<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2025:1232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-09T15:03:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2025-11-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/01649</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2025:1872" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1872</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1232">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-08T14:01:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2025:1232 Parket bij de Hoge Raad , 11-11-2025 / 24/01649</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2025:1232:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie A-G. Gedeeltelijk verzuim aftrek voorarrest a.b.i. art. 27 Sr. Bij oplegging van een onvoorwaardelijke en voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, moet het voorarrest allereerst in mindering worden gebracht op de onvoorwaardelijke gevangenisstraf en vervolgens – indien nog een gedeelte voorarrest overblijf –  op de taakstraf. Middel klaagt terecht dat hof dit heeft miskend, maar behoeft niet tot cassatie te leiden nu het verzuim een ‘onmiddellijk kenbare fout’ dan wel een ‘voor eenieder evidente vergissing’ betreft die zich voor herstel dan wel verbeterde lezing leent. Conclusie strekt tot afdoening met 80a RO.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2025:1232:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>24/01649 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	11 november 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V.M.A. Sinnige</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De verdachte is bij arrest van 19 april 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, (parketnr. 21-001959-22) wegens <emphasis role="italic">“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”</emphasis>, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het bestreden arrest, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Verder heeft het hof een telefoontoestel verbeurd verklaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het middel klaagt dat het hof de termijn die de verdachte langer in voorarrest heeft doorgebracht dan de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ten onrechte niet in mindering heeft gebracht op de straf die ingevolge de uitspraak van de rechter nog dient te worden tenuitvoergelegd, te weten de taakstraf. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De beslissing van het hof houdt onder meer in: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten (…).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De stukken van het geding houden in:</para>
        <para>• dat de verdachte op 21 januari 2022 in verzekering is gesteld;</para>
        <para>• dat de rechter-commissaris op 24 januari 2022 een bevel tot bewaring van de verdachte heeft verleend en</para>
        <para>• dat de rechtbank op 2 februari 2022 de gevangenhouding van de verdachte heeft bevolen voor de duur van negentig dagen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Art. 27 Sr luidt, voor zover van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis, (…) is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Indien hij dit bevel geeft terzake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden. (…)</para>
        <para>2. Bij het berekenen van de in mindering te brengen tijd geldt de eerste dag van de verzekering als een volle dag en blijft de dag waarop zij is geëindigd buiten beschouwing.”</para>
        <para>Art. 133 Sv luidt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Onder voorloopige hechtenis wordt verstaan de vrijheidsbeneming ingevolge eenig bevel van bewaring, gevangenneming of gevangenhouding.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Uit de onder 2.3 genoemde stukken volgt dat de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis arrest heeft verbleven van 21 januari 2022 tot en met 2 mei 2022 en dat er daarom in totaal 102<footnote-ref linkend="_1596b1ef-9e88-40dc-84d8-0670d916d477" />  dagen in mindering moeten worden gebracht op de aan hem opgelegde straf. Nadat dit aantal dagen wordt afgetrokken van de 3 maanden onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf<footnote-ref linkend="_b6056638-58dc-4ad1-a46c-96a0e02392e5" /> – te weten 90 dagen<footnote-ref linkend="_900b82b8-377f-48a9-8577-a84183c0057a" /> – blijven nog 12 dagen over die op de opgelegde straf in mindering (hadden) moeten worden gebracht. Het cassatiemiddel komt er – kort gezegd – op neer dat het hof deze dagen voorarrest ten onrechte niet in mindering heeft gebracht op de opgelegde taakstraf. