<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:PHR:2024:860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-05T00:01:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Parket_bij_de_Hoge_Raad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Parket bij de Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Datum genomen">2024-08-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/00392</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie">Conclusie</dcterms:type>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2024:1382" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1382</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:860">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2024:860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-04T13:42:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:PHR:2024:860 Parket bij de Hoge Raad , 30-08-2024 / 24/00392</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:PHR:2024:860:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Faillissementsrecht; ontslag curator (art. 73 Fw); horen curator</para>
    </inhoudsindicatie>
  <conclusie id="ECLI:NL:PHR:2024:860:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <conclusie.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCUREUR-GENERAAL</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BIJ DE</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer	</emphasis>24/00392</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>30 augustus 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>CONCLUSIE </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E.B. Rank-Berenschot</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. C.A. Hage, </para>
      <para>verzoeker tot cassatie,</para>
      <para>advocaat: mr. K. Aantjes</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker tot cassatie wordt hierna verkort aangeduid als <emphasis role="bold">de curator</emphasis>. </para>
    </parablock>
  </conclusie.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding en samenvatting</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De curator is in een drietal faillissementen door de rechtbank ontslagen (art. 73 Fw). In cassatie klaagt de curator dat hij ten onrechte niet door de rechtbank is gehoord (onderdeel 1). Ook keert hij zich tegen de voor het ontslag gebezigde motivering, die erin bestaat dat hij geschrapt is van de curatorenlijst (onderdelen 2 en 3). Ik meen dat onderdeel 1 doel treft.  </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten en procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Er heeft in deze zaak geen feitenvaststelling plaatsgevonden. Uit de gedingstukken laten zich echter de volgende feiten afleiden.</para>
        <para>(i) Bij brief van 19 juli 2023 heeft rechter-commissaris mr. S. Boot (hierna: <emphasis role="bold">de R-C</emphasis>), onder verwijzing naar een brief van 31 oktober 2022 en een afspraak van 10 juli 2023, aan de curator meegedeeld dat hij, in lijn met de landelijke richtlijn, een tweede curator aan zijn kantoor moet verbinden en dat de hem daarvoor tot 1 september 2023 verleende termijn wordt verruimd tot 1 januari 2024. Bij gebreke van een tijdige voordracht van een tweede curator zal de curator worden verwijderd van de lijst van benoembare curatoren, aldus de R-C.</para>
        <para>(ii) Bij e-mail van 24 oktober 2023 heeft de curator – op grond van enerzijds het nog steeds te geringe aanbod van faillissementen en anderzijds de ingrijpende financiële en personele belangen die het gevolg zullen zijn van staking van zijn insolventiepraktijk – de R-C verzocht om uitstel voor het aantrekken van een tweede curator tot 1 februari 2025. </para>
        <para>(iii) Bij brief van 26 oktober 2023 heeft de R-C dit verzoek om nader uitstel afgewezen. </para>
        <para>(iv) Bij brief van 22 januari 2024 heeft de R-C aan de curator geschreven:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Zoals in mijn brieven van 19 juli 2023 en van 26 oktober 2023 aangekondigd zult u van de lijst van benoembare curatoren worden geschrapt nu u niet meer voldoet aan de door Recofa gestelde kwaliteitseisen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Volgens onze gegevens heeft u nog de volgende </emphasis>(elf, toev. a-g)<emphasis role="italic"> faillissementen in behandeling:  </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Een aantal van bovenstaande faillissementen bevinden zich in de afwikkelingsfase en ik verzoek u dan ook voor de afwikkeling van deze faillissementen zorg te dragen. In de volgende </emphasis>(vier, toev. a-g)<emphasis role="italic"> faillissementen zal u worden ontslagen als curator en een opvolgende curator worden benoemd: </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [A] B.V. (...)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Cadeauhuis-Ede B.V. (...)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Refixus Vastgoed (B.V.) (...)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(...)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als opvolgend curator zal mr. (...) worden benoemd per 1 februari 2024 (...) Ik verzoek u voor een ordentelijke overdracht zorg te dragen. (...).”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op 23 januari 2024 heeft de rechtbank Gelderland drie beschikkingen gewezen, in elk waarvan zij met ingang van 23 januari 2024 de curator in het betreffende faillissement heeft ontslagen en met ingang van 23 januari 2024 een opvolgend curator heeft benoemd.<footnote-ref linkend="_68572762-5c67-4983-9038-1b2193c028e2" /><?linebreak?>De drie beschikkingen zijn gelijkluidend voor wat betreft de volgende overweging:</para>
