokkenen, hetzij door het sluiten van verkooptransacties voor producten die voorwerp van het kartel zijn, hetzij op andere wijze. Dit duidt het BGH aan als de <emphasis role="italic">‘haftungsbegründende Kausalität</emphasis>’. De effecten van het verboden gedrag op door de eiser afgesloten transacties staan hier buiten. <emphasis role="italic">Kartellbefangenheit</emphasis> daarentegen ziet juist wel op de concrete effecten van de verboden kartelafspraak op de individuele eiser. Als die effecten aannemelijk zijn gemaakt, dan is de concrete transactie ‘<emphasis role="italic">kartellbefangen’</emphasis> en is daarmee vastgesteld dat aannemelijk is dat de transactie een schadepost tot gevolg heeft gehad. Het effect van het kartel op verrichte aankooptransacties zorgt voor de ‘<emphasis role="italic">haftungsausfüllende Kausalität’</emphasis>. Daarmee staat dan naast het onrechtmatig handelen ook het causaal verband vast en is voldaan aan de aansprakelijkheidsvestigende voorwaarden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.64</nr>
      <para>Het voorgaande is verwoord in de zaak <emphasis role="italic">Schienenkartell II </emphasis>(2020):<footnote-ref linkend="_25b53773-5160-4efe-9e98-38c1f7dc9ef3" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">25. Vor diesem Hintergrund kommt dem </emphasis><emphasis role="underline italic">Merkmal der Betroffenheit</emphasis><emphasis role="italic"> im Sinne des § 33 Abs. 1 Satz 1 GWB 2005 bei der Prüfung des haftungsbegründenden Tatbestands eines kartellrechtlichen Schadensersatzanspruchs - ähnlich wie bei sonstigen Schadenersatzansprüchen, die eine Rechtsgutsverletzung nicht voraussetzen […] - Bedeutung nur für die Frage zu, ob dem Anspruchsgegner ein wettbewerbsbeschränkendes </emphasis><emphasis role="underline italic">Verhalten</emphasis><emphasis role="italic"> anzulasten ist, das - vermittelt durch den Abschluss von Umsatzgeschäften oder in anderer Weise - </emphasis><emphasis role="underline italic">geeignet ist, einen Schaden des Anspruchstellers mittelbar oder unmittelbar zu begründen</emphasis><emphasis role="italic"> […]. Für die Feststellung dieser Voraussetzungen gilt der Maßstab des § 286 ZPO. Im Streitfall sind sie ohne weiteres erfüllt, weil die Klägerin […] von der am Kartell beteiligten Beklagten Waren erworben hat, welche Gegenstand der Kartellabsprache waren.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">26. Zur </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Ermittlung der haftungsbegründenden Kausalität muss hingegen nicht festgestellt werden</emphasis>
          <emphasis role="italic">, ob sich die Kartellabsprache auf den in Rede stehenden Beschaffungsvorgang, auf den der Anspruchsteller seinen Schadensersatzbegehren stützt, tatsachlich ausgewirkt hat und das Geschäft damit in diesem Sinn “kartellbefangen" war. […] Auf eine solche „Kartellbefangenheit" des Erwerbsvorgangs </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">kommt es im Rahmen der Prüfung des haftungsbegründenden Tatbestands eines kartellrechtlichen Schadensersatzanspruchs damit nicht an</emphasis>
          <emphasis role="italic">.“</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">27. Die Frage nach der im vorstehenden Sinn verstandenen Kartellbefangenheit einzelner Erwerbsvorgänge ist gleichbedeutend mit der für den unionsrechtlich determinierten Schadensersatz maßgeblichen Frage nach dem ursächlichen Zusammenhang zwischen der Kartellabsprache und dem Vorliegen eines individuellen Schadens. Erweist sich, dass dem Anspruchsteller ein der Kartellabsprache zurechenbarer Schaden entstanden ist, steht zugleich fest, dass sich die verbotene Absprache nachteilig auf das Geschäft, insbesondere auf den gezahlten Preis, ausgewirkt hat. </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Diese Gesichtspunkte sind im Rahmen der Schadensfeststellung Gegenstand der haftungsausfüllenden Kausalität</emphasis>."</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In lijn daarmee wordt onder meer in de zaak <emphasis role="italic">LKW-Kartell II </emphasis>(2021) overwogen:<footnote-ref linkend="_63d0ce15-5c0c-4369-a177-92d59a41edbb" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">„Auf die weitergehende </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">Frage, ob sich die Kartellabsprache</emphasis>
          <emphasis role="italic"> auf den in Rede stehenden Beschaffungsvorgang, welchen der Anspruchsteller seinem Schadensersatzbegehren zugrunde legt, </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">tatsächlich nachteilig ausgewirkt hat</emphasis>
          <emphasis role="italic"> und das Geschäft damit in diesem Sinn „kartellbefangen" oder „kartellbetroffen" war, </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">kommt es im Rahmen der Prüfung der haftungsbegründenden Kausalität nicht an</emphasis>
          <emphasis role="italic">." </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En in de zaak<emphasis role="italic"> Schlecker </emphasis>(2022):<footnote-ref linkend="_cf1faf83-eea4-4eac-839e-8696d2887905" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Die Kartellbetroffenheit, die Voraussetzung des haftungsbegründenden Tatbestandes eines kartellrechtlichen Schadensersatzanspruchs ist, setzt lediglich voraus, dass das wettbewerbsbeschränkende Verhalten geeignet ist, einen Schaden des Anspruchstellers unmittelbar oder mittelbar zu begründen. Für die Feststellung dieser Voraussetzung gilt der Maßstab des § 286 ZPO. Auf die weitergehende Frage, ob sich der Kartellrechts Verstoß auf den in Rede stehenden Beschaffungsvorgang, welchen der Anspruchsteller seinem Schadensersatzbegehren zugrunde legt, tatsächlich ausgewirkt hat und das Geschäft damit in diesem Sinn "kartellbefangen" oder "kartellbetroffen" war, </emphasis><emphasis role="underline italic">kommt es bei der Prüfung der haftungsbegründenden Kausalität hingegen nicht an. Es bedarf daher nicht der Feststellung einer konkret-individuellen Betroffenheit […]</emphasis><emphasis role="italic">.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.65</nr>
      <para>Deze rechtspraak van de hoogste Duitse rechter biedt zijdelings (in deze zaak is immers Nederlands recht van toepassing) steun voor de opvatting dat aan het eerste vereiste voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldaan als het onrechtmatige gedrag <emphasis role="italic">kan</emphasis> leiden tot aansprakelijkheid en er (een of meer) transacties hebben plaatsgevonden waarop het aansprakelijkheidsvestigende causaal verband kan worden gebaseerd, zonder dat vereist is dat het aantal transacties en het effect van het kartelgedrag op de transacties vaststaat. Er is een tweedeling in de procedure die sterk vergelijkbaar lijkt te zijn met de procedure in Nederland: voor het in behandeling nemen van de vraag wat de concrete schade is, volstaat dat de schade zoals die wordt gevorderd geleden <emphasis role="italic">kan</emphasis> zijn; daarna wordt de concrete schade en de omvang daarvan onderzocht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.66</nr>
      <para>Daarmee kom ik nu toe aan de bespreking van de klachten van onderdeel 2. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bespreking van de klachten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.67</nr>
      <para>Het belangrijkste geschilpunt is of de grondslag van de aansprakelijkheid voldoende vaststaat (het hiervoor genoemde eerste vereiste voor verwijzing naar de schadestaatprocedure) als in de hoofdprocedure slechts één transactie tussen benadeelde en karteldeelnemer is vastgesteld. Dat de rechter niet in staat is om de schade dadelijk te begroten (het derde vereiste) staat tussen partijen vast.<footnote-ref linkend="_dc3e41b4-f68c-401e-b0f0-7a70a5ea656a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.68</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdelen 2.1 en 2.2</emphasis> bevatten rechtsklachten tegen het oordeel in <emphasis role="underline">rov. 6.29</emphasis> dat de voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure vast te stellen grondslag voor aansprakelijkheid is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel én tegen het oordeel in <emphasis role="underline">rov. 6.30</emphasis> dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gehaald als een woningcorporatie ten minste in één geval direct of indirect producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.69</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.1</emphasis> klaagt dat het hof in <emphasis role="underline">rov. 6.29</emphasis> miskent dat de grondslag voor aansprakelijkheid vereist dat een verbintenis bestaat tussen twee partijen, uit hoofde waarvan de ene partij jegens de andere partij verplicht is tot vergoeding van schade. De (enkele) onrechtmatige deelname aan het kartel is onvoldoende. Daarnaast is – in dit geval – nodig dat een transactie met een woningcorporatie is aangegaan waarover een meerprijs is gerekend, althans waarvoor die mogelijkheid voldoende aannemelijk is. De vaststelling van die transactie (of transacties) dient <emphasis role="italic">in de hoofdzaak</emphasis> plaats te vinden. Per woningcorporatie zal moeten worden vastgesteld waarop de aansprakelijkheid berust en terzake waarvan een schadevergoedingsverplichting is ontstaan. De inhoud en omvang van die verplichting kunnen in de schadestaatprocedure aan bod komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.70</nr>
      <para>De klacht in <emphasis role="underline">subonderdeel 2.2</emphasis> luidt dat, voor zover het hof in <emphasis role="underline">rov. 6.30</emphasis> bedoelt dat in de schadestaatprocedure schade kan worden toegewezen die het gevolg is van transacties die niet in de hoofdprocedure zijn vastgesteld, het hof miskent dat de transacties deel uitmaken van de grondslag waarop de aansprakelijkheid berust en daarom moeten worden vastgesteld in de hoofdprocedure om tot de conclusie te kunnen komen dat tussen Kone en een woningcorporatie een verbintenis bestaat uit hoofde waarvan Kone verplicht is tot schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.71</nr>