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Zoals hiervoor onder 2.2 reeds is aangegeven, heeft het hof bevolen dat de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht <emphasis role="italic">“bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf” </emphasis>in mindering zal worden gebracht. Dit bevel is mijns inziens voor tweeërlei uitleg vatbaar. Enerzijds kan het hof hebben gedoeld op enkel de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en is het hof daarbij kennelijk vergeten te berekenen hoe lang de verdachte in voorarrest heeft gezeten, waardoor het hof zich niet heeft gerealiseerd dat deze periode langer is dan de duur van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Anderzijds kan het hof hebben gedoeld op de gehele opgelegde gevangenisstraf – derhalve zowel het onvoorwaardelijke als het voorwaardelijke deel. In beide interpretaties blijven de resterende twaalf dagen voorarrest niet verrekend indien de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet wordt bevolen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <parablock>
        <para>Het is vervolgens de vraag of de stellers van het middel terecht van mening zijn dat het hof de hiervoor bedoelde twaalf dagen voorarrest in mindering had moeten brengen op de taakstraf. Uit de rechtspraak leid ik de volgende uitgangspunten af over de aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr:</para>
        <para>- Indien de rechter <emphasis role="italic">een gevangenisstraf oplegt waarvan een deel voorwaardelijk</emphasis> is, en de duur van het voorarrest is langer dan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging wordt bevolen van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, moet bij die tenuitvoerlegging het resterende gedeelte van de duur van het voorarrest daarop in mindering worden gebracht.<footnote-ref linkend="_34a9a779-6f6e-4735-bbef-3b8b6a2e3f9b" /></para>
        <para>- Indien de rechter <emphasis role="italic">een voorwaardelijke gevangenisstraf</emphasis> oplegt, moet de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de (eventuele) tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in mindering worden gebracht.<footnote-ref linkend="_32e48a49-266a-4b7c-85f5-3f939e76cec5" /></para>
        <para>- Indien de rechter <emphasis role="italic">een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf</emphasis> oplegt, moet de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering worden gebracht op de taakstraf.<footnote-ref linkend="_54521168-a223-4f80-9f2a-7312858ad671" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij al deze gevallen lijkt de Hoge Raad tot uitgangspunt te nemen dat het doel en de strekking van art. 27 lid 1 Sr meebrengen dat de aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de straf die ingevolge de uitspraak van de rechter, houdende de veroordeling van de verdachte, dient te worden tenuitvoergelegd.<footnote-ref linkend="_f3636317-29a3-4699-9fd5-645efab1677e" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt mijns inziens dat ook in een geval als het onderhavige, waarin de rechter <emphasis role="italic">zowel een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk is als een taakstraf</emphasis> oplegt, en de duur van het voorarrest langer is dan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, het resterende gedeelte van de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht op de taakstraf. Het middel klaagt daarom terecht dat het hof het hiervoor onder 2.5 bedoelde resterende gedeelte van de duur van het voorarrest ten onrechte, want in strijd met art. 27 lid 1 Sr, niet in mindering heeft gebracht op de opgelegde taakstraf.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. Indien een gerechtshof in zijn in cassatie bestreden uitspraak heeft verzuimd de aftrek van art. 27 Sr te bevelen, heeft een verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang bij de vernietiging van de bestreden uitspraak op de gronden die zijn vermeld in HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2013/246, m.nt. F.W. Bleichrodt. In dat geval kan de Hoge Raad, gezien art. 80a RO, het beroep niet ontvankelijk verklaren.<footnote-ref linkend="_944b2a7f-f9a0-44dd-87d4-156da06d239d" /> Mijns inziens geldt hetzelfde in het onderhavige geval, waarin het hof weliswaar niet heeft verzuimd de aftrek van art. 27 Sr te bevelen, maar wel heeft verzuimd te bevelen dat – nadat de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht in mindering is gebracht op de (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf – het resterende gedeelte van de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht op de taakstraf. Ook in dit geval vormt het verzuim immers <emphasis role="italic">“een onmiddellijk kenbare fout</emphasis><footnote-ref linkend="_3a0cce6c-d220-4df5-9fe1-527accea2ea5" /><emphasis role="italic"> die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten” </emphasis>dan wel een <emphasis role="italic">“voor eenieder evidente vergissing</emphasis><footnote-ref linkend="_3cc22df9-f343-488d-9733-76cdd09bf755" /><emphasis role="italic"> op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de (taak)straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd.”</emphasis> Nu het gaat om een taakstraf als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, dient de aftrek te geschieden naar de gebruikelijke maatstaf van twee uren per dag.<footnote-ref linkend="_ebd28c1f-ed38-43c8-9796-fda1a8bda8ac" /></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Slotsom</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het middel is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie op de voet van art. 80a RO.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De procureur-generaal</para>