        <para>“De beoordeling</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>mr. C.A. Hage is recent geschrapt van de curatorenlijst. Daarom dient hij als curator in dit faillissement te worden ontslagen en moet een opvolgend curator worden benoemd.” </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij procesinleiding van 8 februari 2024 heeft de curator - tijdig<footnote-ref linkend="_9360c054-37a1-48af-bbd3-5dbcf47c5108" /> - cassatieberoep ingesteld tegen de drie beschikkingen (hierna: <emphasis role="bold">de bestreden beschikkingen</emphasis>) van de rechtbank Gelderland.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ontvankelijkheid van het cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De curator heeft bij één procesinleiding beroep in cassatie ingesteld tegen een drietal, in verschillende procedures gedane uitspraken. Volgens vaste rechtspraak van uw Raad is dit in het algemeen in strijd met de goede procesorde. Daarop zijn echter uitzonderingen mogelijk.<footnote-ref linkend="_139e358f-b3b2-4ae2-a540-15633dda7a0b" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Nu het cassatieberoep zich richt tegen drie op dezelfde dag uitgesproken beschikkingen, die door dezelfde rechter ten aanzien van dezelfde partij (curator) op dezelfde gronden (het geschrapt zijn van de lijst van curatoren) en met identieke uitkomst (ontslag) zijn gewezen, staat de goede procesorde mijns inziens niet aan ontvankelijkheid in de weg.<footnote-ref linkend="_68bedcd2-8e1c-4bb5-8f31-70ea5a602831" /></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bespreking van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. De onderdelen keren zich tegen de beslissing tot  het ontslag van de curator, zulks zowel op een procedurele grond als op grond van de voor die beslissing gegeven motivering, inhoudende dat de curator van de curatorenlijst is geschrapt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Alvorens de klachten te bespreken, geef ik een kort overzicht van het juridisch kader.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De curatorenlijst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Art. 14 Fw lid 1, eerste volzin, bepaalt dat het vonnis van faillietverklaring onder meer de aanstelling van een of meer curators inhoudt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Of iemand in een concreet faillissement aangesteld kan worden als curator, is in de praktijk doorgaans afhankelijk van zijn/haar plaatsing op de zogenoemde ‘curatorenlijst’.<footnote-ref linkend="_9ba2d1e3-7f16-49e6-b94d-0a9f37e51102" /> Dit is een lijst met namen van personen die benoembaar zijn als curator in faillissementen, zoals aangehouden door de verschillende rechtbanken.<footnote-ref linkend="_8660b7b1-237a-4f55-b969-8fe5ea09ec3a" /> De Rechtspraak hanteert geen landelijke lijst met aan te stellen curatoren; het is aan de rechtbank overgelaten om de curatorenlijst samen te stellen. Daartoe wordt gewezen op de lokale verschillen in de arrondissementen en de noodzaak dat de rechtbank ervaring heeft met de kennis, kunde etc. van de curatoren.<footnote-ref linkend="_76d1334f-161f-40d2-b96c-5c72da747337" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>De plaatsing op de curatorenlijst vindt niet plaats bij vonnis. Zij wordt wel aangemerkt als een administratieve beslissing anderszins van de rechtbank, waarvan de juridische aard niet eenduidig is.<footnote-ref linkend="_3d3c2448-1060-49c8-a9f7-80c7a99cd6d8" /> Plaatsing op de curatorenlijst geeft geen recht op de aanstelling als curator in een faillissement.<footnote-ref linkend="_a5e1723b-d2b1-4fc8-a3b0-2dd35a31ff3d" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Tussen 15 maart 2013 en 1 januari 2023 werden door de rechtbanken de ‘Recofa-uitgangspunten bij de benoeming van curatoren en bewindvoerders in faillissementen en surseances van betaling’ (hierna: <emphasis role="bold">Recofa-uitgangspunten 2013</emphasis>) gehanteerd. Deze (niet bindende) landelijke uitgangspunten hadden betrekking op (onder meer) het plaatsen van personen op de curatorenlijst, de daarbij door de rechtbank aan te leggen toets en de beëindiging van de plaatsing op de lijst.<footnote-ref linkend="_6311cffb-cb9c-429d-be14-ea0199ed8fc9" /> Tot de kwalitatieve normen voor benoembaarheid (van advocaten) als curator behoorde o.m. de voorwaarde dat de advocaat werkzaam was op een kantoor waar al één of meerdere curatoren en faillissementsmedewerkers werkzaam waren.<footnote-ref linkend="_6a7c5c2b-2426-4ca9-aecf-d58fcb8a18ca" /> Deze vereisten konden vervolgens een rol spelen bij de beslissing van de rechtbank om een curator van de curatorenlijst te schrappen.<footnote-ref linkend="_65dc708f-b172-43ca-b73d-41d6fbc601d9" /> Niettemin werd de bestaande praktijk als onbevredigend aangemerkt. Zo was onduidelijk of tegen een beslissing tot schrapping van de lijst – die geen ontslag in de zin van art. 73 Fw is<footnote-ref linkend="_5915d73a-f22b-4c0e-876f-fc3643560425" />, noch een daad van toezicht van de rechter-commissaris – bezwaar kan worden aangetekend en zo ja, welke de rechtsgang daarbij is.<footnote-ref linkend="_9390b01e-328b-48da-acb2-fd8afcd36936" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>In 2019 is de (Europese) Herstructureringsrichtlijn vastgesteld.<footnote-ref linkend="_ac9912e7-f9d1-496f-8f52-d45a64094928" /> In het kader van maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van insolventieprocedures draagt art. 26 Herstructureringsrichtlijn de lidstaten onder meer op zorg te dragen voor opleiding en deskundigheid van de aan te stellen ‘deskundige’ (zoals een curator), alsmede voor duidelijkheid en transparantie van de voorwaarden om voor aanstelling in aanmerking te komen en de voor aanstelling of ontslag geldende procedure. Art. 26 Herstructureringsrichtlijn is in de Nederlandse wetgeving gedeeltelijk geïmplementeerd in art. 14 lid 5 Fw.<footnote-ref linkend="_00bb1f6d-9f79-49fd-bc72-4354f26982ef" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Voorts heeft omzetting van art. 26 Herstructureringsrichtlijn plaatsgevonden door vaststelling  door Recofa (bekrachtigd door het LOVT) van de ‘Richtlijnen aanstellen curatoren in faillissementen en benoeming bewindvoerders in surseances van betaling’, in werking getreden per 1 januari 2023 (hierna: <emphasis role="bold">Recofa-richtlijnen 2023</emphasis>).<footnote-ref linkend="_3582a7c1-f854-470c-8a84-c6e14a96662f" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <parablock>
