<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:878</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-06T00:01:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/02638</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2024:1525" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1525</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:878">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:878</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-05T10:29:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:878 Parket bij de Hoge Raad , 03-09-2024 / 22/02638</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:878:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Conclusie AG. Mishandeling. Middel 1) klacht dat hof niet heeft gereageerd op beroep op putatief noodweer. Middel 2) klacht over motivering toewijzing vordering b.p. t.a.v. immateriële schade. Beide middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:878:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BIJ DE</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Nummer22/02638 </title>
    <para>
      <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>	3 september 2024</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D.J.C. Aben</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,</para>
      <para>hierna: de verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. De verdachte is bij arrest van 13 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, (1) in de zaak met parketnummer 16-258130-18 wegens “<emphasis role="italic">mishandeling</emphasis>” van [ benadeelde 1] en (2) in de zaak met parketnummer 16-199285-18 wegens de <emphasis role="italic">“mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”</emphasis> waarvan [benadeelde 2] het slachtoffer is, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uren, subsidiair vijftien dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [ benadeelde 1] en [benadeelde 2] , en ter zake tevens maatregelen ex artikel 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.</para>
    <para />
    <para>2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Dijkstra, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het eerste middel </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd om in de hiervoor onder (2) genoemde zaak gemotiveerd te reageren op het beroep op putatief noodweer.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>Het procesverloop voor wat betreft de zaak onder (2) </title>
    <para />
    <para>4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een e-mailbericht d.d. 17 juni 2021 waaruit blijkt dat de raadsvrouw haar pleitnotities op die datum (elektronisch) aan het hof heeft doen toekomen. Blijkens de bijlage bij dat e-mailbericht houden deze pleitnotities onder meer in: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Putatief noodweer</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">7. Subsidiair doet de verdediging een beroep op putatief noodweer. Cliënte stelt dat aangever </emphasis>[ [benadeelde 2] , D.A.]<emphasis role="italic"> haar aan haar trui trok en haar telefoon uit haar handen griste. Cliënte stelt dat zij op het moment dat hij haar benaderde in de veronderstelling was dat hij haar zou aanranden. Zij heeft zich verweerd door hem af te wenden middels een duw om eigen lijf te beschermen. Uit de correspondentie volgt dat zij bij hem gedwongen voelde seksuele handelingen te verrichten (schoot zitten, orale seks). Cliënte heeft hiervan ook aangifte gedaan, echter hier is geen gevolg aan gegeven door de politie.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">8. Het ging volgens zowel cliënte als aangever heel snel. Een duw om iemand af te weren kan in een dergelijke situatie als proportioneel worden beschouwd. Cliënte voelde de noodzaak om hem van zich af te wenden. Het was bij [benadeelde 2] thuis zij zat op de bank hij stond voor haar, zij kon geen kant op (subsidiariteit). De verdediging meent dat sprake is van afwezigheid van alle schuld en verzoekt om cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging (OVAR). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Noodweerexces </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">9. Meer subsidiair doet de verdediging een beroep op het noodweerexces, immers doordat [benadeelde 2] op haar afkomt, de putatieve aanranding, voelt zij de hevige gemoedsbeweging (angst) waardoor zij zich heeft menen te moeten verweren om zich tegen hem te verweren door een duw/ klap geven. Zij had geen reële mogelijkheid zich hieraan te onttrekken. De verdediging verzoekt cliënte zodoende meer subsidiair eveneens te ontslaan van alle rechtsvervolging.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 juni 2021 houdt, voor zover relevant, in:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. R. Dijkstra, advocate te Doorn.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De voorzitter deelt mede dat het hof voorafgaand aan de zitting stukken heeft ontvangen van de raadsvrouw en dat die stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Het betreft een adviesrapport van […] en een aantal e-mailberichten. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven - : </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De zaak wordt (…) voor onbepaalde tijd aangehouden.” </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Op 29 juni 2022 is – ondanks de gewijzigde samenstelling van het hof en met instemming van het OM en de verdediging – het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing op de terechtzitting van 17 juni 2021 bevond.<footnote-ref linkend="_85cad917-8a64-419f-9359-8dff7689e8e2" /> Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juni 2022 houdt, voor zover relevant, in:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. R. Dijkstra, advocate te Utrecht. (...)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De</emphasis>