        <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>AG</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_1596b1ef-9e88-40dc-84d8-0670d916d477" label="1">
    <para> 	De steller van het middel neemt overigens de inverzekeringstelling niet mee en gaat uit van een ‘preventieve hechtenis’ van 24 januari 2022 tot en met 2 mei 2022.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6056638-58dc-4ad1-a46c-96a0e02392e5" label="2">
    <para> 	In cassatie wordt er – terecht – vanuit gegaan dat de in art. 27 lid 1 Sr bedoelde aftrek allereerst moet plaatsvinden op het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf. Uit het bestreden arrest is immers af te leiden dat het de bedoeling van het hof was dat de verdachte – behoudens na eventuele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf – niet weer gedetineerd zou raken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_900b82b8-377f-48a9-8577-a84183c0057a" label="3">
    <para> 	Onder een maand wordt immers verstaan een tijd van dertig dagen, zie art. 88 Sr. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_34a9a779-6f6e-4735-bbef-3b8b6a2e3f9b" label="4">
    <para> 	Vgl. HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:462, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2017/407, rov. 4.2 (civiele kamer).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32e48a49-266a-4b7c-85f5-3f939e76cec5" label="5">
    <para> 	Vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:374, rov. 2.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54521168-a223-4f80-9f2a-7312858ad671" label="6">
    <para> 	Vgl. HR 28 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0625, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1997/408, rov. 5.2 en onder meer HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/246 m.nt. F.W. Bleichrodt, rov. 3.3. Zie ook S. Meijer in Tekst en Commentaar Strafrecht, aant. 4 onder c bij art. 27 Sr (actueel t/m 15 april 2025), die over deze combinatie van straffen schrijft dat het haar voorkomt “dat de aftrek dient te geschieden van de straf die de veroordeelde in ieder geval daadwerkelijk heeft te ondergaan: de taakstraf”.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3636317-29a3-4699-9fd5-645efab1677e" label="7">
    <para> 	Vgl. HR 28 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0625, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1997/408, rov. 5.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_944b2a7f-f9a0-44dd-87d4-156da06d239d" label="8">
    <para> 	Vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:374, rov. 2.5. Zie ook HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1081.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a0cce6c-d220-4df5-9fe1-527accea2ea5" label="9">
    <para> 	Het betreft in de onderhavige zaak een <emphasis role="italic">“onmiddellijk kenbare fout”</emphasis> dan wel een <emphasis role="italic">“voor eenieder evidente vergissing” </emphasis>nu (i) de in voetnoot 6 bedoelde rechtspraak mijns inziens onmiskenbaar op het onderhavige geval van toepassing is en (ii) doel en strekking van art. 27 lid 1 Sr meebrengen dat de aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de straf die ingevolge de uitspraak van de rechter, houdende de veroordeling van de verdachte, dient te worden tenuitvoergelegd. In dit geval is dat  niet voor meerdere uitleg vatbaar.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3cc22df9-f343-488d-9733-76cdd09bf755" label="10">
    <para> 	Zie de vorige voetnoot. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebd28c1f-ed38-43c8-9796-fda1a8bda8ac" label="11">
    <para> 	Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/246 m.nt. F.W. Bleichrodt, rov. 3.3. Met Bleichrodt in zijn annotatie bij dit arrest (onder <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2013/245) meen ik dat toepassing van 80a RO zich uitsluitend leent voor <emphasis role="italic">“evidente gevallen van aftrek en niet om een combinatie van sancties waarbij onduidelijkheid kan bestaan op welke sanctie de aftrek betrekking heeft”.</emphasis> Zoals ik reeds aangaf onder 2.9 lijkt mij de onderhavige zaak een dergelijk “evident geval”. </para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>