        <para>De Recofa-richtlijnen 2023 bevatten onder meer algemene ‘geschiktheidscriteria’ om voor plaatsing op de curatorenlijst in aanmerking te komen en te blijven. Als voorwaarde voor <emphasis role="italic">plaatsing</emphasis> geldt, naast voorwaarden met betrekking opleiding, werkervaring, gedrag e.d.:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">De verzoeker is werkzaam op een kantoor, waar minstens één andere curator werkzaam is die op de lijst van aan te stellen curatoren uit het arrondissement van vestiging is geplaatst;”</emphasis></para>
        <para>Tot voorwaarde voor <emphasis role="italic">continuering</emphasis> van plaatsing op de lijst is gesteld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De curator dient werkzaam te zijn op een kantoor waarbij één of meer andere op de curatorenlijst geplaatste curatoren, één of meer andere advocaten werkzaam zijn én één of meer faillissementsmedewerkers verbonden zijn. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan (tijdelijk) dispensatie worden verleend voor deze eis, waarbij wel duidelijk moet zijn gemaakt op welke wijze de structurele kwaliteit voldoende is geborgd. Die dispensatie kan worden verleend in gevallen dat op een kantoor (tijdelijk) slechts één curator is.”</emphasis>
        </para>
        <para>De reden hiervan is primair gelegen in het borgen van kwaliteit, continuïteit en de mogelijkheid om aan de curatoren verschillende typen faillissementen toe te vertrouwen, in voorkomend geval met delegatie van werkzaamheden. Ook is van belang dat de aanwezigheid van medecuratoren de kennisdeling en waarneming bij afwezigheid bevordert.<footnote-ref linkend="_9fef4649-fbaf-4772-a093-466ec2a2bd93" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Daarnaast vermelden de Recofa-richtlijnen 2023 verschillende redenen om van de curatorenlijst te worden <emphasis role="italic">verwijderd</emphasis>. Zo wordt de curator ‘met onmiddellijke ingang’ van de lijst verwijderd wanneer hij niet meer over de voor zijn taken vereiste deskundigheid beschikt. Verwijdering ‘met inachtneming van een opzegtermijn’ volgt wanneer de rechtbank aangeeft dat zij, om haar moverende reden, het voornemen heeft de curator niet meer aan te stellen, onder meer, doch niet uitsluitend, vanwege (onder meer) het niet meer voldoen aan de criteria voor (continuering van) plaatsing op de curatorenlijst.<footnote-ref linkend="_db38dfd7-5690-4659-a89e-d58dc0f683ce" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Er bestaat kritiek op de geschiktheidscriteria in algemene zin,<footnote-ref linkend="_4a1f207b-2884-4eb5-920c-0456e6653622" /> op de wijze waarop de richtlijnen tot stand zijn gekomen en op de grote waarde die in de praktijk aan de regels wordt toegekend.<footnote-ref linkend="_db5513a9-bba3-4b46-9d48-7bb1c05fddf3" /> Daarnaast bestaat kritiek op het feit dat niet is voorzien in een beroepsmogelijkheid tegen de beslissing tot het schrappen van een curator van de curatorenlijst.<footnote-ref linkend="_41a45f00-c4c2-4f36-83e2-49175fbc70ea" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Wel bestaat er onder omstandigheden de mogelijkheid om de Staat voor de burgerlijke rechter te dagen teneinde de schrapping van de curatorenlijst aan te vechten. De grondslag hiervoor is een onrechtmatige daad van de rechtbank, als orgaan van de Staat.<footnote-ref linkend="_49b8e4fc-c7ba-47e6-872b-a571f7aa38a9" /> Uit de feitenrechtspraak volgt dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van de schrappingsbeslissing terughoudendheid dient te betrachten, omdat de rechtbank een zekere mate van beleidsvrijheid heeft om uitvoering te geven aan haar taak om effectief toe te zien op het handelen van curatoren en om in dat kader een benoemingsbeleid te voeren.<footnote-ref linkend="_f8755a43-6079-4110-8b5f-55cc3f007d8d" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>De beroepsmogelijkheden zijn met name van belang omdat niet duidelijk is welke precies de rechtsgevolgen zijn van plaatsing op of schrapping van de curatorenlijst. Meestal wordt ervan uitgegaan dat plaatsing op de lijst noodzakelijk is om voor benoeming tot curator in aanmerking te komen en dat schrapping van de lijst tot gevolg heeft dat geen benoeming tot de curator meer plaatsvindt.<footnote-ref linkend="_80d866b7-5f09-4e7f-8f6c-a0e75f2e4181" /> Er wordt wel gesproken van een relatie van opdrachtgeverschap, waarbij plaatsing op de curatorenlijst wordt gekwalificeerd als een raamovereenkomst.<footnote-ref linkend="_aa9cadb9-b8da-498c-8347-88b0187e87dd" />In ieder geval staat vast dat plaatsing op de curatorenlijst geen wettelijk vereiste is om aangesteld te worden als curator. Schrapping is, als gezegd, geen ‘ontslag’ in de zin van art. 73 Fw.<footnote-ref linkend="_92f7fbf5-1269-454f-86f9-29e6196fc03f" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <parablock>