      <para>Mijns inziens heeft het hof met juistheid vastgesteld dat het onrechtmatig handelen van Kone (en de andere karteldeelnemers) bestaat uit hun deelname aan het ‘liftenkartel’. De transacties tussen afnemers en karteldeelnemers die tijdens de inbreukperiode tot stand zijn gekomen, leggen het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de gestelde schade.<footnote-ref linkend="_d95a0d88-3120-4997-ab12-57f1873a8363" /> Dit verband tussen inbreuk en schade moet in de hoofdprocedure aannemelijk worden gemaakt, omdat dit raakt aan de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding.<footnote-ref linkend="_a8007b10-b1d6-4bc7-89df-d7a2be84d7c7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.72</nr>
      <para>De kernvraag is vervolgens of voor het leggen van dat verband het bewijs dat ten minste één transactie heeft plaatsgevonden volstaat. Met het hof meen ik dat dit het geval is. Eén transactie kan al (enige) schade hebben veroorzaakt. Indien minstens één transactie kan worden vastgesteld die in materieel en temporeel opzicht binnen de reikwijdte van het liftenkartel valt, zijn zowel het bestaan van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en schade (een voorwaarde voor aansprakelijkheid) als de mogelijkheid van schade (een voorwaarde voor verwijzing naar de schadestaatprocedure) aannemelijk. Het voorgaande betekent dat het aantonen van <emphasis role="italic">een</emphasis> transactie een noodzakelijke maar ook een voldoende schakel is om het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de door DGL gestelde schade te kunnen aannemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.73</nr>
      <para>Niet dat alle transacties die tot schade kunnen leiden, moeten uitputtend in de hoofdprocedure zijn vastgesteld voordat een zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen. Zou dat wel zo zijn, dan zou een nieuwe transactie die tijdens de schadestaatprocedure boven water komt, buiten beschouwing moeten blijven met als gevolg dat een eventuele door die transactie ontstane schadepost niet voor vergoeding in aanmerking kan komen. Dat zou een nogal ongerijmde consequentie zijn van de door Kone verdedigde zienswijze en ik vraag mij af welk redelijk belang daarmee wordt gediend. Het buiten beschouwing laten van mogelijke vorderingen c.q. deelvorderingen valt ook niet te rijmen met het Unierechtelijke uitgangspunt dat de aan het kartel toe te rekenen schade <emphasis role="italic">volledig </emphasis>moet worden vergoed (zie hiervoor 3.49). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.74</nr>
      <para>In de schadestaatprocedure kunnen alleen die schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde onrechtmatige gedraging.<footnote-ref linkend="_ebfa9f05-c4dd-4ef8-85f0-928977b118bf" /> Schadeposten ontstaan doordat transacties zijn aangegaan die door kartelafspraken worden geraakt, zoals de meerprijs die wordt betaald voor de aanschaf van een lift of voor het aangaan van een servicecontract. De totale schade is de optelsom van de afzonderlijke schadeposten; daarop moet eventueel het aan eigen afnemers doorberekende deel van de meerprijs in mindering worden gebracht. Rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het feit dat in dit geval Kone er belang bij heeft om ook al in de hoofdprocedure verweermiddelen te kunnen aanvoeren tegen de vorderingen die aan DGL zijn overgedragen door bepaalde woningcorporaties,<footnote-ref linkend="_e947a74c-eb90-4ce8-8159-4ff923eb1f46" /> maakt niet dat enkel de in de hoofdprocedure vastgestelde transacties moeten kunnen ‘meedoen’ in de schadestaatprocedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.75</nr>
      <para>Hiervoor in 3.62 heb ik rov. 70 geciteerd uit het BGH-arrest in de zaak <emphasis role="italic">Stahl-Strahlmittel</emphasis>. <footnote-ref linkend="_cb65187d-1fd1-4053-aa64-4d7c8732cf9f" /> Kone ziet daarin een aanknopingspunt voor haar stelling dat moet worden uitgegaan van afzonderlijke vorderingen per transacties.<footnote-ref linkend="_a5751ad0-7f1c-4300-a9d1-7cf7c9e566d6" /> Dat is juist, maar niet relevant. In die zaak is in het Commissiebesluit dat ten grondslag lag aan de kartelschadevordering bij de Duitse rechter, de rechtsfiguur van de enkele en voortdurende inbreuk naar het lijkt niet toegepast.<footnote-ref linkend="_961992b7-731f-47d7-8cf3-a0917fe2f9f4" /> Verder lees ik rov. 70 uit genoemd arrest niet anders dan dat iedere afzonderlijke schadepost bewezen moet worden om te kunnen worden toegewezen. In geval van een vordering tot schadevergoeding op grond van Nederlands recht kan dat bewijs ook worden geleverd in de schadestaatprocedure, als de rechter de zaak daarnaar heeft verwezen. De vraag waar het in dit onderdeel om gaat is of het hof <emphasis role="italic">kon</emphasis> besluiten om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Voor het antwoord op die (procedurele) vraag bevat het zojuist weergegeven citaat uit het BGH-arrest geen relevante aanknopingspunten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.76</nr>
      <para>Voor de volledigheid merk ik tot slot het volgende op. De rechter dient er uiteraard ook in de schadestaatprocedure voor te zorgen dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt gerespecteerd. De rechter kan de vorderingen tot schadevergoeding ten belope van een bepaald bedrag toewijzen, maar hij kan ook tot de slotsom komen dat het bewijs van schade niet is geleverd. In dat laatste geval, of als komt vast te staan dat de gestelde schade nihil is, moet de vordering tot schadevergoeding alsnog worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.77</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.3</emphasis> is eveneens gekant tegen <emphasis role="underline">rov. 6.29 en 6.30</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.78</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">eerste klacht </emphasis>houdt in dat het hof heeft miskend dat het prijsopdrijvend effect op de betreffende transacties deel uitmaakt van de (feitelijke) grondslag waarop de aansprakelijkheid berust. Dit effect moet dus worden <emphasis role="italic">vastgesteld</emphasis> in de hoofdprocedure. Zonder die vaststelling is de mogelijkheid van schade nog niet aannemelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.79</nr>
      <para>De klacht gaat niet op. In de hoofdzaak moet worden bezien of de <emphasis role="italic">mogelijkheid </emphasis>dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is. Daar is in dit geval niet voor nodig dat het prijsopdrijvend effect wordt vastgesteld. Dat is een te hoge drempel voor de verwijzing naar de schadeprocedure, die erop op neer zou komen dat de gestelde schade <emphasis role="italic">aannemelijk</emphasis> moet zijn geworden. Volgens de Hoge Raad is dat een te vergaande eis.<footnote-ref linkend="_27e01759-3b19-4618-a1c2-b96cc87dfc37" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.80</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">tweede en derde klacht</emphasis> gaan eveneens uit van de veronderstelling dat het prijsopdrijvend effect zou moeten worden vastgesteld, De klachten falen om dezelfde reden als de eerste klacht van dit subonderdeel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.81</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">vierde klacht</emphasis> luidt dat het hof zijn oordeel in ieder geval onvoldoende heeft gemotiveerd, nu Kone het prijsopdrijvend effect aan de hand van economische rapporten heeft betwist. Het hof zou deze stellingen en rapporten ten onrechte niet in zijn beoordeling hebben betrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.82</nr>
      <para>De klacht gaat niet op. Het hof heeft in rov. 6.23 gerespondeerd op de stellingen en rapporten. Na de overweging dat uit de Beschikking kan worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad (rov. 6.18), overweegt het hof in rov. 6.23:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“6.23 De economische rapporten die partijen hebben overgelegd zijn geen reden om hier anders over te oordelen. In deze rapporten gaat het met name om de omvang van de mogelijke <emphasis role="italic">overcharge</emphasis> (de prijsverhoging die kan worden toegerekend aan het kartel). […] De discussie over de omvang van de <emphasis role="italic">overcharge</emphasis> hoort thuis in de schadestaatprocedure. In deze (hoofd)procedure volstaat dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk aannemelijk is. […]”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.83</nr>
      <para>Volgens <emphasis role="underline">subonderdeel 2.4</emphasis> zou per transactie moeten worden bezien of verwijzing naar de schadestaatprocedure is aangewezen. Uit de bespreking van subonderdeel 2.2 volgt reeds dat ook deze klacht faalt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.84</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.5</emphasis> richt een klacht tegen oordelen in rov. 6.11 en 6.80. Deze oordelen lijden volgens Kone aan dezelfde gebreken als aangevoerd in subonderdelen 2.1 t/m 2.4. Voor zover hier relevant citeer ik deze overwegingen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“6.11 Het kan overigens in deze procedure in het midden blijven of het kartel daadwerkelijk alle transacties op de markten voor de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften omvatte. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de Beschikking volgt dat het kartel een veelomvattende, langdurige en systematische inbreuk betrof, die de mededinging op de desbetreffende markten in heel Nederland heeft beperkt. Die afbakening van de reikwijdte van het kartel is voldoende om te kunnen beoordelen of de mogelijkheid van schade ten aanzien van een woningcorporatie aannemelijk is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.80 […]</nr>