        <emphasis role="bold italic"> raadsvrouw </emphasis>
        <emphasis role="italic">voert het woord tot verdediging en deelt hiertoe het volgende mee: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Subsidiair doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Verdachte geeft aan dat zij zich bedreigd voelde toen [benadeelde 2] op haar af kwam. Ze voelde een hevige gemoedsbeweging na een aanranding en heeft gemeend dat zij zich moest verweren tegen hem door een duw te geven. Verdachte zegt dat er geen mogelijkheid was om het op een andere manier te doen. De verdediging meent dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof het verweer van de raadsvrouw als volgt samengevat en verworpen (onderstrepingen mijnerzijds):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedstoestand en </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">dat er sprake is van een noodweerexces-situatie</emphasis>
        <emphasis role="italic"> waardoor verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het hof gaat bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces uit van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de aangifte naar voren zijn gekomen. Hieruit volgt dat verdachte op de bank ging zitten en de televisie aan deed, dat [benadeelde 2] de afstandsbediening pakte en de televisie uit deed, dat verdachte hem vervolgens aanviel en hem met kracht in zijn gezicht sloeg, dat [benadeelde 2] probeerde om de klap af te weren en dat hij daarbij ten val kwam, dat hij op zijn rug lag en niet kon opstaan en dat verdachte hem vervolgens meerdere keren sloeg in zijn gezicht. Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat zij de aangifte betrouwbaar acht en passend bij het geconstateerde letsel [benadeelde 2] . </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alvorens een beroep op noodweerexces kan slagen, moet er sprake zijn van een situatie waarin een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreiging daarvan noopt tot handelen ter verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarbij dient er eveneens sprake te zijn van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging die het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">, is het oordeel van het hof er geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachte of een dreiging daarvan zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet kan slagen. Het hof verwerpt het beroep.</emphasis>
        <emphasis role="italic">”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het eerste middel </title>
    <para />
    <para>8. Uit de stukken van het geding, zoals hiervoor weergegeven, kan worden opgemaakt dat de verdediging bij de behandeling van de zaak ten overstaan van het hof een beroep heeft gedaan op noodweerexces en dat het hof dit verweer bij arrest gemotiveerd heeft verworpen. Uit het arrest kan echter niet worden opgemaakt dat het hof in het pleidooi een beroep op putatief noodweer heeft ontwaard, zodat moet worden aangenomen dat een dergelijk verweer naar het oordeel van het hof niet is gevoerd. </para>
    <para />
    <para>9. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Aan de stukken van het geding valt inderdaad niet te ontlenen dat de raadsvrouw ten overstaan van het hof een beroep heeft gedaan op putatief noodweer. De raadsvrouw heeft haar pleitnota waarin zij (mede) heeft betoogd dat de verdachte een geslaagd beroep op putatief noodweer toekomt (zie onder randnummer 4) weliswaar op 17 juni 2021 aan het hof doen toekomen, maar noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 17 juni 2021, noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 29 juni 2022 blijkt dat haar pleitnota (geheel of gedeeltelijk) is voorgedragen, althans geacht moet worden op dit punt te zijn voorgedragen.</para>
    <para />
    <para>10. Het middel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het tweede middel  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Het tweede middel klaagt dat in strijd met het bepaalde in artikel 361 lid 4 Sv de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] niet met redenen is omkleed.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De processtukken </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ met bijlagen van de benadeelde partij [benadeelde 2] d.d. 26 maart 2019. Het Schadeonderbouwingsformulier (bijlage 1) bij dit ‘Verzoek tot schadevergoeding’ houdt onder meer in (onderstrepingen mijnerzijds): </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>“Immateriële schade </title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Fysiek letsel </title>
    <bridgehead role="italic">(…) Op deze foto’s was te zien dat de heup gebroken was, (…). Uit de MRI scan kwam naar voren dat de heup helemaal door was. (…)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In afwachting van het genezingsproces werd benadeelde terug naar huis gestuurd met de mededeling dat hij zes weken lang bedrust moest houden. Dit betekende dat hij zes weken lang, dag en nacht, in zijn bed lag. (…) Naar verwachting zal het ongeveer een half jaar duren voordat hij weer de oude is. (…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De in oktober ontstane breuk bleek een dijbeenhalsfractuur te zijn waarbij de gebroken botdelen in elkaar gedrukt werden. </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">Een “geïnclaveerde mediale collumfractuur” (zie brief orthopeden van 8 oktober 2018). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vergelijkbare jurisprudentie </title>
    <para>
      <emphasis role="italic">Jurisprudentie passend bij een heupfractuur die, zoals in het huidige geval, conservatief wordt behandeld wordt niet gevonden. </emphasis>