        <para>De Recofa-uitgangspunten 2013 en de Recofa-richtlijnen 2023 zijn niet vastgesteld door een instantie die de bevoegdheid heeft rechters op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging te binden ten aanzien van het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte.<footnote-ref linkend="_2028a1b6-9763-4982-b21a-9898335693b6" /> Deze uitgangspunten en richtlijnen kunnen daarom ook niet worden aangemerkt als recht in de zin  van art. 79 RO.<footnote-ref linkend="_18edb7cc-efc6-40f4-9848-eb0b54bf6f17" /></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ontslag van de curator (art. 73 Fw</emphasis>)</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15</nr>
      <parablock>
        <para>Het ontslag van de curator is geregeld in art. 73 Fw, dat luidt:</para>
        <para>“1. De rechtbank heeft de bevoegdheid de curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht van de rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeisers, de schuldeiserscommissie, of de gefailleerde.</para>
        <para>2. De ontslagen curator legt rekening en verantwoording van zijn beheer af aan de in zijn plaats benoemde curator.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <para>De bepaling is in 1896 in werking getreden<footnote-ref linkend="_ef46e7f3-8b97-4155-99d1-76831ab85334" /> en tweemaal (redactioneel) gewijzigd.<footnote-ref linkend="_4e8c3d32-dd80-4f57-8a9e-6488124cb864" /> In de wetsgeschiedenis wordt niet ingegaan op door de rechtbank aan te leggen beoordelingscriteria.<footnote-ref linkend="_04c3659e-0b6a-4c8e-9e68-c5351c4c9809" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>Het ontslag kan worden uitgesproken hetzij op voordracht van de rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van schuldeiser(s) of de gefailleerde. Het recht van voordracht tot ontslag van de rechter-commissaris functioneert binnen diens algemene taak om toezicht te houden op een behoorlijke taakvervulling en na te gaan of de curator handelt binnen de grenzen van de wet en in het belang van de schuldeisers.<footnote-ref linkend="_a190909d-5ea7-4c8a-aa41-06ddc74b3436" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>In alle gevallen geschiedt het ontslag niet dan nadat de curator door de rechtbank is gehoord of behoorlijk is opgeroepen (art. 73 lid 1 Fw). Deze regel vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor.<footnote-ref linkend="_15b3b3f9-8eee-406a-9925-eccd3ebc0cf4" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>Op grond van art. 65 Fw moet ook de rechter-commissaris worden gehoord. Schending van dit voorschrift brengt mee dat de ontslagbeschikking bloot staat aan vernietiging in cassatie.<footnote-ref linkend="_4dd15197-2cd2-46ea-9d74-1f869c8f31ba" /> Het horen van de gefailleerde is niet voorgeschreven; dit is aan het beleid van de rechtbank overgelaten.<footnote-ref linkend="_075fba7b-9e5c-4d0f-8a7f-a2be21ab42cd" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20</nr>
      <para>De Faillissementswet noch de wetsgeschiedenis vermeldt de gronden waarop de curator kan worden ontslagen. Het ontslag van de curator betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank.<footnote-ref linkend="_5b804c24-19b6-402a-b77d-ffbb262ff4f8" /> Dat brengt mee dat er geen maatstaf geldt aan de hand waarvan moet worden beslist<footnote-ref linkend="_df9ab833-dbe1-4273-ad5f-8aba608898c3" /> en dat niet kan worden geklaagd over onjuistheid van de gebezigde gronden.<footnote-ref linkend="_ceb991f1-aecc-44d6-822a-c244ef61ae4e" /> De rechtbank heeft een ruime vrijheid, waarvan de grenzen worden bepaald door het recht, waaronder de eisen van een behoorlijke rechtspleging. De vraag of de feitenrechter binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid is gebleven, is een rechtsvraag; in zoverre kan het oordeel in cassatie volledig worden getoetst.<footnote-ref linkend="_8d7cb97a-f3aa-4127-a295-5b3439073ac4" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21</nr>
      <para>In het geval dat leidde tot genoemde beschikking van 28 juni 1985<footnote-ref linkend="_48011205-a13c-406a-86a8-6f7f79964a92" /> had de rechtbank het ontslagverzoek <emphasis role="italic">afgewezen</emphasis> op de grond dat daartoe ‘geen reden aanwezig’ was. Uw Raad oordeelde dat de aard van de aan de orde zijnde ontslagbeschikking – die erop neerkomt dat van de in art. 73 Fw toegekende discretionaire bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt – meebrengt dat in beginsel met een dergelijke sobere motivering kan worden volstaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22</nr>
      <para>In het algemeen wordt betoogd dat bij een <emphasis role="italic">toewijzende</emphasis> ontslagbeschikking hogere eisen aan de motivering kunnen worden gesteld en dat van de rechtbank kan worden gevraagd om deugdelijk te motiveren waarom naar haar discretie het ontslag geboden is.<footnote-ref linkend="_470baa21-dd26-44d7-8e42-e3fd46ccd92b" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de feitenrechtspraak volgt dat de rechtbank dient te beoordelen of de betrokken belangen, waaronder het belang van de gezamenlijke schuldeisers<footnote-ref linkend="_a3d17d3a-5736-46b3-8c8b-f1990e33b533" /> en van de failliet,<footnote-ref linkend="_814d90ba-29c7-4265-9fe2-7b492fd2436c" /> is gediend met het ontslag van de curator. Omdat een curatorwisseling doorgaans leidt tot extra kosten en vertraging in de afwikkeling van het faillissement – hetgeen in beginsel niet in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers –, is de rechter veelal terughoudend met het honoreren van het verzoek tot ontslag van de curator.<footnote-ref linkend="_5030e721-a53a-4151-adca-b8a36c063d00" /> Er worden in de rechtspraak vaak zwaarwegende omstandigheden vereist.<footnote-ref linkend="_c10c39b2-d270-490d-bf3b-505d41ae29e8" /> In de literatuur zijn als zodanig onder meer gedestilleerd:<footnote-ref linkend="_bf629d98-3afe-406f-910a-f7e5c38b36c5" /> het bestaan dan wel de schijn van een tegenstrijdig belang, een verstoorde werkverhouding met de rechter-commissaris, en schending van de fraudesignalerende taak van de curator (art. 68 lid 2 Fw).