      <para>De beoordeling van schadeposten in de hoofdprocedure heeft tot doel om vast te stellen of ten aanzien van een woningcorporatie de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Het hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat die drempel is gehaald ten aanzien van een woningcorporatie als is gebleken dat de woningcorporatie ten minste in één geval tijdens de inbreukperiode direct of indirect producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen. In de hoofdprocedure kan dus voor de verwijzing van een woningcorporatie naar de schadestaatprocedure worden volstaan met de vaststelling dat deze drempel in één geval is gehaald. […].”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.85</nr>
      <para>In rov. 6.80 baseert het hof zich op het in rov. 6.30 vervatte oordeel over de te hanteren drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Omdat tegen dit oordeel klachten zijn gericht die niet slagen (zie subonderdeel 2.2), faalt ook de klacht gericht op rov. 6.80. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.86</nr>
      <para>In rov. 6.11 oordeelt het hof in essentie dat op basis van de Beschikking ervan kan worden uitgegaan dat de mededinging is beperkt op alle relevante markten. Daarmee staat volgens het hof vast dat indien een transactie met de karteldeelnemers heeft plaatsgevonden, deze transactie zal zijn geraakt door de kartelinbreuk. Dit impliceert niet het in rov. 6.30 (en 6.80) vervatte oordeel dat de drempel voor de schadestaatprocedure is dat van één transactie per woningcorporatie is gebleken. De klacht faalt dus ook voor zover zij is gericht op rov. 6.11.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.87</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.6</emphasis> omvat meerdere klachten. De <emphasis role="italic">eerste klacht</emphasis> behelst dat het hof niet of onvoldoende heeft gereageerd op de stellingen van Kone dat de vraag of een partij meer dan één overeenkomst heeft gesloten de grondslag en omvang van de aansprakelijkheid beïnvloedt. De passage die de feitelijke grondslag vormt voor deze klacht (memorie van grieven onder 4.8) is aangevoerd onder het kopje ‘<emphasis role="italic">Grief V: De rechtbank heeft ten aanzien van de vraag of de mogelijkheid van schade aannemelijk is een onjuiste maatstaf toegepast</emphasis>”. In <emphasis role="underline">rov. 6.29</emphasis> wordt daar niet of onvoldoende op gerespondeerd, aldus Kone. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.88</nr>
      <para>De klacht faalt omdat in rov. 6.30 wél voldoende gemotiveerd is gerespondeerd. Het hof oordeelt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het voor verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig is om voor meer dan één geval per woningcorporatie te laten zien dat producten en/of diensten zijn afgenomen van een karteldeelnemer tijdens de inbreukperiode. Het hof vervolgt: “<emphasis role="italic">[…] In dat geval bestaat immers de mogelijkheid dat die woningcorporatie schade heeft geleden als gevolg van het kartel. </emphasis><emphasis role="underline italic">Voor de vestiging van aansprakelijkheid</emphasis><emphasis role="italic"> is voldoende dat het aannemelijk is dat een woningcorporatie mogelijk schade heeft geleden. […]</emphasis>” Kortom, het hof verwerpt de stelling van Kone.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.89</nr>
      <para>Het hof heeft gelet op het vorenstaande dus niet, zoals Kone bij de<emphasis role="italic"> tweede klacht </emphasis>als uitgangspunt hanteert, de stellingen van Kone zo uitgelegd dat haar standpunt beperkt zou zijn tot de stelling dat voor iedere transactie moet worden nagegaan of daarmee onrechtmatig gehandeld is. Daarop stuit de klacht af. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.90</nr>
      <para>In <emphasis role="underline">subonderdeel 2.7</emphasis> richt Kone haar pijlen nog eens op ‘de in de subonderdelen 2.1 t/m 2.6 bestreden oordelen’. <emphasis role="italic">Ten eerste</emphasis> zijn die oordelen onjuist. Het zou in strijd met de goede procesorde zijn te verwijzen naar de schadestaatprocedure op basis van de onrechtmatige deelname van Kone aan de kartelinbreuk en de vaststelling dat een woningcorporatie tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met één van de kartellisten. Kone kon zich immers niet behoorlijk verweren tegen de door DGL ingestelde vorderingen, omdat niet of onvoldoende gemotiveerd is gesteld welke transacties de woningcorporaties zijn aangegaan. <emphasis role="italic">Ten tweede</emphasis> betoogt het subonderdeel dat niet valt in te zien waarom DGL deze feiten niet in deze fase van de procedure zou kunnen stellen en later in de schadestaatprocedure wel. <emphasis role="italic">Ten derde</emphasis> zou art. 24 Rv zijn geschonden en/of de oordelen onvoldoende zijn gemotiveerd doordat is nagelaten het beroep van Kone op de goede procesorde (kenbaar) in de beoordeling te betrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.91</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">eerste klacht</emphasis> faalt omdat Kone miskent dat zij alleen datgene moet kunnen betwisten wat DGL in het kader van haar stelplicht moet aanvoeren. Volgens de vaststellingen van het hof behelst dat in dit geval niet meer dan gegevens over één transactie per woningcorporatie. Indien Kone zich tegen het oordeel van het hof over het aantal benodigde transacties heeft kunnen verweren, zal van strijd met de goede procesorde (in de door Kone bedoelde zin) geen sprake zijn. Dat volgt mede daaruit dat indien DGL iets niet of onvoldoende gemotiveerd stelt, aan de betwisting van Kone niet wordt toegekomen. Als de lat van de stelplicht wel wordt gehaald, kunnen tegenover een weinig gemotiveerde stelling in beginsel geen hoge eisen aan de betwisting worden gesteld. Stellen en betwisten vormen in zoverre communicerende vaten.<footnote-ref linkend="_ecf3ef5c-b08d-4b8a-a66c-2464e6ba2ba3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.92</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">tweede klacht</emphasis> faalt omdat Kone het verschil miskent tussen wat DGL zou <emphasis role="italic">kunnen</emphasis> stellen in de hoofdprocedure en wat DGL in de hoofdprocedure zou <emphasis role="italic">moeten</emphasis> stellen, gelet op haar vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure. Wat DGL allemaal zou kunnen stellen in de hoofdprocedure doet niet ter zake.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.93</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">derde klacht</emphasis> faalt wegens gebrek aan belang. Zoals ik zojuist uiteenzette, is er geen sprake van strijd met de goede procesorde (in de door Kone bedoelde zin), zodat zelfs als het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd, dit niet tot cassatie kan leiden. Verder is het beroep van Kone op de goede procesorde reeds impliciet is verworpen. Het hof verwerpt in rov. 6.28 e.v. immers het standpunt van Kone (zoals weergegeven in rov. 6.26) dat DGL voor elke transactie meer informatie moet verstrekken voordat verwijzing naar de schadestaatprocedure aan de orde kan zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.94</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Subonderdeel 2.8</emphasis> bevat een voortbouwklacht. De klacht faalt nu de eerdere klachten waarop wordt voortgebouwd falen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 3: doorberekeningsverweer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.95</nr>
      <para>In dit onderdeel staat <emphasis role="underline">rov. 6.112 en 6.113</emphasis> centraal. Deze overwegingen luiden als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">(v) Doorberekening van de (gestelde) prijsverhoging</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[…]</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.112 In de hoofdprocedure moet worden vastgesteld of de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat is voldoende voor de vestiging van aansprakelijkheid. Vervolgens kan in de schadestaatprocedure de omvang van de schade worden vastgesteld. In dat kader kan worden beoordeeld of de prijsverhogingen als gevolg van het kartel gedeeltelijk zijn doorberekend. <emphasis role="underline">Het doorberekeningsverweer staat slechts aan verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg als op voorhand moet worden aangenomen dat prijsverhogingen als gevolg van het kartel integraal zijn doorberekend.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.113 De stelplicht en bewijslast van de doorberekening rusten op Kone (vgl. artikel 13 van de Kartelschaderichtlijn; de Nederlandse wetgever vond het niet nodig om dit speciaal voor kartelschade vast te leggen, omdat dit reeds voortvloeit uit de bewijslastverdeling van artikel 150 Rv). <emphasis role="underline">Als Kone op grond van dit (bevrijdende) verweer wil voorkomen dat aansprakelijkheid wordt vastgesteld, zal Kone dus moeten onderbouwen dat mogelijke schade geleden als gevolg van het kartel volledig is doorberekend.</emphasis> Aan deze stelplicht heeft Kone niet voldaan. Kone heeft slechts aangevoerd dat de rechtbank ook tot het oordeel had kunnen komen dat er wel voldoende aanwijzingen zijn dat eventuele prijsverhogingen volledig zijn doorberekend. Zij heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die tot dat oordeel kunnen leiden.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.96</nr>
      <para>Het middel richt (alleen) een rechtsklacht tegen de maatstaf die het hof hanteert bij de beoordeling van het doorberekeningsverweer in de hoofdprocedure (onderstreept in het hiervóór opgenomen citaat). Deze maatstaf zou te streng zijn. Het doorberekeningsverweer kan volgens Kone al aan verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg staan indien op basis van door partijen ingenomen stellingen aannemelijk is dat de mogelijke prijsverhogingen als gevolg van de kartelinbreuk zijn doorberekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.97</nr>