      <emphasis role="underline italic">Voor het Schadefonds Geweldsmisdrijven, valt een dergelijke fractuur, zonder verdere complicaties en blijvende beperkingen in letselcategorie 2 en komt in aanmerking voor een uitkering van 2.500,-.</emphasis>
      <emphasis role="italic"> In de huidige casus zal het been van benadeelde in ieder geval 2 tot 3 mm korter blijven dan voorheen, hetgeen zal leiden tot een veranderd looppatroon en op termijn zeer waarschijnlijk eerder artrose, dan wanneer deze breuk niet zou zijn ontstaan. Over andere late complicaties valt nu, zo kort na het incident, nog niets te zeggen. Naast de gebroken heup had benadeelde verschillende verwondingen en gekneusde ribben. Zowel van het laatste als van de gebroken heup heeft benadeelde veel pijn gehad. Hem wacht nog een verder revalidatietraject. </emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen in redelijkheid is te stellen op ten minste 4.000,- en thans opeisbaar is.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. De letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven (geldend vanaf 1 november 2022) – waarnaar in het schadeonderbouwingsformulier wordt verwezen – vermeldt onder meer (onderstrepingen mijnerzijds):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">De letselcategorieën en bijbehorende uitkeringen </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Categorie 1 		&gt; 		€ 1.000,-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Categorie 2 		&gt; 		€ 2.500,- </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Letselcategorie 2: </title>
    <parablock>
      <para> <emphasis role="italic">Fysiek letsel waarbij behandeling nodig is, met tijdelijke beperkingen en afhankelijkheid, die naar de aard en gevolgen ernstiger zijn dan letselcategorie 1.</emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">Fysiek letsel waarbij behandeling nodig is, met blijvende niet-hinderlijke beperkingen. </emphasis></para>
      <para> <emphasis role="italic">Fysiek letsel waarbij een operatieve ingreep noodzakelijk is, tenzij anders vermeld in deel 1B van de letsellijst.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Heup en bekkenring, gevormd door schaambeen, darmbeen en heiligbeen</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">2 	Fracturen van een dijbeenhals (= heup = collum), genezend zonder complicaties en blijvende beperkingen.</emphasis>
        <emphasis role="underline">”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. Bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ bevindt zich tevens een verslag van de spoedeisende hulp ten behoeve van [benadeelde 2] , opgemaakt door [betrokkene 1] , arts-assistent orthopedie d.d. 18 oktober 2018 (bijlage 4). Dit verslag houdt onder meer in:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Wij zagen uw patiënt op 08-10-2018 op de spoedeisende hulp in het Tergooi ziekenhuis locatie Hilversum. (…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie </title>
    <bridgehead role="italic">Mediale collum fractuur links </bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beleid </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">lom [betrokkene 2] : </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- DHS heeft nu geen toegevoegde waarde, voorkeur om dit conservatief uit te behandelen. Zo nodig tzt een THP (…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 juni 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade het volgende aangevoerd (onderstrepingen mijnerzijds): </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Voor wat betreft de immateriële schade: het is vervelend dat aangever is gevallen, maar de verdediging meent dat verdachte daar niet verantwoordelijk voor is. Primair wordt verzocht de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">Het dossier bevat geen rapport van een deskundige ten aanzien van de immateriële schade. De verdediging meent dat op basis van de huidige medische stukken niet kan worden aangetoond dat het letsel in categorie 2 valt. De indicaties na het incident zien veel eerder op herstel. In categorie 0 of 1 is een veel lager bedrag toewijsbaar. Subsidiair, indien het hof meent dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, verzoekt de verdediging het bedrag te matigen tot maximaal € 1.000,-.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. Het hof heeft ten aanzien van de immateriële vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen en beslist (onderstrepingen mijnerzijds): </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De benadeelde partij komt eveneens vergoeding van immateriële schade toe en het hof schat deze schade op een bedrag van € 2000,00. </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">Ook</emphasis>
        <emphasis role="italic"> de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten, zijnde reis- en parkeerkosten, </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">acht het hof voldoende onderbouwd en kan worden toegewezen</emphasis>