<footnote-ref linkend="_7be4664d-f80f-4e06-b0ec-3b227c575b7a" /> Bij de beoordeling van hetgeen van een curator verwacht mag worden, worden praktijkregels mede van betekenis geoordeeld.<footnote-ref linkend="_4f744dc0-7dd2-4baa-b1d1-d857749e6bda" /> In de literatuur wordt meer in het algemeen gesteld dat de voordracht of het verzoek tot ontslag moet zijn gebaseerd op de stelling dat de curator de beschikking en het beheer over de boedel onjuist of onvoldoende heeft uitgevoerd of dat hij de boedel onnodig schade heeft berokkend of dreigt te berokkenen.<footnote-ref linkend="_aef9415c-3e59-40df-b5eb-d30e1b82b5b1" /></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bespreking van het cassatiemiddel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 1</emphasis> klaagt dat de rechtbank art. 73 Fw heeft geschonden, door de curator te ontslaan zonder hem vooraf te hebben gehoord. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25</nr>
      <para>Deze klacht slaagt. Kennelijk was de rechtbank in dit geval geroepen om te beslissen op een voordracht tot ontslag van de R-C.<footnote-ref linkend="_7a6d2068-6594-4ba4-9d5f-f5ab29db5e6a" /> Ook in zo’n geval dient de rechtbank op grond van art. 73 Fw de curator te horen, althans behoorlijk op te roepen, alvorens te beslissen (zie hierboven alinea 4.18). Nu uit de stukken van het geding niet valt op te maken dat de rechtbank de curator over (de voordracht tot) het ontslag heeft gehoord, althans behoorlijk heeft opgeroepen, kunnen de bestreden beschikkingen niet in stand blijven.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderdeel 2</emphasis> betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Recofa-richtlijnen 2023 niet de mogelijkheid geven om de curator in lopende faillissementen te ontslaan, ook niet als deze van de curatorenlijst is geschrapt. Met andere woorden:  een schrapping van de curatorenlijst betekent niet dat de geschrapte curator dient te worden ontslagen, aldus het onderdeel.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27</nr>
      <para>Volgens <emphasis role="underline">onderdeel 3</emphasis> heeft de rechtbank miskend dat zij bij haar beoordeling van de voordracht tot ontslag terughoudendheid moet betrachten en dat zwaarwegende omstandigheden worden vereist. Althans blijkt uit de bestreden beslissingen niet dat de rechtbank genoemde stringente toets heeft aangelegd, zodat deze ongenoegzaam zijn gemotiveerd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28</nr>
      <para>Het slagen van onderdeel 1 brengt mee dat de onderdelen 2 en 3 geen behandeling behoeven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29</nr>
      <para>Ten overvloede merk ik op dat onderdeel 2 faalt voor zover daarmee wordt geklaagd over schending van de Recofa-richtlijnen 2023 (zie hierboven alinea 4.14). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30</nr>
      <para>Voorts stellen de onderdelen 2 en 3 de vraag aan de orde of de rechtbank de voordracht tot ontslag in elk van de drie lopende faillissementen kon honoreren op de (enkele) grond dat de curator (recentelijk) van de curatorenlijst is geschrapt. Ik volsta hier met een enkele kanttekening bij de betekenis van deze omstandigheid in abstracto. Zoals uit het voorgaande blijkt, is plaatsing op de curatorenlijst geen wettelijk vereiste om aangesteld te worden als curator. De plaatsing op de curatorenlijst is slechts een administratieve beslissing, die geen recht geeft op de aanstelling als curator in een concreet faillissement (alinea 4.5 en 4.13). Het omgekeerde zou daarom ook niet moeten gelden. Bovendien kan schrapping van de lijst verschillende oorzaken hebben. Het is voorstelbaar dat sommige omstandigheden wel reden zijn voor schrapping van de curatorenlijst (zoals dat maar één curator is verbonden aan het kantoor) maar niet zo zwaarwegend zijn dat zij onder alle omstandigheden een ontslag in een specifiek, lopend faillissement rechtvaardigen. Of een curator dient te worden ontslagen, is immers afhankelijk van de vraag of de betrokken belangen (in het bijzonder het belang van de gezamenlijke schuldeisers) in <emphasis role="italic">het concrete faillissement</emphasis> gediend zijn met het ontslag. Dat is een andere toets dan of iemand <emphasis role="italic">in algemene zin</emphasis> geschikt is om als curator op te treden in faillissementen. Daarbij komt dat de beroepsmogelijkheden tegen een administratieve beslissing tot schrapping beperkt zijn (alinea 4.12). Zou schrapping van de lijst zonder meer tot ontslag leiden, dan zou de schrapping verstrekkende gevolgen kunnen hebben, terwijl die beslissing alleen in een procedure tegen de Staat kan worden aangevochten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31</nr>
      <para>De slotsom is dat onderdeel 1 slaagt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Conclusie</title>
    <para>De conclusie strekt tot vernietiging en terugverwijzing.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Procureur-Generaal bij de</para>
      <para>Hoge Raad der Nederlanden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A-G</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_68572762-5c67-4983-9038-1b2193c028e2" label="1">
    <para> 	Rb. Gelderland 23 januari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:764 (Refixus Vastgoed B.V.); Rb. Gelderland 23 januari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:765 (Cadeauhuis-Ede B.V.); Rb. Gelderland 23 januari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:766 ( [A] B.V.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9360c054-37a1-48af-bbd3-5dbcf47c5108" label="2">