      <para>Naar mijn mening heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. De mogelijkheid dat de door het kartel veroorzaakte prijsverhogingen zijn doorberekend staat aan verwijzing naar de schadestaatprocedure niet in de weg. Grond voor verwijzing ontbreekt alleen indien voldoende reden bestaat te oordelen dat in het geheel geen schade is geleden, bijvoorbeeld omdat de integrale schade is afgewenteld op derden,<footnote-ref linkend="_c4806c76-942c-4cb0-bfbc-7189d1764f5e" /> zoals het hof met juistheid overweegt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 4: groepsaansprakelijkheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.98</nr>
      <para>In <emphasis role="underline">subonderdeel 4.1</emphasis> klaagt Kone over <emphasis role="underline">rov. 6.120</emphasis>. Deze overweging luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“6.66 <emphasis role="underline">Op grond van artikel 6:166 BW zijn de deelnemers aan een groep hoofdelijk aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onrechtmatige gedragingen van andere deelnemers, indien</emphasis> de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en deze gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend. De bestrijding door Kone van aansprakelijkheid op grond van deze bepaling berust op het onjuiste uitgangspunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten is gelegen in de concrete verdeling van opdrachten. Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat de grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan het kartel (zie 6.50 van dit arrest). Deelname aan het kartel kon schade toebrengen aan de gebruikers, waaronder de claimhouders. Het kartel was er immers op gericht om de mededinging tussen de karteldeelnemers te beperken, waardoor de prijzen voor de gebruikers konden worden verhoogd. De karteldeelnemers wisten dat het kartel een prijsopdrijvend effect kon hebben, en hebben de kans aanvaard dat de gebruikers daardoor schade zouden lijden. Aangezien zij bewust aan het kartel hebben deelgenomen, kunnen de gedragingen van de andere karteldeelnemers ook aan hen worden toegerekend. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW en zijn de liftfabrikanten hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.99</nr>
      <para>Volgens Kone getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting <emphasis role="italic">indien</emphasis> het hof heeft miskend dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW sprake moet zijn van schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad van één van de tot de groep behorende personen. Ook voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW moet dus voldaan zijn aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. </para>
      <para />
      <para>3.100 De klacht treft geen doel. Uit de eerste zin van rov. 6.66 (onderstreept in het citaat) blijkt dat het hof niet heeft miskend dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW is vereist dat één van de tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt.<footnote-ref linkend="_0a5a5802-fdb2-4ab7-aa8f-368ce5330373" /></para>
      <para />
      <para>3.101 Voor zover voormelde klacht ook wordt gericht tegen rov. 6.29 faalt zij evenzeer. Uit die overweging blijkt op geen enkele manier dat het hof heeft miskend dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW sprake moet zijn van schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad van één van de tot de groep behorende personen.</para>
      <para />
      <para>3.102 <emphasis role="underline">Subonderdeel 4.2</emphasis> bevat een voortbouwklacht die het lot van subonderdeel 4.1 deelt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderdeel 5: concreetheid en bepaalbaarheid vorderingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3.103 De klacht in dit onderdeel is gericht tegen <emphasis role="underline">rov. 6.129</emphasis>. In zijn context weergegeven, luidt deze overweging als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">(vii) De bepaalbaarheid van de eisvermindering</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.125 Naar aanleiding van de minnelijke regeling met ThyssenKrupp heeft SECC haar eis verminderd met het bedrag van de bijdrageplicht van ThyssenKrupp als hoofdelijk medeschuldenaar jegens Kone. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.4 van het eindvonnis overwogen dat deze eisvermindering voldoende concreet is, zodat er geen reden is de vordering af te wijzen wegens onvoldoende bepaaldheid, zoals Kone had bepleit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van Kone</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.126 Kone komt hiertegen op met grief XI. Volgens Kone raakt de eisvermindering aan de omvang van de aansprakelijkheid, en moet dus in de hoofdprocedure worden vastgesteld met welk bedrag de vorderingen van SECC zijn verminderd. Kone stelt dat als hoofdelijke aansprakelijkheid komt vast te staan, de interne draagplicht tussen de karteldeelnemers moet worden vastgesteld aan de hand van de overeenkomsten gesloten tussen de claimhouders en de karteldeelnemers. Volgens Kone kan zij niet aansprakelijk worden gehouden voor schade voortgekomen uit overeenkomsten aangegaan door claimhouders met ThyssenKrupp waarbij Kone niet is betrokken. De interne draagplicht van ThyssenKrupp moet dus in deze hoofdprocedure komen vast te staan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[…] </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.128 Op grond van artikel 6:14 BW kan een schuldeiser een hoofdelijk schuldenaar van zijn verplichting tot bijdragen jegens een medeschuldenaar bevrijden door zich jegens deze laatste te verbinden zijn vordering op hem te verminderen met het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden. SECC beoogt kennelijk met haar eisvermindering te bereiken dat SECC, als later komt vast te staan dat het bedrag dat SECC in het kader van de schikking met ThyssenKrupp heeft ontvangen ten opzichte van het toewijsbare bedrag te laag is geweest, het verschil niet van Kone kan vorderen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.129 <emphasis role="underline">Het hof overweegt dat voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van Kone in deze procedure niet nodig is dat de omvang van de interne draagplicht van de karteldeelnemers vast komt te staan.</emphasis> De grief van Kone is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten berust op de ad hoc verdeling van afzonderlijke projecten, zodat per project moet worden vastgesteld welke liftfabrikanten bij die verdeling waren betrokken en (hoofdelijk) aansprakelijk zijn jegens de benadeelden voor de schade veroorzaakt door de verdeling van dat project. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, vloeit de aansprakelijkheid van Kone voort uit de onrechtmatige deelname aan het kartel en is Kone dus hoofdelijk aansprakelijk voor de door het kartel veroorzaakte schade. Daarom <emphasis role="underline">is de eisvermindering van SECC niet van belang voor de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, maar voor de omvang van de schadevergoeding waarop SECC jegens Kone aanspraak kan maken. De omvang van de schadevergoeding kan in de schadestaatprocedure worden vastgesteld.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.130 De grief van Kone slaagt dus niet.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3.104 Volgens Kone is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, gelet op de stellingen die zij aan grief IX ten grondslag heeft gelegd. DGL heeft haar eis verminderd met het deel waarvoor Schindler, Mitsubishi en ThyssenKrupp in verhouding tot Kone en Otis draagplichtig zijn. DGL heeft niets over die interne draagplicht gesteld. De eisvermindering raakt de omvang van de aansprakelijkheid, niet slechts de schadebegroting, en dient dus in de hoofdzaak te worden vastgesteld. Om dit te illustreren heeft Kone voorbeelden gegeven van manieren waarop de interne draagplicht kan worden vastgesteld, uitgaande van het <emphasis role="italic">ad hoc</emphasis> karakter van de inbreuk. Het oordeel van het hof dat grief IX berust op de <emphasis role="italic">ad hoc</emphasis> verdeling van afzonderlijke projecten zou een onbegrijpelijke uitleg aan deze stellingen geven en ook de verdere overwegingen van het hof zouden geen voldoende (begrijpelijke) reactie op deze stellingen vormen.</para>
      <para />
      <para>3.105 De klacht faalt reeds bij gebrek aan belang omdat Kone rov. 6.126 niet heeft aangevochten. Daar geeft het hof een uitleg aan de grief van Kone, en niet in rov. 6.73. Wat er verder ook zij van de uitleg van de grief van Kone, het oordeel van het hof ( laatste twee zinnen rov. 6.129) dat de vraag naar de interne draagplicht (na de schikkingen met drie andere liftfabrikanten) in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen, en niet raakt aan de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, acht ik juist.<footnote-ref linkend="_25323832-8017-40c6-b3c6-e87a042535d6" /> Dat betekent dat de vordering van DGL, ook na eisvermindering, voldoende concreet en bepaalbaar is om tot toewijzing in de hoofdzaak te kunnen komen zonder dat de interne draagplicht aan de orde hoeft te komen, zoals het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Slotsom</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Nu geen van de klachten doel treft dient het beroep van Kone te worden verworpen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Ik zie geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De vraag of een geding naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen is een vraag van nationaal recht. Bij toetsing aan het eerste criterium voor verwijzing naar de schadestaat dient naar mijn mening weliswaar te worden aangesloten bij de bindende vaststelling in de Beschikking van de Commissie dat een enkele en voortdurende inbreuk heeft plaatsgevonden, maar ook als daarvan wordt geabstraheerd kon het hof nog steeds, in navolging van de rechtbank, op nationaalrechtelijke gronden oordelen dat naar de schadestaatprocedure kon worden verwezen. De juistheid van deze beslissing hangt dus niet af van de uitleg van het Unierecht. Het lijdt in elk geval geen twijfel dat het Unierecht zich niet verzet tegen de beslissing van het hof om het geding naar de schadestaat te verwijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ce3ba467-de28-48b8-8e65-8c6b0eeb67aa" label="1">