        <emphasis role="italic">.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De toelichting op het tweede middel </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat in casu niet is voldaan aan de motiveringsplicht, als bedoeld in artikel 361 lid 4 Sv, omdat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat erop neerkomt dat afwijzing van de vordering dient te volgen nu geen rapport is opgemaakt van een deskundige, niet kan worden aangetoond dat het letsel in categorie 2 valt en dat het hof, mocht het in weerwil van het voorgaande toch tot een toewijzing komen, het bedrag dient te matigen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het juridisch kader </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Artikel 361 lid 4 Sv, welke bepaling op de voet van artikel 415 Sv ook van toepassing is in hoger beroep, bepaalt dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen moet zijn omkleed. Hoewel de wet aan deze eis geen sanctie van nietigheid verbindt, neemt dat niet weg dat de Hoge Raad aan de motivering van die beslissing wel degelijk eisen stelt, met name in het geval (uitdrukkelijk) verweer is gevoerd op (onderdelen van) de vordering van de benadeelde partij.<footnote-ref linkend="_38a51f76-9b22-432c-9d5e-551cce37d0c6" /> Bij de beoordeling of aan die motiveringseisen is voldaan, dient het arrest als geheel en de diverse onderdelen daarvan in ogenschouw te worden genomen, zulks in onderlinge samenhang bezien. Daarbij hoeft volgens vaste rechtspraak geen aansluiting te worden gezocht bij de vereisten van artikel 359 lid 2 Sv.<footnote-ref linkend="_cf35550e-5fe0-4782-a8e0-054c86799549" /> De begrijpelijkheid van de beslissing van de rechter over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.<footnote-ref linkend="_4b328166-e586-4fc7-8221-57777bc761e2" /> Met betrekking tot het begroten van de schade komt aan de feitenrechter een grote mate van vrijheid toe. Is, al dan niet mede in het licht van een gevoerd verweer, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij niet begrijpelijk, dan volgt in zoverre vernietiging en terugwijzing van de bestreden uitspraak.<footnote-ref linkend="_f2002b09-c869-418a-9729-2f65acadf5c5" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bespreking van het tweede middel </title>
    <para />
    <para>19. Het hof heeft overwogen dat het de door de benadeelde partij gestelde immateriële schade voldoende onderbouwd acht en dat het de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 2000,00. </para>
    <para />
    <para>20. Gelet op het door mij onder randnummer 18 weergegeven juridisch kader, en bezien in het licht van de inhoud en de onderbouwing van de ingediende vordering van de benadeelde partij en het door de verdediging tegen deze vordering gevoerde verweer, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit het ‘Verzoek tot schadevergoeding’ (opgemaakt door Slachtofferhulp Nederland) volgt dat bij de benadeelde partij door een deskundige, namelijk een daartoe bevoegd orthopeed, een ‘mediale collum fractuur’ is vastgesteld, dat – anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen – dergelijk letsel kan worden geschaard onder de <emphasis role="italic">tweede </emphasis>categorie van de letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven en dat bij deze categorie een (maximale) uitkering van € 2.500,- passend wordt geacht. Het door het hof toegekende bedrag aan vergoeding van immateriële schade wijkt dus niet zodanig af van het in de letsellijst geadviseerde bedrag, dat dit tot nadere motivering van het hof had genoopt.</para>
    <para />
    <para>21. Het middel is tevergeefs voorgesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Slotsom</title>
    <para />
    <para>22. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende motivering.</para>
    <para />
    <para>23. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de mate van overschrijding kan worden volstaan met de constatering daarvan.<footnote-ref linkend="_f2daa62b-0c6e-4dc3-a818-f8690151adc9" /></para>
    <para />
    <para>24. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.</para>
    <para />
    <para>25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal</para>
      <para>bij de Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AG</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_85cad917-8a64-419f-9359-8dff7689e8e2" label="1">
    <para> In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 29 juni 2022 wordt niet verwezen naar de terechtzitting van 17 juni 2021, maar naar die van 16 juli 2021. Aangezien ik van een zitting van 16 juli 2021 géén proces-verbaal heb aangetroffen, houd ik het ervoor dat de verwijzing naar “16 juli 2021” een kennelijke verschrijving betreft. Ditzelfde geldt voor de verwijzing naar “16 juli 2021” op bladzijde 1 van het bestreden arrest (waar eveneens is nagelaten melding te maken van de terechtzitting van 17 juni 2021).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_38a51f76-9b22-432c-9d5e-551cce37d0c6" label="2">
    <para>HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.8.6. Zie ook HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2009/122, rov. 3.4. Vgl. ook mijn conclusie van 21 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:526, voorafgaand aan HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1074 (art. 81 lid 1 RO).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf35550e-5fe0-4782-a8e0-054c86799549" label="3">
    <para> Zie: HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762: <emphasis role="italic">“3.3 Voor zover het middel berust op de opvatting dat ten aanzien van de motivering van een op een vordering van een benadeelde partij te nemen beslissing ‘aansluiting dient te worden gezocht’ bij het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv faalt het. Die opvatting is niet juist.”</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_4b328166-e586-4fc7-8221-57777bc761e2" label="4">
    <para> HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.8.6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2002b09-c869-418a-9729-2f65acadf5c5" label="5">
    <para> HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2009/122; HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4607, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2011/183, en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2019/379 m.nt. Vellinga, rov. 2.8.6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2daa62b-0c6e-4dc3-a818-f8690151adc9" label="6">
    <para> HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2024/133 rov. 3.1.3.</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>