    <para> 	Art. 426 lid 1 Rv. Dat cassatie openstaat, volgt uit art. 398 lid 1 Rv jo. art. 85 Fw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_139e358f-b3b2-4ae2-a540-15633dda7a0b" label="3">
    <para> 	B.T.M. van der Wiel m.m.v. M.M. Stolp, in: Van der Wiel e.a., <emphasis role="italic">Cassatie</emphasis>, Deventer: Kluwer 2019/216, en B. Winters &amp; S.M. Kingma, <emphasis role="italic">T&amp;C Rv</emphasis>, art. 407 Rv, aant. 4 (actueel t/m 1 januari 2024), beiden met rechtspraakverwijzingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_68bedcd2-8e1c-4bb5-8f31-70ea5a602831" label="4">
    <para> 	Vgl. HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7499, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1980/611, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8100, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2010/116, rov. 4.2-4.3; HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2014/248, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1-4.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ba2d1e3-7f16-49e6-b94d-0a9f37e51102" label="5">
    <para> 	Zie over de praktijk van curatorenlijsten nader R.D. Vriesendorp, <emphasis role="italic">Insolventierecht, </emphasis>Deventer: Kluwer 2021/121. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8660b7b1-237a-4f55-b969-8fe5ea09ec3a" label="6">
    <para> 	J.B.A. Jansen, ‘Over benoeming en benoembaarheid: de nieuwe Recofa-richtlijnen’, in: E.J. Oppedijk van Veen e.a. (red.), <emphasis role="italic">De taak van de curator. Insolad Jaarboek </emphasis>2023, Deventer: Kluwer 2023, p. 157.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_76d1334f-161f-40d2-b96c-5c72da747337" label="7">
    <para> 	Zie Recofa Richtlijnen aanstellen curatoren in faillissementen en benoeming bewindvoerders in surseances van betaling (versie 1 januari 2023), onder ‘Vooropgesteld’ (2e en 7e gedachtestreepje). Zie over de regionale verschillen ook S. Boot e.a., ‘Duidelijk, transparant en rechtvaardig. Over de richtlijnen voor aanstelling, benoeming en ontslag van curatoren, bewindvoerders, HD’s en observatoren in het insolventierecht’, <emphasis role="italic">FIP </emphasis>2023/01, p. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d3c2448-1060-49c8-a9f7-80c7a99cd6d8" label="8">
    <para> 	Jansen, <emphasis role="italic">Insolad Jaarboek </emphasis>2023, p. 157. Vgl. Rb. Den Haag 18 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8063, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2011/156, rov. 4.2 (besluit tot schrappen van de curatorenlijst is geen rechterlijke beslissing in strikte zin maar veeleer een bestuurlijke beslissing van (de r-c’s in) de rechtbank in het kader van het beleid ter bevordering van de afwikkeling van faillissementen).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5e1723b-d2b1-4fc8-a3b0-2dd35a31ff3d" label="9">
    <para> 	Vgl. art. 4.1 Recofa-uitgangspunten bij de benoeming van curatoren en bewindvoerders in faillissementen en surseances van betaling (versie 15 maart 2013), en Recofa Richtlijnen aanstellen curatoren in faillissementen en benoeming bewindvoerders in surseances van betaling (versie 1 januari 2023), onder ‘Vooropgesteld’ (6e gedachtestreepje), </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6311cffb-cb9c-429d-be14-ea0199ed8fc9" label="10">
    <para> 	Zie over de Recofa-uitgangspunten 2013 nader: B. Wessels, ‘Naar een betere waarborging van de onafhankelijkheid van de faillissementscurator’, <emphasis role="italic">MvV</emphasis> 2013, p. 293; B. Wessels, ‘Transparantie bij de benoeming van de faillissementscurator’, <emphasis role="italic">AA </emphasis>2017, nr. 12, p. 968-969; Wessels <emphasis role="italic">Insolventierecht IV,</emphasis> Deventer: Kluwer 2020/4091g; Vriesendorp, <emphasis role="italic">Insolventierecht</emphasis> 2021/121; <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 43.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a7c5c2b-2426-4ca9-aecf-d58fcb8a18ca" label="11">
    <para> 	Jansen, <emphasis role="italic">Insolad Jaarboek </emphasis>2023, p. 158.  Art. 1.1.2 sub f Recofa-uitgangspunten 2013 luidde: ‘<emphasis role="italic">De advocaat dient bij voorkeur werkzaam te zijn op een kantoor, waaraan één of meer reeds op de curatorenlijst geplaatste (meer ervaren) curator(en) en één of meer failissementsmedewerker(s) zijn verbonden zodat er voldoende delegatiemogelijkheden zijn.</emphasis>’</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65dc708f-b172-43ca-b73d-41d6fbc601d9" label="12">
    <para> 	Art. 3.1 Recofa-uitgangspunten 2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5915d73a-f22b-4c0e-876f-fc3643560425" label="13">
    <para> 	Zie over art. 73 Fw hierna alinea 4.15 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9390b01e-328b-48da-acb2-fd8afcd36936" label="14">
    <para> 	Wessels, <emphasis role="italic">AA</emphasis> 2017, nr. 12, p. 969.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ac9912e7-f9d1-496f-8f52-d45a64094928" label="15">
    <para> 	Richtlijn 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie), <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> 2019 L 172/18. Zie over de Herstructureringsrichtlijn: Boot e.a., <emphasis role="italic">FIP </emphasis>2023/01; Jansen, <emphasis role="italic">Insolad Jaarboek </emphasis>2023, p. 160 e.v. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_00bb1f6d-9f79-49fd-bc72-4354f26982ef" label="16">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2021/22, 36 040, nr. 3 (MvT), p. 42.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3582a7c1-f854-470c-8a84-c6e14a96662f" label="17">
    <para> 	Zie over de vraag in hoeverre deze omzetting geslaagd is Jansen, <emphasis role="italic">Insolad Jaarboek </emphasis>2023, p. 155 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9fef4649-fbaf-4772-a093-466ec2a2bd93" label="18">