    <para> 	Gebaseerd op par. 3 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:GHDHA:2024:132. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d76fa62-3902-4d66-abb5-034cdbab21b4" label="2">
    <para> 	Indirecte afnemers zijn partijen die liftinstallaties afnemen via bijvoorbeeld een aannemer of projectontwikkelaar.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bf2573f-cda4-41a1-9f79-83348e495f9b" label="3">
    <para> 	Beschikking van de Commissie van 21 februari 2007, C (2007) 512 final. Deze beschikking is in de Engelse taal te raadplegen op: https://ec.europa.eu/competition/antitrust/cases/dec_docs/38823/38823_1340_4.pdf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c8f12391-a859-4e10-a758-2f17c3bd2ad2" label="4">
    <para> 	In die tijd werd nog gesproken van een ‘beschikking’. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon per 1 december 2009 is deze term vervangen door de term ‘besluit’. Zie art. 288, 4e alinea, VWEU.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9f386d42-1acb-4e0a-aef5-9b7374c91256" label="5">
    <para> 	In deze conclusie zal ik consequent verwijzen naar art. 101 VWEU, zoals geldend sinds 1 december 2009. Voordien was deze bepaling genummerd als art. 85 EEG en vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 als art. 81 EG. Die laatste nummering wordt gebruikt in de Beschikking.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9fb60e96-5b5d-45cf-a03f-3c5c4a8a5227" label="6">
    <para> 	Dit persbericht is te raadplegen op: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_07_209.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_08b03ba6-6037-4947-9d53-af228997f91a" label="7">
    <para>
      <emphasis role="italic">Pb</emphasis>. C 75 van 26 maart 2008, p. 19–24.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26536fbd-6dda-4ae9-8481-3d51e9b3e584" label="8">
    <para> 	Gerecht 13 juli 2011, T‑151/07, ECLI:EU:T:2011:365 (<emphasis role="italic">Kone/Commissie</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5f19c69-5d4f-4aed-9ff4-432819bc21bd" label="9">
    <para> 	HvJ 24 oktober 2013, C‑510/11 P, ECLI:EU:C:2013:696 (<emphasis role="italic">Kone/Commissie</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53d8f002-df13-4968-b5f4-9cc631105615" label="10">
    <para> 	Deze brief is overgelegd als (onderdeel van) productie 16 bij de conclusie van repliek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_146f98e1-8478-48c9-9f0d-062be50b7152" label="11">
    <para> 	Deze brief is overgelegd als (onderdeel van) productie 17 bij de conclusie van repliek van 21 maart 2018.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6eb4dff6-153b-4c01-8608-7bb324522237" label="12">
    <para> 	Productie 18 bij conclusie van repliek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3c681ca-25bd-438a-a685-1f79f8b945ad" label="13">
    <para> 	Het procesverloop is gebaseerd op par. 4 en 5 van het bestreden arrest. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ca21269-c52d-4f52-b48f-42c49a9d2a07" label="14">
    <para> 	Rb. Rotterdam 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8230.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_66daec2f-58fd-4a5d-b8c4-69ba090e5492" label="15">
    <para> 	HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ed172e9-93c3-4f79-bfcf-5f4f3d59ddc3" label="16">
    <para> 	Rb. Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b33319c-0c7a-4a40-870c-3985e17f2342" label="17">
    <para>
      <emphasis role="italic">Umbrella pricing </emphasis>is het fenomeen dat aanbieders die niet deelnemen aan een kartel hun prijzen als gevolg van dat kartel op een hoger niveau hebben vastgesteld dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest. De betaalde meerprijs vormt schade. Daarvoor kunnen niet die andere aanbieders aansprakelijk worden gehouden omdat zij geen inbreuk hebben gepleegd en dus niet onrechtmatig hebben gehandeld. Deze schade wordt toegerekend aan de ondernemingen die wel aan het kartel hebben deelgenomen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_767ff9ee-b051-4830-9550-1f4b7426e49f" label="18">
    <para> 	In rov. 4.29 motiveert de rechtbank in detail waarom voor een groot aantal van de opgevoerde claimhouders SECC onvoldoende had onderbouwd dat in hun geval de mogelijkheid dat zij schade hebben geleden aannemelijk was. De rechtbank heeft dat per claimhouder op grond van de door SECC overgelegde stukken onderzocht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_27f5a3fb-77b1-4305-84f9-01479f9e5d39" label="19">
    <para> 	De rechtbank besliste in het tussenvonnis en eindvonnis in twee aparte procedures. Kone stelde in de ene procedure hoger beroep in (zaaknummer hof: 200.304.621) en SECC in de andere (zaaknummer hof: 200.304.673). Er hoefde daarom geen incidenteel appel te worden ingesteld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ed8ff2c3-4258-41bd-a695-476d26499372" label="20">
    <para> 	Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:132.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a2cee1e-fb4f-4908-ba72-0ab30b877043" label="21">
    <para> 	Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, <emphasis role="italic">Pb</emphasis> L 349 van 5 december 2014, p. 1-19. Deze richtlijn wordt soms aangeduid als ‘Schaderichtlijn’ (<emphasis role="italic">Damages Directive</emphasis>). Omdat ‘Schaderichtlijn’ door niet-specialisten mogelijk niet wordt geassocieerd met inbreuken op het mededingingsrecht vind ik de term ‘Kartelschaderichtlijn’ duidelijker. Dat de richtlijn van toepassing is op schadevergoedingsvorderingen na mededingingsinbreuken in het algemeen en niet alleen na een kartel, laat onverlet dat de meeste zaken betrekking hebben op schade veroorzaakt door een kartel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6fbd2203-cdc4-4f5d-b269-6140b19e87a9" label="22">
    <para> 	Daarmee wordt bedoeld het fenomeen dat in sommige gevallen inbreuken op het mededingingsrecht ook nadat zij zijn beëindigd nog enige tijd schade kunnen blijven veroorzaken zo lang de ex-karteldeelnemers in staat zijn om individueel hogere prijzen te hanteren, totdat de ‘normale’ concurrentieverhoudingen zijn hersteld.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_19509356-0d5b-41af-92a5-28e7c7f224f1" label="23">
    <para> 	Deze twee claimhouders zijn dus in hoger beroep afgevallen. Van de 122 claimhouders op de lijst zijn er in eerste aanleg 14 afgevallen op grond van verjaring en (108-19=) 89 op de grond dat de mogelijkheid van schade onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Daar zijn in hoger beroep dus nog twee afvallers bijgekomen. Uiteindelijk blijven er (19-2)=17 claimhouders over die aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a98258b-3ca6-45df-8f32-d163dea0fe46" label="24">
    <para> 	De voetnoten in het origineel zijn weggelaten. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc823f03-2c65-4542-b022-243e1b06151d" label="25">
    <para> 	Over dit onderscheid bestaat veel rechtspraak en een zeer omvangrijke literatuur. Rechtspraakverwijzingen zijn te vinden in de schriftelijke toelichting van Kone, nrs. 2.1.7-2.18 en in de schriftelijke toelichting van SECC, nrs. 16-27. Verder verwijs naar HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/307 m.nt. R. Wesseling, rov. 3.4.2 (<emphasis role="italic">SGD/Agib)</emphasis> en naar mijn conclusie in zaak 17/03184, ECLI:NL:PHR:2018:522 (<emphasis role="italic">HEM/Jumbo</emphasis>) voorafgaand aan HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1177 (art. 81 RO).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f9543993-6b3e-422f-9201-e1ddc46d3de8" label="26">
    <para> 	Zie o.a. HvJ 11 september 2014, C-67/13 P, ECLI:EU:C:2014:2204 (<emphasis role="italic">Cartes Bancaires</emphasis>), punten 49-51.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff4beb25-f384-4b87-a15d-f51660162514" label="27">
    <para> 	Verordening 1/2003/EG van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (<emphasis role="italic">Pb</emphasis> L 1 van 4 januari 2003, p. 1). Deze verordening is van toepassing vanaf 1 mei 2004. De in art. 16 neergelegde regel vormt een codificatie van HvJ 14 december 2000, C-344/98, ECLI:EU:C:2000:689 (<emphasis role="italic">Masterfoods en HB</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_76d99dd6-953f-4ebe-acbe-66f5afc7d9ea" label="28">
    <para> 	Zie de schriftelijke toelichting van Kone, nr. 2.1.5. Zie ook BGH 23 september 2020, KZR 35/19, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19, rov. 24: “<emphasis role="italic">[…] Die Bindungs- oder Feststellungswirkung erstreckt sich mithin auf alle Feststellungen tatsächlicher oder rechtlicher Natur, mit denen die Wettbewerbsbehörde einen Verstoß gegen das materielle Wettbewerbsrecht begründet. […]</emphasis>“</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8c4e1f7-380f-4361-ac35-2a0e0a7d938b" label="29">
    <para> 	Zie de considerans van Verordening 1/2003, punt 22. Vgl. D. Ashton, <emphasis role="italic">Competition Damages Actions in the EU and the UK</emphasis>, Cheltenham: Edward Elgar Publishing 2023, p. 250 (par. 10.006): “<emphasis role="italic">It should be remembered that the scope of the rule contained in Article 16(1) is that the national court is under a duty to abstain from a decision which conflicts with an actual or intended Commission decision (a </emphasis>negative duty of abstention<emphasis role="italic">), rather than that the national court is absolutely bound by a Commission decision </emphasis>(positive binding effect)<emphasis role="italic">. […]</emphasis>”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b1d183c-c912-4373-9016-8302294dded1" label="30">
