<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2025:1195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-14T12:53:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2025-11-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/00561</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2026:655" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:655</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1195">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-18T10:48:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2025:1195 Parket bij de Hoge Raad , 11-11-2025 / 25/00561</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2025:1195:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Herzieningsverzoek in strafzaak uit opsporingsonderzoek Maggiora. Verdediging brengt nieuwe feiten in die afkomstig zijn uit het hoger beroep van de voormalige medeverdachten van aanvrager, die zelf niet in hoger beroep is gegaan. Voorgestelde novum houdt in dat de rechtbank bij bekendheid met de ingebrachte gegevens tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie had beslist in verband met een schending van art. 6 EVRM. Conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2025:1195:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>25/00561 H</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	11 november 2025</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CONCLUSIE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>D.J.C. Aben</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [aanvrager] ,</para>
    <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,</para>
    <para>hierna: de aanvrager</para>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="underline">
        <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <emphasis role="bold" />
    </title>
    <para>1. De rechtbank Noord-Nederland heeft de aanvrager bij vonnis van 1 augustus 2017 wegens<emphasis role="bold" /><emphasis role="bold"> </emphasis></para>
    <parablock>
      <para>­ onder 1.<emphasis role="bold"> “</emphasis><emphasis role=" italic">medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door: een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen en/of daar bij behulpzaam te zijn en zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd</emphasis>”;<emphasis role="bold"> </emphasis></para>
      <para>­ onder 2. <emphasis role="bold">“</emphasis>medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”; </para>
      <para>­ onder 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”; </para>
      <para>­ onder 4.<emphasis role="bold"> “</emphasis>als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet; en als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”; </para>
      <para>­ onder 5.<emphasis role="bold"> “</emphasis>gewoontewitwassen”; </para>
      <para>­ onder 6<emphasis role="bold">.</emphasis><emphasis role="bold"> “</emphasis>medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie<emphasis role="bold italic"> </emphasis>III”</para>
      <para>veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen over een aantal in beslag genomen goederen<emphasis role="bold">.</emphasis><footnote-ref linkend="_47e818a1-33ab-4d3e-8d5f-ea5a516564ea" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes (hierna: de verdediging) hebben namens de aanvrager een verzoek ingediend tot herziening van de veroordeling die bij dit vonnis is uitgesproken. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00562 en 25/00577, waarin de verdediging eveneens een herzieningsverzoek heeft ingediend. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen. </para>
    <para />
  </section>
  <para>
    <emphasis role="bold underline">De bespreking en beoordeling van het herzieningsverzoek</emphasis>
  </para>
  <section role="overwegingen">
    <title />
    <parablock>
      <para>3. In de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager met zaaknummer 25/00562 heeft de verdediging mutatis mutandis een identiek herzieningsverzoek ingediend. In de conclusie die ik vandaag in die zaak neem, leg ik uit waarom de Hoge Raad dat herzieningsverzoek naar mijn mening zou moeten afwijzen. Voor de redenen waarom het herzieningsverzoek (ook) in deze zaak ongegrond is, verwijs ik daarom naar mijn opmerkingen onder de randnummers 4 tot en met 37 in mijn conclusie in die zaak<emphasis role="bold"> </emphasis>(gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:1194). </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title />
    <parablock>
      <para>4. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_47e818a1-33ab-4d3e-8d5f-ea5a516564ea" label="1">
    <para> Het vonnis is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNNE:2017:2946.</para>
    <para />
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>