    <para> 	Boot e.a., <emphasis role="italic">FIP </emphasis>2023/01, p. 6. Zie over deze kantoororganisatorische voorwaarden nader: J.B.A. Jansen, ‘Duidelijk, transparant en rechtvaardig? De nieuwe Recofa-richtlijnen 2023’, <emphasis role="italic">TvI </emphasis>2023/20, p. 163.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_db38dfd7-5690-4659-a89e-d58dc0f683ce" label="19">
    <para> 	De opsomming van situaties voor schrapping met onmiddellijke ingang is limitatief, die voor schrapping met een opzegtermijn niet, zie Boot e.a., <emphasis role="italic">FIP</emphasis> 2023/01, p. 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a1f207b-2884-4eb5-920c-0456e6653622" label="20">
    <para> 	Jansen, <emphasis role="italic">TvI </emphasis>2023/20, p. 158 e.v.. Zie ook J.E. Soeharno, ‘Naar volwaardig tuchtrecht voor curatoren. Evaluatie van het niet-volstaande en uitgangspunten voor de toekomst’, <emphasis role="italic">TvI </emphasis>2023/34. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_db5513a9-bba3-4b46-9d48-7bb1c05fddf3" label="21">
    <para> 	J.M.W. Pool, ‘Waarom een verbetering van de relatie tussen curator en rechter-commissaris kan zorgen voor beter toezicht’, <emphasis role="italic">FIP </emphasis>2023/08, p. 21-22.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_41a45f00-c4c2-4f36-83e2-49175fbc70ea" label="22">
    <para> 	Jansen, <emphasis role="italic">Insolad Jaarboek </emphasis>2023, p. 170-171; Jansen, <emphasis role="italic">TvI </emphasis>2023/20, p. 164.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_49b8e4fc-c7ba-47e6-872b-a571f7aa38a9" label="23">
    <para> 	De maatstaf aan de hand waarvan de burgerlijke rechter moet beslissen of de rechtbank onrechtmatig heeft gehandeld door de curator van de curatorlijst te schrappen, is niet eenduidig. Zie: Wessels, <emphasis role="italic">Insolventierecht IV</emphasis>, 2020/4091f, met verwijzingen naar feitenrechtspraak.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8755a43-6079-4110-8b5f-55cc3f007d8d" label="24">
    <para> 	Rb. Den Haag 18 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL8063, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2011/156, <emphasis role="italic">TvI </emphasis>2010/12, m.nt. R.D. Vriesendorp, rov. 4.2 e.v. (schrapping van een curator met een solopraktijk); Rb. Den Haag 20 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1492, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2011/202, rov. 3.2; Hof Den Haag 7 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8988, <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2013/263, m.nt. H. Dulack, rov. 3.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_80d866b7-5f09-4e7f-8f6c-a0e75f2e4181" label="25">
    <para> 	Zie o.m.: MvT bij de consultatieversie van het voorstel van wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de implementatie van de Herstructureringsrichtlijn, p. 34; H. Dulack, annotatie <emphasis role="italic">JOR </emphasis>2013/263, nr. 1; Jansen, <emphasis role="italic">Insolad Jaarboek</emphasis> 2023, p. 157.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa9cadb9-b8da-498c-8347-88b0187e87dd" label="26">
    <para> 	R.D. Vriesendorp, annotatie <emphasis role="italic">TvI </emphasis>2010/12. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_92f7fbf5-1269-454f-86f9-29e6196fc03f" label="27">
    <para> 	B. Wessels, <emphasis role="italic">Insolventierecht IV</emphasis>, Deventer: Kluwer 2020/4091f.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2028a1b6-9763-4982-b21a-9898335693b6" label="28">
    <para> 	De Recofa-uitgangspunten 2013 zijn ontwikkeld door Recofa en goedgekeurd door het LOVCK. De Recofa-richtlijnen 2023 zijn vastgesteld door Recofa en bekrachtigd door het LOVT.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_18edb7cc-efc6-40f4-9848-eb0b54bf6f17" label="29">
    <para> 	Vgl. HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1093, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2022/367, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 4.2. De beschikking verwijst naar: HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2024/71, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.1.3; HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2014/364, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.5. Zie ook Jansen, <emphasis role="italic">Insolad Jaarboek </emphasis>2023, p. 165-166.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_ef46e7f3-8b97-4155-99d1-76831ab85334" label="30">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>1893, 140; <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>1896, 9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e8c3d32-dd80-4f57-8a9e-6488124cb864" label="31">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2005, 600; <emphasis role="italic">Stb. </emphasis>2022, 345.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_04c3659e-0b6a-4c8e-9e68-c5351c4c9809" label="32">
    <para> 	Zie o.m. G.W. Baron van der Feltz,<emphasis role="italic"> Geschiedenis van de Wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, deel II, </emphasis>Haarlem 1896, p. 18 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a190909d-5ea7-4c8a-aa41-06ddc74b3436" label="33">
    <para> 	Zie over ontslag op voordracht van de rechter-commissaris nader: B. Wessels, ‘Het ontslag van de curator’, <emphasis role="italic">FIP</emphasis> 2015/116, nr. 2, met vermelding van wetsgeschiedenis. Zie ook Wessels <emphasis role="italic">Insolventierecht IV</emphasis> 2020/4122. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_15b3b3f9-8eee-406a-9925-eccd3ebc0cf4" label="34">