    <para> 	Overigens luidt de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “<emphasis role="italic">By dividing markets and customers, the undertakings did not compete for market shares and customers </emphasis><emphasis role="underline italic">and succeeded in manipulating the market price</emphasis><emphasis role="italic"> and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.</emphasis>” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_839c8ea8-3183-44fd-82e4-e17a71cb99ec" label="31">
    <para> 	Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2024/287, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2024/46 m.nt. F.L.A. Roosmale Nepveu &amp; R.A.G. de Vaan (<emphasis role="italic">Solidiam Vorderingen/erfgenamen</emphasis>), rov. 3.2; HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2023/114, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. In dat laatste arrest verwerpt de Hoge Raad het criterium dat de gestelde schade aannemelijk zou moeten zijn. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3da869e5-7f83-470a-943a-4bd7da31c2a5" label="32">
    <para> 	G. de Groot, in: <emphasis role="italic">GS Burgerlijke Rechtsvordering</emphasis>, art. 149 Rv, aant. 6.2 (actueel t/m 17 augustus 2024) onder verwijzing naar o.a. Rutgers, Flach &amp; Boon (red.), <emphasis role="italic">Parl. Gesch. Bewijsrecht</emphasis> 1988, p. 84 (<emphasis role="italic">MvA EK</emphasis>) en HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2006/282 m.nt. M.M. Mendel (<emphasis role="italic">London/Aegon</emphasis>), rov. 4.2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f65626a7-9f46-4626-abf9-d878816a8d90" label="33">
    <para> 	Zie ook HR (strafkamer) 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, <emphasis role="italic">AA</emphasis> 2016/753 m.nt. L.G.M. Stevens, rov. 2.4: “<emphasis role="italic">[…] De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Overigens is het oordeel van het Hof dat de onderhavige gegevens kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ook niet zonder meer begrijpelijk. </emphasis><emphasis role="underline italic">Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen</emphasis><emphasis role="italic"> en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b2564a5-e34f-4a81-92ce-886dc0d46970" label="34">
    <para> 	Asser Procesrecht/Asser 3 2023/97.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3898307c-5940-44a8-b719-6dd4d4a2167c" label="35">
    <para> 	HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6196, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/92 (<emphasis role="italic">[…] e.a./ Golden Anchor Club e.a.</emphasis>), rov. 5.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_631e9fbc-39b1-4365-a49f-f2eb63a8698b" label="36">
    <para>Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), <emphasis role="italic">Cassatie</emphasis> 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2128, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1998/415 m.nt. C.J.H. Brunner (<emphasis role="italic">[…] /Staat</emphasis>), rov. 3.4.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2937efa1-73e2-4f0a-9678-8c88b3dbf576" label="37">
    <para>Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), <emphasis role="italic">Cassatie</emphasis> 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2006/282, m.nt. M.M. Mendel (<emphasis role="italic">London/Aegon</emphasis>), r.o. 4.2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_797c41e7-27a6-41a9-bfac-8bf4c4c299d6" label="38">
    <para> 	Dit blijkt overigens duidelijker uit de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “<emphasis role="underline italic">By dividing markets and customers, the undertakings</emphasis><emphasis role="italic"> did not compete for market shares and customers and </emphasis><emphasis role="underline italic">succeeded in manipulating the market price</emphasis><emphasis role="italic"> and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.</emphasis>” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_661890dd-94a9-4f85-841f-fdb9af2fa08b" label="39">
    <para> 	Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, COM (2013) 404 final, p. 21. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_718ea31d-05b9-48a5-a149-4acea9103191" label="40">
    <para> 	Vgl. G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3 (actueel t/m 17 augustus 2024): “<emphasis role="italic">Het niet of niet voldoende betwisten van een feit of recht kan diverse vormen aannemen. […] Het komt ook voor dat een partij een door de wederpartij gesteld feit </emphasis><emphasis role="underline italic">weliswaar met een eigen verhaal weerspreekt, maar die weerspreking in het licht van de ingeroepen rechtsgevolgen, het partijdebat of andere omstandigheden van het geval onvoldoende wordt geacht</emphasis><emphasis role="italic"> om als gemotiveerde betwisting te kunnen worden aangemerkt. Ook dit geval kan in beginsel worden geschaard onder het niet voldoende betwisten van een feit als bedoeld in art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv. […].</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65f4343e-93b8-4b51-b4f4-e6d017404037" label="41">
    <para> 	Kone verwijst in haar schriftelijke toelichting nr. 3.1.8 naar het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.17-2.18 (<emphasis role="italic">Trucks</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_51ff7310-d171-4b2d-bd18-23eeadf08dcb" label="42">
    <para> 	Deze bepalingen zijn op 1 januari 1992 in werking getreden: Wet van 7 mei 1986, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 1986, 295 en <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 1990, 90. Daarvóór gold een regeling die zijn basis had in art. 612-615 van het op 1 oktober 1838 ingevoerde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (<emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 1828, 36 en <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 1838, 12). De geschiedenis van de schadestaatprocedure is te vinden in: J. Spoelder, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1966, nr. 81 (p. 150-152) en T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), , par. 3.2. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_86daf96a-c515-4455-a989-d1af15789d42" label="43">
    <para> 	G.J. Knijp, ‘De ruime mogelijkheden van de schadestaatprocedure’, <emphasis role="italic">NbBW</emphasis> 1999/2, p. 22; T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), par. 3.3 (nr. 308). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d1c3a55e-48d1-452d-842d-04a79c825b43" label="44">
    <para> 	HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2021/178 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2021/132 m.nt. G.J.L. Bergervoet, <emphasis role="italic">JIN</emphasis> 2021/29 m.nt. R.J.G. Mengelberg (<emphasis role="italic">Holding X/Gemeente Eindhoven</emphasis>), rov. 3.2. In datzelfde arrest maakte de Hoge Raad daar overigens een uitzondering op (zie rov. 3.3.1-3.3.3). Zie ook HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/285 (<emphasis role="italic">Romein Staalbouw</emphasis>), rov. 3.5.3: “<emphasis role="italic">[…] De schadestaatprocedure van art. 612–615b Rv. sluit aan bij afdeling 6.1.10 BW betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en is dan ook een procedure waarin de vaststelling van de inhoud en de omvang van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding, aan de orde is. De grondslag van die verplichting, zoals in dit geval de wanprestatie, dient bij uitsluiting in de hoofdprocedure te worden vastgesteld.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e809920-59d8-45ae-aeed-2cc739d4e52d" label="45">
    <para> 	HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/285 (<emphasis role="italic">Romein Staalbouw</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5abba468-f2e2-4a74-b0ab-89059a4d42b5" label="46">
    <para> 	T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), par. 4.1 (nr. 401), onder verwijzing naar HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2006/681 (<emphasis role="italic">Stichting Juridische Dienstverlening Drenthe/X</emphasis>), rov. 3.5.2. Zie ook: W.H. van Hemel, <emphasis role="italic">Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht</emphasis>, art. 612 Rv; N.E. Groeneveld-Tijssens, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 612 Rv, aant. 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de65f69e-e472-455a-ab75-df4c5a06cc45" label="47">
    <para> 	T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), par. 4.2.2 (nr. 407), onder verwijzing naar HR 14 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2676, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2004/49 (<emphasis role="italic">[…] / […]</emphasis>), rov. 3.3. Zie ook M. Barendrecht &amp; D.D. Breukers, in: H.M. Storm &amp; J.M. Barendrecht (red.), <emphasis role="italic">Berekening van schadevergoeding</emphasis>, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 343-344: “<emphasis role="italic">De schadestaatprocedure dient slechts om de omvang van de schade vast te stellen voor zover die het gevolg is van een in het vonnis in het hoofdgeding vastgestelde handeling waarvoor de gedaagde aansprakelijk is. De schadestaatprocedure is uitdrukkelijk niet bedoeld om de aansprakelijkheid van de gedaagde te beoordelen.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0b7b5fe-86bd-47f2-ac6b-017862e2808b" label="48">
