<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2025:1348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T12:45:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2025-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/02071</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2026:331" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:331</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1348">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-10T11:18:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2025:1348 Parket bij de Hoge Raad , 09-12-2025 / 23/02071</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2025:1348:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie A-G. Profijtontneming uit hennepkwekerij. Drie middelen falen, (1) omdat geklaagd wordt over kwesties die in de strafzaak thuishoren, (2) omdat het de ontnemingsrechter vrijstond zich te baseren op uitsluitend de bewezenverklaring in de stafzaak, en (3) omdat over de aftrek van investeringskosten ter zitting geen uos is ingenomen. De conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met de strafzaak, 23/02070.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2025:1348:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer 23/02071 P</title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	9 december 2025</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene],</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,</para>
      <para>hierna: de betrokkene</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 16 mei 2023 (parketnr. 22-001678-21) het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden bevestigd, en daarmee het door de betrokkene wederrechtelijk vergregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 36.025,90 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast heeft het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 720 dagen.</para>
    <para />
    <para>2. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene 23/02070. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.</para>
    <para />
    <para>3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. H. Akbaba, advocaat in Breda, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De strafzaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag de betrokkene bij arrest van 16 mei 2023 veroordeeld ter zake van, samengevat, het opzettelijk telen en het opzettelijk aanwezig hebben van 339 hennepplanten (feit 1) en gekwalificeerde diefstal van elektriciteit (feit 2). </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het eerste ‘middel’</title>
    <para />
    <para>5. Het eerste ‘middel’ strekt tot vernietiging van de uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de strafzaak gegrond worden bevonden.  </para>
    <para />
    <para>6. Het is vaste rechtspraak dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.<footnote-ref linkend="_59422a8d-d107-47d8-bcf8-9a41787daff2" /> In een ontnemingszaak kan derhalve niet worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de strafzaak noodzakelijkerwijs moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak.<footnote-ref linkend="_497efeb6-f44c-489c-b685-5a6dce68697f" /> In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het namens de betrokkene aangevoerde is dus niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.<footnote-ref linkend="_1c430157-5bec-4ae1-b4af-967277e76119" /></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel</title>
    <para />
    <para>7. Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de grondslag van de ontnemingsvordering. Aangevoerd wordt dat “<emphasis role="italic">de ontnemingsmaatregel enkel [is] gebaseerd op de bewezenverklaring van het strafbare feit</emphasis>”, terwijl de betrokkene “<emphasis role="italic">geen enkele bemoeienis [heeft] gehad met de hennepkwekerij</emphasis>”. Volgens de steller van het middel is dus ook geen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <para>8. De klacht dat de betrokkene geen bemoeienis zou hebben gehad bij de hennepkwekerij, ziet op (een gesteld gebrek in de motivering van) de bewezenverklaring in de strafzaak. Daarover kan in de ontnemingszaak echter niet met vrucht worden geklaagd. Mocht een klacht met een gelijkluidende strekking in de strafzaak succes hebben, dan doet het al genoemde artikel 511i Sv zijn werk. </para>
    <para />
    <para>9. Dan de klacht dat de ontnemingsmaatregel enkel is gebaseerd op de bewezenverklaring. Ook die klacht faalt, want het staat de ontnemingsrechter vrij om de ontnemingsmaatregel uitsluitend daarop te gronden. Hoewel de ontnemingsprocedure volgens de wettelijke regeling een zelfstandige procedure betreft, mag immers niet uit het oog worden verloren dat de ontnemingsprocedure een afsplitsing (een ‘sequeel’) is van de strafzaak waarin de veroordeling is uitgesproken. De rechter die over een ontnemingsvordering moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. Die gebondenheid komt vooral tot uiting bij de bewijsvraag. De gedragingen die in de strafzaak bewezen zijn verklaard, staan in de ontnemingsprocedure vast.<footnote-ref linkend="_6905f230-57c4-435a-8c82-9d38609af8eb" /></para>
    <para />
    <para>10. Het middel faalt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het derde middel</title>
    <para />
    <para>11. Het derde middel bevat de klacht dat door het hof <emphasis role="italic">“de volledige investeringskosten en de kosten voor de gestelde 2 kweekperioden onvoldoende zijn meegenomen”</emphasis>. </para>
    <para />
    <para>12. De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep van 2 mei 2023 (blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, p. 5) desgevraagd verklaard: “<emphasis role="italic">Ik wil uw hof vragen om de pleitnota ter terechtzitting in eerste aanleg als voorgehouden te beschouwen</emphasis>.” Bovendien merkte de verdediging (blijkens het proces-verbaal van die zitting, p. 6) op: “<emphasis role="italic">Ik verwijs naar de toelichting grieven d.d. 28 april 2023, deze fungeert als pleitnota.”</emphasis> Volgens het proces-verbaal van de zitting heeft (de voorzitter van) het hof noch op het een, noch op het andere expliciet gereageerd, dan wel beslist. </para>
    <para />
    <para>13. Hieruit leid ik af dat ter zitting géén (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt is ingenomen over (volledige) investeringskosten die de betrokkene over twee kweekperiodes zou hebben gemaakt. Daarop stuit het middel reeds af.<footnote-ref linkend="_35232615-58eb-4499-a195-891f734ea8a4" /></para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>14. Het eerste ‘middel’ is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</para>
    <para />
    <para>15. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak niet binnen een termijn van twee jaar na het instellen van cassatieberoep uitspraak zal doen. De rechter naar wie de <emphasis role="italic">straf</emphasis>zaak m.i. moet worden verwezen, zal hierop acht dienen te slaan. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.</para>
    <para />
    <para>16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_59422a8d-d107-47d8-bcf8-9a41787daff2" label="1">
    <para> Vgl. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, en HR 17 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1348. Zie ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, <emphasis role="italic">Cassatie in strafzaken</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 270.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_497efeb6-f44c-489c-b685-5a6dce68697f" label="2">
    <para> Vgl. de conclusie a-g Bleichrodt van 27 januari 2015 bij HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:512 (ECLI:NL:PHR:2015:143, onder 4) evenals de conclusie van zijn hand van 12 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:461, onder 11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c430157-5bec-4ae1-b4af-967277e76119" label="3">
    <para> Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:846.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6905f230-57c4-435a-8c82-9d38609af8eb" label="4">
    <para> A-g Keulen bespreekt deze materie uitgebreid in zijn conclusie van 16 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1071, waarnaar ik graag mag verwijzen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35232615-58eb-4499-a195-891f734ea8a4" label="5">
    <para> Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6894, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/534.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>