    <para> 	J.C. van Apeldoorn, <emphasis role="italic">Insolventieprocedures en grondrechten </emphasis>(diss. Tilburg), Boom juridische uitgevers 2009, p. 106-107.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4dd15197-2cd2-46ea-9d74-1f869c8f31ba" label="35">
    <para> 	HR 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7318, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>2009/517, rov. 3.4; HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:686, <emphasis role="italic">TvI </emphasis>2018/47, m.nt. Q.L.C.M. Bongaerts. In HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY5700, <emphasis role="italic">RvdW </emphasis>2006/861 (art. 81 RO) ligt besloten dat ‘horen’ niet uitsluitend de betekenis heeft van ‘mondeling horen ter zitting’, maar ook kan plaatsvinden doordat de r-c op schrift zijn mening heeft gegeven (zie conclusie A-G Timmerman, onder 2-3-2.5).  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_075fba7b-9e5c-4d0f-8a7f-a2be21ab42cd" label="36">
    <para> 	HR 6 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0756, <emphasis role="italic">NJ</emphasis> 1993/26.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b804c24-19b6-402a-b77d-ffbb262ff4f8" label="37">
    <para> 	HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8971, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1985/870 (<emphasis role="italic">F./Van der Wilk q.q.</emphasis>), rov. 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df9ab833-dbe1-4273-ad5f-8aba608898c3" label="38">
    <para> 	A-G Valk, conclusie (onder 4.5) voor HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:270 (art. 81 lid 1 RO).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ceb991f1-aecc-44d6-822a-c244ef61ae4e" label="39">
    <para> 	A-G Timmerman, conclusie (onder 2.11) voor HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY5700, <emphasis role="italic">RvdW </emphasis>2006/861 (art. 81 RO).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d7cb97a-f3aa-4127-a295-5b3439073ac4" label="40">
    <para> 	A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel e.a., <emphasis role="italic">Cassatie</emphasis>, Deventer: Kluwer 2019/83.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_48011205-a13c-406a-86a8-6f7f79964a92" label="41">
    <para> 		HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8971, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1985/870 (<emphasis role="italic">F./Van der Wilk q.q.</emphasis>), rov. 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_470baa21-dd26-44d7-8e42-e3fd46ccd92b" label="42">
    <para> 	Wessels, <emphasis role="italic">FIP </emphasis>2015/116, nr. 7. Zie ook: Pannevis, <emphasis role="italic">Insolventierecht </emphasis>2022/13.3.8; Wessels, <emphasis role="italic">Insolventierecht IV</emphasis> 2020/4123. Anders: A-G Moltmaker, conclusie voor HR 23 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8104, <emphasis role="italic">NJ </emphasis>1984/202, onder 4.4 (geen motiveringseis).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a3d17d3a-5736-46b3-8c8b-f1990e33b533" label="43">
    <para> 	Vgl. Rb. Den Haag 5 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6777, rov. 3.1; Rb. Overijssel 4 augustus 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2335, rov. 3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_814d90ba-29c7-4265-9fe2-7b492fd2436c" label="44">
    <para> 	Vgl. Rb. Amsterdam 20 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5972, <emphasis role="italic">NJF </emphasis>2013/253, rov. 6.9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5030e721-a53a-4151-adca-b8a36c063d00" label="45">
    <para> 	Verstijlen, <emphasis role="italic">GS Faillissementswet, </emphasis>art. 73 Fw, aant. 3 (bijgewerkt t/m 16 juni 2023), onder verwijzing naar: Rb. Amsterdam 20 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5972, <emphasis role="italic">NJF </emphasis>2013/253; Rb. Den Haag 5 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6777; Rb. Overijssel 4 augustus 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2335.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c10c39b2-d270-490d-bf3b-505d41ae29e8" label="46">
    <para> 	Verstijlen, <emphasis role="italic">GS Faillissementswet, </emphasis>art. 73 Fw, aant. 3 (bijgewerkt t/m 16 juni 2023), met verwijzingen naar feitenrechtspraak. Zie ook HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY5700, <emphasis role="italic">RvdW  </emphasis>2006/881 (art. 81 RO).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf629d98-3afe-406f-910a-f7e5c38b36c5" label="47">
    <para> 	Verstijlen, <emphasis role="italic">GS Faillissementswet, </emphasis>art. 73 Fw, aant. 3.1-3.5 (bijgewerkt t/m 16 juni 2023); Wessels, <emphasis role="italic">FIP</emphasis> 2015/116, nr. 2 en 6; <emphasis role="italic">Wessels Insolventierecht IV</emphasis> 2020/4122. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7be4664d-f80f-4e06-b0ec-3b227c575b7a" label="48">
    <para> 	Zie over dit laatste ook: <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>2015/16, 34 253, nr. 3 (MvT), p. 14.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f744dc0-7dd2-4baa-b1d1-d857749e6bda" label="49">
    <para> 	Rb. Rotterdam 27 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5905, <emphasis role="italic">RI </emphasis>2017/97, rov. 5.9 e.v., met betrekking tot de Insolad Praktijkregels voor Curatoren 2011.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aef9415c-3e59-40df-b5eb-d30e1b82b5b1" label="50">
    <para> 	Vriesendorp, <emphasis role="italic">Insolventierecht</emphasis> 2021/131, met vermelding van voorbeelden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a6d2068-6594-4ba4-9d5f-f5ab29db5e6a" label="51">
    <para> 	Zie de brief van 22 januari 2024, aangehaald hiervoor onder 2.1-(iv).</para>
  </footnote>
</conclusie>
</open-rechtspraak>