    <para> 	HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2022/219, rov. 4.1.2; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1083, <emphasis role="italic">RvdW</emphasis> 2020/785 (<emphasis role="italic">X/R&amp;R Systems Holding</emphasis>), rov. 3.2.1. Zie voor een geval waarin de Hoge Raad vernietigde omdat in de schadestaatprocedure (gedeeltelijk) werd teruggekomen van een aansprakelijkheidsoordeel in de hoofdprocedure: HR 30 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2383, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1998/381 m.nt. H.J. Snijders (<emphasis role="italic">[…] /Van Gastel q.q. c.s.</emphasis>), rov. 3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_974aacb1-7e0e-4e93-a374-0c834305e1fa" label="49">
    <para> 	Zie HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:756 (<emphasis role="italic">ABN AMRO Clearing), </emphasis>onder verwijzing naar HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, rov. 3.5.3 (<emphasis role="italic">Romein Staalbouw</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc88b724-a0b3-47d4-95d3-c05e4534e9e6" label="50">
    <para> 	HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2013/69 (<emphasis role="italic">[…] / […]</emphasis>), rov. 3.4.2. In die zaak was in de hoofdprocedure vastgesteld dat een gekochte installatie in een bepaald tijdvak (juli/augustus 1998) niet voldeed aan de overeengekomen specificaties. Over het functioneren van de installatie in de daaraan voorafgaande periode (1995-1998) was volgens het gerechtshof in die zaak niets vastgesteld. De Hoge Raad achtte dat oordeel in het licht van het partijdebat onbegrijpelijk en oordeelde dat na vernietiging de verwijzingsrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat de gestelde schade over de voorafgaande periode voortvloeide <emphasis role="italic">uit dezelfde tekortkoming</emphasis> als de schade die zich had voorgedaan in juli/augustus 1998.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8df33189-49e4-4cb4-94ae-58778e14c463" label="51">
    <para> 	Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, genoemd in voetnoot 31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_70798cc0-b87a-4681-b579-ab024285aa39" label="52">
    <para> 	T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_589f0b61-b11e-4afe-9fe9-63652c319399" label="53">
    <para>
      <emphasis role="italic">Ibidem</emphasis> par. 4.3.2 (nr. 418): “<emphasis role="italic">Bij een verzoek tot verwijzing naar de schadestaatprocedure gelden geen aanvullende eisen aan de stelplicht. Integendeel, de op eiser rustende stelplicht is enigszins verlicht: eiser is niet verplicht om in de hoofdzaak direct alle gegevens die op de schade betrekking hebben op tafel te leggen.</emphasis>” De auteur verwijst o.m. naar Reehuis, Slob &amp; Rijpkema (red.), <emphasis role="italic">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw</emphasis> 1992, p. 269.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5abbf2fc-7600-4b6d-bd13-c8889de250bf" label="54">
    <para> 	Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391 (<emphasis role="italic">Truckkartel</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e17cb3a-d729-4239-92d4-b54882d7e60d" label="55">
    <para> 	HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415 (<emphasis role="italic">Luchtvrachtkartel</emphasis>) en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414 (<emphasis role="italic">Truckkartel</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa3ec725-2a89-46eb-9e2f-e4ea221c5226" label="56">
    <para> 	Het komt ook voor, zij het niet zo vaak, dat een follow-on vordering wordt gebaseerd op een besluit van een <emphasis role="italic">nationale</emphasis> mededingingsautoriteit, zoals in Nederland de Autoriteit Consument en Markt. Een voorbeeld is de zaak <emphasis role="italic">Macedonian Breweries/Heineken &amp; Athenian Breweries </emphasis>(lopende zaak 21/02116), waarin bij de Nederlandse rechter een zaak aanhangig is gemaakt op basis van de vaststelling van een inbreuk door de Griekse mededingingsautoriteit. Zie HvJEU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (<emphasis role="italic">Athenian Breweries</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1aed1fe-81f1-4523-96ae-00c359a4b4e4" label="57">
    <para> 	De term ‘benadeelden’ reserveer ik voor partijen die zelf nadeel hebben geleden, bijvoorbeeld als contractspartij. In deze zaak zijn dat de betrokken woningcorporaties. Zij worden in de gedingstukken ook aangeduid als ‘de deelnemers’, maar die term vind ik – naast ‘karteldeelnemers’ – hier enigszins verwarrend. Onder ‘benadeelden’ valt niet een claimvehikel dat in rechte optreedt, nadat daaraan (gepretendeerde) vorderingen zijn overgedragen of volmachten zijn verleend door de achterliggende partijen. Die laatsten zijn de benadeelden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_542e55e7-c26d-4714-b528-0483aa940212" label="58">
    <para> 	Vaste rechtspraak sinds HvJ 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (<emphasis role="italic">Courage/Crehan</emphasis>), punt 26, en HvJ 13 juli 2006, C-295/04 e.a., ECLI:EU:C:2006:461 (<emphasis role="italic">Manfredi</emphasis>), punt 61. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_08f79c10-72fc-47ff-8c76-c4fb1c6990bf" label="59">
    <para> 	Zie de conclusie van A-G Szpunar van 19 september 2024, C-253/23, ECLI:EU:C:2024:767 (<emphasis role="italic">ASG 2</emphasis>), punt 85 e.v., onder verwijzing naar de conclusies van A-G Kokott, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:45 (<emphasis role="italic">Kone e.a.</emphasis>), punt 23, en van A-G Wahl, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:100 (<emphasis role="italic">Skanska</emphasis>), punten 40-41.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1e36b15-ecca-4584-8878-48df8d988218" label="60">
    <para> 	BGH 28 januari 2020, KZR 24/17, ECLI:DE:BGH:2020:280120UKZR24.17.0 (<emphasis role="italic">Schienenkartell II</emphasis>), rov. 30.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_05608ca7-f9a6-4285-a644-5a90856c8a54" label="61">
    <para> 	HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2019/151 m.nt. S.A. van Dijk, <emphasis role="italic">SEW</emphasis> 2019/11 m.nt. D. Wouters, <emphasis role="italic">M&amp;M</emphasis> 2019/3 m.nt. R.M.T.M. Jaspers &amp; T.J. Binder, en <emphasis role="italic">Ondernemingsrecht</emphasis> 2019/74 m.nt. B.J. Drijber (<emphasis role="italic">Skanska</emphasis>). In die zaak werd het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in de zin van economische eenheid, dat is ontwikkeld in het kader van publiekrechtelijke handhaving, doorgetrokken naar privaatrechtelijke handhaving, zoals daarna werd uitgewerkt in HvJ 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (<emphasis role="italic">Sumal</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2d96978-2c6b-4c33-8288-e03eb4c5072e" label="62">
    <para>
      <emphasis role="italic">Umbrella damage</emphasis>: zie voetnoot 17 van deze conclusie. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_01665cc0-aaca-489d-b4df-71fe4de32990" label="63">
    <para> 	HvJ 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (<emphasis role="italic">Kone e.a.</emphasis>/<emphasis role="italic">ÖBB</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_479a7687-4654-4103-b589-9ef30ebecc11" label="64">
    <para> 	HvJ 12 december 2019, C-435/18, ECLI:EU:C:2019:1069 (<emphasis role="italic">Otis e.a./ Land Oberösterreich</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_efd270d2-4c1a-46d5-be78-306691ec6927" label="65">
    <para> 	HvJ 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263 (<emphasis role="italic">Cogeco</emphasis>) inzake Portugese verjaringsregels en HvJ 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (<emphasis role="italic">Heureka/Google</emphasis>) inzake Tsjechische verjaringsregels. In beide zaken was de verjaringstermijn aanzienlijk korter dan de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW en kon die korte verjaringstermijn bovendien niet worden gestuit. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b860de1-e6f5-4497-8acb-d8038479c957" label="66">
    <para>HvJ 28 januari 2025, C-253/23, ECLI:EU:C:2025:40 (<emphasis role="italic">ASG 2</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17c2a37d-1e5c-4837-a589-e1a1efa9cd56" label="67">
    <para> 	Art. 3 lid 3 Kartelschaderichtlijn luidt: “<emphasis role="italic">Volledige vergoeding uit hoofde van deze richtlijn mag niet leiden tot overcompensatie, ongeacht of het punitieve schadevergoeding, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft.</emphasis>” </para>
  </footnote>
  <footnote id="_45496f26-16d1-4cef-8b8d-a9927bf36ee9" label="68">
    <para> 	Zie de tussenuitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de zaak <emphasis role="italic">Air Cargo </emphasis>(ECLI:NL:HR:2025:415), rov. 3.1.6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bf146ae-8b3c-4297-b1a3-5a2aa41cf4f5" label="69">
    <para> 	Vgl. HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684 (<emphasis role="italic">Europese Gemeenschap/Otis e.a.</emphasis>), punt 65.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e6ae481-8dd2-424f-96f6-18789f0639f9" label="70">
    <para> 	Het liftenkartel, het luchtvrachtkartel en het truckkartel zijn daarvan voorbeelden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8544237-4d8a-4537-b948-57d42e8f54bc" label="71">
    <para> 	Zie T. Kalliokoski &amp; K. Havu, ‘Single infringements of competition law: who is liable for what?’, <emphasis role="italic">CMLR</emphasis> 2024 (61), p. 417-448, p. 419.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56fa4fff-0ea8-4038-bd75-13ba75a57543" label="72">
    <para> 	T.a.p. p. 422, met verwijzing naar de reeds aangehaalde zaken C-724/17 (<emphasis role="italic">Skanska</emphasis>) en C-882/19 (<emphasis role="italic">Sumal</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_51a25e3a-7d46-466a-8134-ffe778e56606" label="73">
