<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2025:633</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-08T12:45:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2025-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/04856</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:633">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:633</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T13:16:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2025:633 Parket bij de Hoge Raad , 10-06-2025 / 23/04856</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2025:633:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Geen beroep in cassatie mogelijk, omdat het veroordeling wegens overtreding betreft, waarvoor hof met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel heeft opgelegd (art. 427 lid 2 onder a Sv). Kwalificatie als misdrijf betreft kennelijke vergissing en maakt dat niet anders. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2025:633:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>23/04856 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	10 juni 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.M.W. Paridaens</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De verdachte is bij arrest van 8 december 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 "overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (145 microgram)" en onder 3 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld. Het hof heeft met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep beperkt tot “de veroordeling van feit 3”.<footnote-ref linkend="_91f79520-c10b-4239-b4cf-88d75385a843" /> M.C. van der Want, advocaat in Middelburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“hij op 6 september 2012 te Middelburg aanwezig heeft gehad ongeveer 97,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte ongeveer 97,3 gram, maar in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hasj aanwezig heeft gehad. Bewezenverklaard is niet dat de verdachte dit opzettelijk zou hebben gedaan. Dit is ook niet aan de verdachte tenlastegelegd. Gelet op art. 11 lid 1 in samenhang met art. 13 lid 1 van de Opiumwet gaat het hier dus om een overtreding, en niet om een misdrijf.<footnote-ref linkend="_225e3ed6-1bfc-4bb4-90a2-0f94d254e073" /> Het hof heeft ter zake van het onder (1 en) 3 bewezenverklaarde toepassing gegeven aan art. 9a Sr en geen straf of maatregel opgelegd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op grond van artikel 427 lid 2 Sv staat voor de verdachte geen cassatieberoep open tegen arresten betreffende overtredingen indien met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd. De Hoge Raad kan het beperkt ingestelde cassatieberoep daarom niet in behandeling nemen.<footnote-ref linkend="_33d3726a-1ee4-4bb5-820e-ee55e5a09931" /> Dat het hof het bewezenverklaarde door een kennelijke vergissing heeft gekwalificeerd als een misdrijf, maakt dat niet anders.<footnote-ref linkend="_1a5c49ad-d93a-4441-9d39-26fab3c6deb2" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Slotsom</title>
    <para>Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_91f79520-c10b-4239-b4cf-88d75385a843" label="1">
    <para> 	Dit lijkt mij een toelaatbare beperking van het cassatieberoep. Vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2018/59 m.nt. P. Mevis.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_225e3ed6-1bfc-4bb4-90a2-0f94d254e073" label="2">
    <para> 	Vgl. HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622, r.o. 2.3.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33d3726a-1ee4-4bb5-820e-ee55e5a09931" label="3">
    <para> 	Zie bijv. HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1309.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a5c49ad-d93a-4441-9d39-26fab3c6deb2" label="4">
    <para> 	HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2237.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>