    <para> 	Een soortgelijke vraag naar de impact van materiële mededingingsrechtelijke begrippen op nationale maar ook op andere Unierechtelijke bepalingen doet zich voor op het gebied van het internationaal privaatrecht, getuige onder meer de prejudiciële verwijzingen door de Hoge Raad in de in voetnoot 56 genoemde zaak <emphasis role="italic">Heineken</emphasis> (internationale bevoegdheid) en in de in voetnoot 55 genoemde zaken <emphasis role="italic">Air cargo</emphasis> en <emphasis role="italic">Trucks</emphasis> (toepasselijk recht). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c03a8246-df5d-49f4-b748-e3492c4d9e6e" label="74">
    <para> 	Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/388 m.nt. J.L. Smeehuijzen en <emphasis role="italic">JBPr </emphasis>2019/31 m.nt. I.M.A. Lintel (<emphasis role="italic">Parkeergarage Zandvoort</emphasis>), rov. 3.5.2: <emphasis role="italic">“[…] Daarom moet in een geval als dit worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan […].” </emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_506ae5d8-6b2f-4188-bec4-aca674312dfc" label="75">
    <para> 	Zie voor een binnenlandse zaak waarin op vergelijkbare gronden naar de schadestaatprocedure is verwezen als in deze zaak: Hof Den Bosch 30 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:225 (<emphasis role="italic">spanstaalkartel</emphasis>), rov. 9.9.5. Tegen die uitspraak is cassatie ingesteld door <emphasis role="italic">Nedri Spanstaal (</emphasis>zaak 24/01745)<emphasis role="italic">, Arcelor Mittal</emphasis> (zaak 24/01746<emphasis role="italic">) </emphasis>en<emphasis role="italic"> DWK</emphasis> (zaak 24/01748). Verweerster (en eiseres in eerste aanleg) is Deutsche Bahn. Uit het arrest van het hof Den Bosch blijkt dat in die zaak Duits recht van toepassing is op de schadevergoedingsvorderingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_defe424e-5f34-4737-93f6-acc6da4af798" label="76">
    <para> 	Hof van Beroep Brussel 18 november 2024, repertoriumnummer 2024/7832 en rolnummer 2015/AR/95. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_16c748b0-3242-4714-b7e9-39664498af04" label="77">
    <para> 	In eerste aanleg heeft de rechtbank in die zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Zie HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/168 m.nt. M.R. Mok, <emphasis role="italic">SEW</emphasis> 2013/3, p. 123-127 m.nt. P-A. van Malleghem, <emphasis role="italic">EHRC</emphasis> 2013/3 m.nt. C. Mak (<emphasis role="italic">Europese Gemeenschap/Otis e.a.</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b152512-9f35-4538-8522-3003b749c20e" label="78">
    <para> 	Zie § 4.2.3 van het arrest op p. 27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32084a65-ae62-459a-89fb-ccfbe0bc3504" label="79">
    <para> 	Zie § 4.2.5.3 op p. 32. Net als in Nederland kan de rechter de omvang de schade pas gaan schatten als schade <emphasis role="italic">aannemelijk</emphasis> is (en niet als alleen de <emphasis role="italic">mogelijkheid</emphasis> van schade aannemelijk is).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c2585a4-0829-4822-93b5-5aa99fe7d5d5" label="80">
    <para> 	BGH 23 september 2020, KZR 35/19, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (<emphasis role="italic">LKW Kartell I</emphasis>), rov. 40. Het feitelijk vermoeden werd bevestigd in BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:280622UKZR46.20.0 (<emphasis role="italic">Stahl-Strahlmittel</emphasis>), rov. 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_658088b8-3bea-4ba2-9f91-99ef87935402" label="81">
    <para> 	BGH 23 september 2020, KZR 35/19,ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (<emphasis role="italic">Schienenkartell V</emphasis>), rov. 73. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c20fef6-9ac9-43c1-92f5-b0b7f2c1e635" label="82">
    <para> 	BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:2022:280622UKZR46.20.0 (<emphasis role="italic">Stahl-Strahlmittel</emphasis>), rov. 70.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25b53773-5160-4efe-9e98-38c1f7dc9ef3" label="83">
    <para> 	BGH 28 januari 2020, KZR 24/17, ECLI:DE:BGH:2020:280120UKZR24.17.0 (<emphasis role="italic">Schienenkartell II</emphasis>), rov. 25-27.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_63d0ce15-5c0c-4369-a177-92d59a41edbb" label="84">
    <para> 	BGH 13 april 2021, KZR 19/20, ECLI:DE:BGH:2021:130421UKZR19.20.0 (<emphasis role="italic">LKW-Kartell II</emphasis>), rov. 21 en ook (<emphasis role="italic">Stahl-Strahlmittel</emphasis>), rov. 24. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf1faf83-eea4-4eac-839e-8696d2887905" label="85">
    <para> 	BGH 29 november 2022, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0, rov. 29.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc3e41b4-f68c-401e-b0f0-7a70a5ea656a" label="86">
    <para> 	In die zin ook de schriftelijke toelichting van Kone, voetnoot 43 op p. 19. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d95a0d88-3120-4997-ab12-57f1873a8363" label="87">
    <para> 	Zie over de hoofdzaak, het causaal verband en tussenliggende feiten: T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), par. 4.6 (nr. 443). De auteur merkt o.a. op dat het “<emphasis role="italic">[…] niet verstandig [is] om als procespartij te weigeren in te gaan op causaliteitsvragen in de aanname dat deze tot de schadestaatprocedure kunnen blijven wachten. Dat is misschien correct voor een deel van de causaliteitsvragen, maar niet voor allemaal.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8007b10-b1d6-4bc7-89df-d7a2be84d7c7" label="88">
    <para> 	HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2008/285 (<emphasis role="italic">Romein Staalbouw</emphasis>), rov. 3.5.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebfa9f05-c4dd-4ef8-85f0-928977b118bf" label="89">
    <para> 	HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/69, <emphasis role="italic">JA</emphasis> 2013/47 m.nt. M.E. Franke (<emphasis role="italic">[…] / […]</emphasis>), rov. 3.4.2. Zie ook 3.41 van deze conclusie. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e947a74c-eb90-4ce8-8159-4ff923eb1f46" label="90">
    <para> 	Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, <emphasis role="italic">AA</emphasis> 2010/336 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2010/43 m.nt. K. Frielink, <emphasis role="italic">Ondernemingsrecht</emphasis> 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort (<emphasis role="italic">World Online</emphasis>), rov. 4.4.2: “<emphasis role="italic">[…] dat World Online en de Banken er belang bij hebben reeds in de hoofdprocedure verweermiddelen te kunnen aanvoeren tegen de vorderingen van (groepen van) bepaalde beleggers.</emphasis>” Het ging om een nadere onderbouwing van de vorderingsgerechtigdheid van een stichting die vorderingen instelde als cessionaris van bepaalde individuele beleggers van World Online. Zie J. de Bie Leuvelink Tjeenk, ‘De verhouding tussen hoofdprocedure en schadestaatprocedure’, <emphasis role="italic">MvV</emphasis> 2010/5, p. 122-123.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb65187d-1fd1-4053-aa64-4d7c8732cf9f" label="91">
    <para> 	BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:2022:280622UKZR46.20.0 (<emphasis role="italic">Stahl-Strahlmittel</emphasis>), rov. 70.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5751ad0-7f1c-4300-a9d1-7cf7c9e566d6" label="92">
    <para> 	Zie schriftelijke toelichting Kone, nr. 3.1.12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_961992b7-731f-47d7-8cf3-a0917fe2f9f4" label="93">
    <para> 	Zie de samenvatting van 25 mei 2016 van het Commissie-besluit van 2 april 2014 in zaak AT nr. 39.792, <emphasis role="italic">Pb EU </emphasis>2016, C 366/6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27e01759-3b19-4618-a1c2-b96cc87dfc37" label="94">
    <para> 	HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2023/114, <emphasis role="italic">JOR</emphasis> 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecf3ef5c-b08d-4b8a-a66c-2464e6ba2ba3" label="95">
    <para> 	In deze zin bijv. D.J. Beenders, in: <emphasis role="italic">T&amp;C Rv</emphasis>, commentaar op art. 149 Rv, aant. 2.c. (actueel t/m 1 oktober 2024).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4806c76-942c-4cb0-bfbc-7189d1764f5e" label="96">
    <para> 	T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), par. 4.4.1 (nr. 421): “<emphasis role="italic">[…] Anders gezegd: de rechter moet voldoende reden hebben om te oordelen dat er in het geheel geen schade is geleden. Zo niet, dan blijft de serieuze kans bestaan dat er wel schade is, wat voldoende grond zou opleveren voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.</emphasis>”</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a5a5802-fdb2-4ab7-aa8f-368ce5330373" label="97">
    <para> 	Voor zover in de schriftelijke toelichting van Kone (5.1.5) een andere klacht wordt geformuleerd (namelijk: het hof heeft niet beoordeeld of ten aanzien van één van de tot een groep behorende personen (Kone of een van de andere inbreukplegers) aan alle vereisten van onrechtmatige daad is voldaan) is dat te laat.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25323832-8017-40c6-b3c6-e87a042535d6" label="98">
    <para> 	T.F.E. Tjong Tjin Tai, <emphasis role="italic">De schadestaatprocedure</emphasis> (BPP nr. 14), par. 5.6 (nr. 543, achtste streepje): “<emphasis role="italic">Dit betekent dat [in de schadestaatprocedure] in het bijzonder aan de orde kunnen komen: […] de vraag of er gronden zijn die in de weg staan aan een verplichting tot betaling van het gehele bedrag aan schadevergoeding, zoals […] het aandeel van een hoofdelijk aansprakelijke partij […].</emphasis>” De auteur verwijst ter adstructie naar HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1989/743 m.nt. J.C. Schultsz &amp; J.H. Nieuwenhuis, <emphasis role="italic">AA</emphasis> 1989/874 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, <emphasis role="italic">RVMR</emphasis> 2014/52 m.nt. A.I.M. van Mierlo, A.J. van der Lely &amp; S.E. Bartels (<emphasis role="italic">Kalimijnen</emphasis>), rov. 3.6.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>